Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:61

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
13/654009-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank overweegt waarom een TBS met dwangverpleging (en niet TBS met voorwaarden) wordt opgelegd aan verdachte die zich onder meer heeft schuldig gemaakt aan verkrachtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/654009-14 (A) en 13/665127-13 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 7 januari 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

[te plaats] , gedetineerd in de [detentie adres] [te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 13/665127-13 is aangevangen op 22 mei 2013 en het onderzoek in de zaak met parketnummer 13/654009-14 op 10 april 2014.

De zaken tegen verdachte hebben verder gediend op de volgende terechtzittingen: 2 juli 2014, 20 augustus 2014, 7 november 2014, 22 januari 2015 en 15 en 22 april 2015.

Op 9 juli 2015 is het onderzoek ter terechtzitting zonder instemming van de officier van justitie en de verdachte hervat in de stand waarop het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van 22 april 2015. Nu de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting op 9 juli 2015 was gewijzigd, is geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 322 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is derhalve op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 juli 2015, 2 september 2015, 11 november 2015 en 9, 16 en 29 december 2015.

1.2.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op 2 juli 2014 gevoegd.

Nu verdachte in de zaak met parketnummer 13/654009-14 in voorlopige hechtenis verblijft, dient deze zaak als zaak A te worden aangeduid. De zaak met parketnummer 13/665127-13 wordt hierna als zaak B aangeduid.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Grüschke en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H. Zuur naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in zaak A onder 5 op de zitting van 9 december 2015 - ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 06 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [persoon 1] bij de keel en/of hals heeft gegrepen en/of de keel en/of hals (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) heeft gezegd: "Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen", althans

woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 06 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkhe(i)d(en) [persoon 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

  • -

    die [persoon 1] achterover op haar bed heeft geduwd en/of

  • -

    tegen die [persoon 1] heeft gezegd: "Stil zijn" en/of "Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

  • -

    volledig ontkleed bovenop die [persoon 1] is gaan liggen en/of

  • -

    het vest van die [persoon 1] heeft geprobeerd open te knopen en/of

  • -

    die [persoon 1] bij de keel en/of hals heeft gegrepen en/of de keel en/of hals (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 06 december 2013 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij die [persoon 1]

- achterover op haar bed geduwd en/of

  • -

    tegen die [persoon 1] gezegd: "Stil zijn" en/of "Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

  • -

    volledig ontkleed bovenop die [persoon 1] is gaan liggen en/of

  • -

    het vest van die [persoon 1] geprobeerd open te knopen en/of

  • -

    die [persoon 1] bij de keel en/of hals gegrepen en/of de keel en/of hals (met

  • -

    kracht)dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 04 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [persoon 2] bij de keel en/of hals heeft gegrepen en/of de keel en/of hals (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) tegen die [persoon 2] gezegd: "Kleed je uit, ik maak je dood", althans woorden van gelijkende (dreigende) aard en/of strekking.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 04 december 2013 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkhe(id)(en) en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkhe(i)d(en) [persoon 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 2] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de mond van die [persoon 2] geduwd en/of gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

  • -

    (meermalen) tegen die [persoon 2] heeft gezegd: "Kleed je uit, ik maak je dood, althans woorden van gelijke (dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    die [persoon 2] bij de keel en/of hals heeft gegrepen en/of de keel en/of hals (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of dichtgedrukt en/of

  • -

    bovenop die [persoon 2] is gaan zitten en/of

  • -

    de vagina van die [persoon 2] heeft betast.

Ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 04 december 2013 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende een geldbedrag van 22.80 euro) en/of een ov-chipkaart en/of een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een kentekenbewijs en/of een zorgverzekering, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 8 februari 2013 in de gemeente Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[persoon 3] , hebbende verdachte die [persoon 3] gedwongen te dulden dat verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [persoon 3] duwde/bracht en/of zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [persoon 3] duwde/bracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- ( (bijna) bovenop die [persoon 3] is gaan liggen en/of (vervolgens) heeft getracht die [persoon 3] te zoenen/kussen en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Jullie Marokkaanse wijven zijn allemaal hoeren.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    die [persoon 3] met kracht heeft vastgepakt en/of vastgehouden, terwijl die probeerde los te komen en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Met andere mannen wil je wel seks en met mij niet.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende strekking en/of aard en/of

  • -

    meermalen, in ieder geval éénmaal, die [persoon 3] met kracht op de neus, in ieder geval in het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of

  • -

    (op enig moment) de voordeur van de woning op slot heeft gedaan en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Ik laat je zo niet gaan, je gaat eerst je gezicht wassen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    die [persoon 3] heeft meegenomen naar de badkamer en/of de deur van de badkamer op slot heeft gedaan/gedraaid en/of

  • -

    met kracht aan die [persoon 3] heeft getrokken en/of (vervolgens) de (boven)kleding van die [persoon 3] heeft uitgetrokken en/of heeft getracht uit te trekken en/of

  • -

    die [persoon 3] met kracht in het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of met kracht aan de haren heeft getrokken en/of

  • -

    een mes, in ieder geval een degelijk scherp (steek)voorwerp aan die [persoon 3] heeft getoond en/of dat mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp op de keel van [persoon 3] heeft gezet/gezet gehouden en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Doe je kleren uit.' en/of 'Alle Marokkaanse wijven zijn hoeren.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    die [persoon 3] met kracht heeft vastgepakt en/of de douche in heeft geduwd en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Je gaat nu doen wat ik wil anders maak ik je af.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    meermalen, in ieder geval éénmaal, zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [persoon 3] heeft geduwd/gebracht en/of

  • -

    die [persoon 3] met kracht naar de slaapkamer heeft gesleurd en/of op een bed heeft gegooid en/of bij de keel/nek heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of de keel/nek heeft dichtgeknepen en/of

  • -

    de deur van de slaapkamer op slot heeft gedraaid/gedaan en/of

  • -

    die [persoon 3] wederom op een bed heeft gegooid en/of meermalen, in ieder geval éénmaal, die [persoon 3] heeft geslagen en/of zogenaamde knietjes op het lichaam gegeven en/of zijn, verdachtes, hand op de mond van die [persoon 3] gedaan/gehouden en/of

  • -

    meermalen, in ieder geval éénmaal, bovenop die [persoon 3] is gaan liggen en/of meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [persoon 3] heeft geduwd/gebracht en/of

  • -

    die [persoon 3] aan de haren omhoog heeft getrokken en/of meermalen, in ieder geval éénmaal zijn, verdachtes, penis in de mond van die [persoon 3] geduwd/gebracht en/of tegen die [persoon 3] gezegd 'Pijpen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [persoon 3] aan de haren heen en weer heeft getrokken en/of een mes in zijn, verdachtes, hand heeft gehouden en/of

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Je gaat je kleren niet aan doen en je gaat nergens heen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde,

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 8 februari 2013 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [persoon 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door

- het slot van de voordeur van de woning dicht te draaien/doen en/of (vervolgens) de sleutel uit het slot te halen en/of

  • -

    de badkamerdeur op slot te doen/draaien en/of

  • -

    de slaapkamerdeur op slot te doen/draaien en/of (vervolgens) de sleutel uit het slot te halen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Verdachte heeft verklaard dat hij er geen herinnering aan heeft wat er op 4 en 6 december 2013 is gebeurd. Hij wil of kan geen verklaring geven voor wat er op die dagen is gebeurd. Amnesie wordt in de literatuur omschreven als het onvermogen zich belangrijke gegevens te herinneren. Dat de amnesie door overmatig alcohol en drugsgebruik zou zijn veroorzaakt, kan achteraf niet worden vastgesteld. Door de gedragsdeskundigen is een dergelijk geheugenverlies niet vastgesteld.

Aangeefster [persoon 1] .

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de aangifte van [persoon 1] , het aantreffen van de jas van verdachte met persoonlijke bezittingen, het dactyloscopische spoor op het door verdachte achtergelaten bierflesje, de herkenning van [persoon 1] en de verklaringen van de getuigen die de dader naakt op straat hebben gezien, kan worden bewezen dat verdachte op 6 december 2013 in de werkkamer van [persoon 1] is geweest. Verdachte heeft geprobeerd [persoon 1] te verkrachten (2 primair). Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag (1) door [persoon 1] stevig bij haar keel vast te grijpen, waardoor zij enige tijd nauwelijks kon ademen en waardoor zichtbaar letsel in de hals is ontstaan. Er is geen sprake van vol opzet, maar er kan wel worden gesproken van voorwaardelijk opzet.

Aangeefster [persoon 2] .

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de aangifte van [persoon 2] , het aantreffen van DNA van verdachte op het lichaam van [persoon 2] , alsmede de herkenning van verdachte door [persoon 2] , kan worden bewezen dat verdachte op 4 december 2013 [persoon 2] heeft verkracht in de peeskamer waar zij op dat moment als schoonmaakster werkzaam was (4). Ook in deze zaak kan de poging tot doodslag (voorwaardelijk opzet) worden bewezen. Verdachte ging op [persoon 2] zitten en drukte met zijn hand haar keel dicht, waardoor zij driemaal naar adem heeft gehapt. Hierdoor kreeg zij het heel benauwd en daarbij heeft verdachte gezegd: “Kleed je uit, ik maak je dood” (3). Voor de diefstal van de portemonnee is onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken (5).

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Aangeefster [persoon 3] .

De officier van justitie is van oordeel dat de verklaring van [persoon 3] , in tegenstelling tot de verklaring van verdachte, geloofwaardig is en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Hoewel de verdediging terecht kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de verschillende verklaringen van [persoon 3] , heeft zij op hoofdlijnen een consistente, gedetailleerde verklaring afgelegd. Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [persoon 3] , het bij haar geconstateerde letsel, de bloed- en speekselsporen op het beddengoed, de ondersteunende verklaring van verdachte dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, alsmede de verklaring van verdachte dat hij geweld heeft gebruikt tegen [persoon 3] om haar te beletten met 112 te bellen en haar te dwingen te douchen om het bloed weg te spoelen, kan worden bewezen dat verdachte op 8 februari 2013 [persoon 3] heeft verkracht (1). Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de bedreiging met een mes, nu er geen mes in de woning is aangetroffen dat voldoet aan de door [persoon 3] gegeven omschrijving daarvan en verdachte heeft ontkend [persoon 3] te hebben bedreigd met een mes. Ook voor wat betreft de vrijheidsberoving (2) wordt het verhaal van [persoon 3] ondersteund door de aangetroffen sporen en het letsel. Zij heeft om 13.21 uur gebeld naar 112 en zich rond 18.15 uur gemeld bij het ziekenhuis. Hoewel niet kan worden bewezen dat verdachte de bad- en slaapkamerdeur heeft afgesloten, heeft verdachte door het afsluiten van de voordeur van de woning [persoon 3] gedurende langere tijd tegen haar wil in de woning vastgehouden.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Verdachte herinnert zich niets van deze feiten. Hij gaat er vanuit dat hij de poging tot verkrachting van [persoon 1] (2) en de verkrachting van [persoon 2] (4) heeft begaan en dat de slachtoffers naar waarheid hebben verklaard.

Het bij de keel vastpakken van aangeefsters [persoon 1] (1) en [persoon 2] (3) kan niet leiden tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Het vastpakken van de keel impliceert immers niet automatisch dat opzet op de dood bestaat en uit het dossier blijft onduidelijk hoe lang verdachte de vrouwen bij de keel zou hebben vastgehad.

Het is voorts aannemelijk dat verdachte bij [persoon 2] uit eigen beweging is opgehouden als het gaat om de poging tot doodslag of zware mishandeling. In een dergelijk situatie kan vrijwillige terugtred niet worden uitgesloten en moet om die reden vrijspraak volgen. Het is ook een indicatie dat verdachte niet heeft gewild dat de dood zou volgen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet op de dood heeft gehad of dat er sprake zou zijn geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden die verdachte zou hebben aanvaard.

Bij [persoon 1] was er geen opzet op de dood of zware mishandeling, maar op de verkrachting met als doel haar te laten meewerken. Het omklemmen van de hals is op zichzelf onvoldoende om het opzet van zwaar lichamelijk letsel aan te nemen. Ook hier laat het dossier de mogelijkheid van vrijwillig terugtred open.

De enkele verklaring van [persoon 2] dat zij haar portemonnee nog had toen zij naar haar werk ging, is onvoldoende wettig bewijs, zodat vrijspraak dient te volgen (5).

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft aangevoerd, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, dat verdachte van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting en van de onder 2 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving moet worden vrijgesproken.

Aangeefster [persoon 3] .

Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon 3] in het gezicht heeft geslagen toen zij hem tijdens de geslachtsgemeenschap vertelde dat zij een geslachtsziekte had. Het dossier biedt geen uitsluitsel over de vraag of ze elkaar hebben besmet en wie wie dan zou hebben besmet. Verdachte heeft [persoon 3] in het gezicht geschopt toen zij dreigde de politie te bellen om hem ten onrechte te beschuldigen van een verkrachting. De verklaring van [persoon 3] over de context waarbinnen het geweld tijdens de vermeende verkrachting heeft plaatsgevonden, staat diametraal op de consistente verklaring van verdachte. Zijn verklaring is aannemelijker en betrouwbaarder dan de verklaring van [persoon 3] . De verdediging is bovendien van oordeel dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van [persoon 3] . Hoewel schakelbewijs onder omstandigheden kan dienen als steunbewijs, kan het gebrek aan wettig bewijs in de zaak van 8 februari 2013 niet worden gecompenseerd door het wel aanwezige bewijs in de zaken van 4 en 6 december 2013. Daarvoor zijn de overeenkomsten in de tenlasteleggingen niet karakteristiek genoeg.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het in zaak A onder 3 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en komt hierna uitgebreider terug op deze beslissingen.

4.3.2.

Inleiding
De rechtbank stelt vast dat er op 4 en 6 december 2013 een verkrachting en een poging tot verkrachting hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte is betrokken. Beide verkrachtingen gingen - kort gezegd - gepaard met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft de verkrachtingen, zoals blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting, niet ontkend. Hij gaat ervan uit dat hij deze feiten heeft begaan, maar hij verklaart dat hij het zich niet (meer) herinnert.

4.3.3.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.4.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 primair ten laste gelegde

4.3.4.1. Bewijsmiddelen

Op 6 december 2013 heeft [persoon 1] aangifte gedaan van een poging tot doodslag en een poging tot verkrachting in haar (pees)kamer aan de [adres 2] te Amsterdam2.

Zij zag een man haar kamer binnenkomen. De man haalde een flesje bier uit zijn blauwe jas en zette die neer. Hij hing zijn jas op de kapstok. [persoon 1] had plaatsgenomen op de rand van haar bed. De man kwam schuin voor haar staan en begon zich uit te kleden. De man stond helemaal naakt voor [persoon 1] en wierp zich plots op haar. Hij duwde haar achterover op bed en deed zijn beide handen op haar keel. [persoon 1] hoorde de man zeggen: “Stil zijn! Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen”. De man kwam bovenop haar liggen en daar bleef hij ook even liggen. [persoon 1] voelde de handen van de man op haar keel. Zij kon nog wel ademen. Zij kon geen kant op en was doodsbang voor wat de man zou gaan doen. Het lukte [persoon 1] niet om bij een van de twee alarmknoppen op haar kamer te komen. Zij voelde dat de man met één hand haar vest probeerde open te knopen. Op dat moment dacht [persoon 1] dat zij beter kon meewerken met de man. Zij hielp de man de knoop van haar vest te openen. Op dat moment werd de man woest. Hij pakte met één hand haar strottehoofd of adamsappel vast. [persoon 1] voelde dat de man met zijn ene hand haar adamsappel vasthield en dichtkneep. [persoon 1] voelde dat zij hierdoor stikte en geen adem meer kon halen. Op dat moment besloot zij dat zij moest vechten. Bij die worsteling heeft [persoon 1] letsel opgelopen. Zij had last van haar nek, adamsappel/strottehoofd en krassen op haar rechterborst. Ook is een deel van een tand afgebroken en zat één van haar onderste snijtanden los. Het lukte haar om de alarmknop in te drukken, waardoor het alarm af ging. Gedurende het gevecht had de man haar keel vast en kneep hij in haar adamsappel/strottehoofd. Op enig moment hoorde de man het geluid van het alarm. De man ging van haar af en stond op. [persoon 1] stond daarop ook gelijk op en opende de deur. Zij ging in de deuropening staan en besloot te gillen. Zij zag dat de man zijn kleding pakte en zo de deur uit rende. Naakt en op blote voeten.

Een GGZ-arts heeft op 6 december 2013 geconstateerd dat [persoon 1] met name pijn had aan het strottehoofd. Pijn bij het bewegen van de hals en nek en pijn bij het slikken. In de hals rechts was een vage blauwrode verkleuring van ongeveer 5 bij 1 cm. In de hals links was een blauwe verkleuring van ongeveer 3 bij 5 mm, met direct er omheen een vlekkerige verkleuring, passend bij een bloeduitstorting. In de onderkaak was de linker snijtand gering beweeglijk en pijnlijk3.

Getuige [getuige 1] heeft gegil vanuit één van de prostitutiekamers op de [adres 2] gehoord. Hij hoorde het alarm afgaan en zag buiten een geheel naakte man die zijn kleding voor elkaar gegrist voor zich hield. Hij pakte de man stevig vast, maar de man gaf hem een kopstoot en liep weg4.

Door de politie is vervolgens geconstateerd dat de verdachte zijn jas en een flesje bier in de peeskamer van [persoon 1] had achtergelaten. In de jas werd een portemonnee aangetroffen met daarin een bankpas op naam van [verdachte] en een identiteitsbewijs op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 en voorzien van een pasfoto5. Als [persoon 1] met deze pasfoto wordt geconfronteerd herkent zij de man als degene tegen wie zij aangifte heeft gedaan6. Op het bierflesje werden twee voor identificatie geschikte dactyloscopische sporen aangetroffen7, waarna het op de bierfles aangetroffen spoor SIN AAFR4799NL wordt geïdentificeerd als zijnde het dactyloscopische signalement van [verdachte]8.

4.3.4.2. Nadere overweging zaak A onder 1

Verdachte heeft op 6 december 2013 door geweld en bedreiging met geweld geprobeerd [persoon 1] te verkrachten. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld in hoeverre de verdachte zich daarbij (ook) heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling wel bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte wilde seks met [persoon 1] en daarop was zijn intentie gericht. Hij wilde dat zij zou meewerken en zou stoppen met schreeuwen. Hij had niet de intentie (vol opzet) om haar te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig in het geval verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag, of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Hoewel kan worden bewezen dat verdachte [persoon 1] bij de keel en hals heeft gegrepen en de keel en hals met kracht heeft dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden, brengen deze gedragingen niet zonder meer met zich dat hierdoor de aanmerkelijke kans bestond dat [persoon 1] als gevolg daarvan zou overlijden. Het aan [persoon 1] toegebrachte letsel is relatief beperkt gebleven. Het dossier bevat ook anderszins geen objectieve aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de keel van [persoon 1] gedurende zodanig lange duur met kracht is dichtgeknepen dat de aanmerkelijke kans bestond dat zij als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [persoon 1] . Het dichtdrukken van de keel, ook als dat niet heel lang heeft geduurd, kan leiden tot een gebrek aan zuurstof. Daarbij kan ook de halsslagader worden dichtgeknepen, wat tot gevolg heeft dat de bloedtoevoer naar de hersenen wordt belemmerd en dat kan leiden tot een hersenbeschadiging. Het is daarnaast algemeen bekend dat de keel en de hals van vitaal belang en kwetsbaar zijn. [persoon 1] heeft letsel aan de nek en hals opgelopen dat gemakkelijk ernstiger had kunnen uitvallen. Door zo’n kwetsbare plek met kracht gedurende enige tijd dicht te knijpen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.3.5.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde

4.3.5.1. Bewijsmiddelen

Op 5 december 2013 heeft [persoon 2] aangifte gedaan van een verkrachting, gepleegd op 4 december 2013 in een (pees)kamer aan de [adres 3] te Amsterdam9.

Zij was aan het werk als schoonmaakster in de peeskamer op het moment dat een jonge man via de schuifdeur naar binnen kwam. De man had de schuifdeur gesloten en het gordijn voor de schuifdeur dicht gedaan. [persoon 2] maakte hem meteen duidelijk dat zij geen hoer was, maar een schoonmaakster maar dat interesseerde hem niet. De dader zei: “Kleed u uit en naar het bed”. Zij is eerst op het bed gaan zitten. Hij pakte haar benen en die zwaaide hij op bed. Hij kwam over haar heen zitten en drukte met een hand haar keel dicht. [persoon 2] moest zich uitkleden. [persoon 2] heeft zich uitgekleed vanwege zijn intimiderende uitstraling. Zij dacht dat zij dit maar beter kon laten gebeuren, omdat zij bang was dat zij vermoord zou worden, nadat hij haar keel had dicht gedrukt. Hij was heel sterk met zijn hand en naar haar idee had hij niet al zijn kracht gebruikt om haar keel dicht te drukken. Hij gebruikte de knokkel van de wijsvinger op het midden van haar hals en zo drukte hij haar keel dicht. [persoon 2] kreeg het benauwd. Zij lag plat op haar rug op het bed en had zich toen al uitgekleed. Hij had gezegd: “Kleed je uit, ik maak je dood”. Op het moment dat hij haar keel dicht drukte heeft zij driemaal naar adem gehapt. Hij was eerder uitgekleed dan [persoon 2] . Als zij niet snel genoeg iets deed naar zijn zin, zei hij: “Ik maak je dood”. Hij bleef constant roepen dat zij haar kleding uit moest trekken. Zij lag op haar rug en de dader zat bovenop haar om zijn geslachtsdeel in haar gezicht te krijgen. Hij zei: “In je mond nu, in je mond”. [persoon 2] moest constant kokhalzen en dat werkte voor hem ook niet bevorderlijk, want elke keer als hij een stijve had nam dat weer af. Zij moest hem ongeveer tien minuten oraal bevredigen. Hij zei constant: “In je mond nu, in je mond”. [persoon 2] hield haar benen bij elkaar en hij zei tegen haar: “Ik maak je dood”. Uiteindelijk deed zij haar benen uit elkaar. Hij heeft toen drie likken aan haar vagina gegeven en probeerde haar hierna te vingeren. Dat lukte niet. Haar vagina reageerde niet, omdat zij zich afsloot. [persoon 2] zag dat hij met slijm uit zijn mond met zijn vingers haar vagina bevochtigde. Dit deed hij om vervolgens met zijn penis in haar vagina te komen. Zij weet niet precies op welk moment hij haar penetreerde. Hij trok haar van bed af tot zij op de bedrand lag. Hij stond naast het bed tussen haar benen in en toen stak hij zijn penis in haar vagina. [persoon 2] weet niet waarom de man stopte. Hij stuurde haar naar de badkamer en hoorde dat hij zei: “Nu douchen! Nu douchen! Ook van binnen”. Hij liep ondertussen op en neer naar de kamer en kleedde zich aan.

Ten behoeve van het forensisch onderzoek is [persoon 2] aan een medisch forensisch onderzoek (zedenonderzoek) onderworpen, waarbij haar vagina is bemonsterd10, waarna op de schaamlippen en in de vagina het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen11.

Als [persoon 2] enkele dagen na 7 januari 2014 op de internetsite van Opsporing Verzocht de foto van verdachte [verdachte] bekijkt, herkent zij hem als de dader12.

4.3.5.2. Vrijspraak zaak A onder 3 en 5

De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, de onder 5 ten laste gelegde diefstal van de portemonnee van [persoon 2] niet bewezen. Verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

Daarnaast acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de onder 3 ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling van [persoon 2] evenmin bewezen, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte wilde seks met [persoon 2] en daarop was zijn intentie gericht. Hij wilde dat zij zou meewerken en heeft daarom haar keel dichtgedrukt. Hij had niet de intentie (vol opzet) om haar te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig in het geval verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag, of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Hoewel kan worden vastgesteld dat verdachte [persoon 2] bij de keel en hals heeft gegrepen en de keel en hals heeft dichtgeknepen, brengen deze gedragingen niet zonder meer met zich dat hierdoor de aanmerkelijke kans bestond dat [persoon 2] als gevolg daarvan zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. In deze zaak zijn daarvoor een aantal contra-indicaties. [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte niet al zijn kracht gebruikte om haar keel dicht te drukken. Omdat ze bang was heeft ze ook meegewerkt, waardoor de rechtbank niet kan uitsluiten, dat verdachte haar keel slechts gedurende een korte periode en niet met al zijn kracht heeft dichtgedrukt (gehouden) waardoor niet bewezen kan worden, dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer dan wel op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, laat staan van het aanvaarden van een dergelijke kans, zodat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

4.3.6.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 8 februari 2013 te Amsterdam in de woning waar hij toen verbleef [persoon 3] heeft verkracht en wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Dat er seksuele handelingen tussen verdachte en [persoon 3] hebben plaatsgevonden wordt door verdachte niet weersproken. Verdachte heeft echter ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de seksuele handelingen die [persoon 3] heeft ondergaan onder uitoefening van - kort gezegd - dwang hebben plaatsgevonden en of zij tegen haar wil van haar vrijheid is beroofd. De rechtbank acht dit bewezen.

4.3.6.1. Bewijsmiddelen

Op 10 februari 2013 heeft [persoon 3] aangifte gedaan van een verkrachting, gepleegd op 8 februari 2013 in een woning gelegen aan de [adres 4] te Amsterdam13.

[persoon 3] is op 8 februari 2013 omstreeks 05.00 uur met twee vrienden naar de woning van verdachte gegaan. Tussen 08.00 en 09.00 uur is zij met verdachte naar de Albert Heijn op de hoek gelopen. Terug in de woning hebben [persoon 3] en verdachte naar muziek geluisterd en een goed gesprek gehad. Op een gegeven moment kwam verdachte naar [persoon 3] toe. Hij wilde haar zoenen en ging zowat op haar liggen. [persoon 3] duwde verdachte weg en zei tegen hem dat hij normaal moest doen en dat zij niet met hem wilde zoenen. Verdachte zei toen tegen haar: “Jullie Marokkaanse wijven zijn allemaal hoeren”. [persoon 3] keek in zijn ogen en het leek wel alsof hij een ander persoon was geworden. Hij keek heel agressief en koud uit zijn ogen. Nadat [persoon 3] verdachte van zich af had geduwd, probeerde zij weg te komen uit de woning, maar dat kon niet. Verdachte pakte haar vast en hield haar tegen. [persoon 3] probeerde los te komen en er ontstond een worsteling. [persoon 3] vroeg wat verdachte aan het doen was. Hij zei: “Met andere mannen wil je wel seks en met mij niet”. Uit het niets gaf hij [persoon 3] toen een harde stomp op haar neus. [persoon 3] zag dat er toen overal bloed was. De stomp deed pijn.

[persoon 3] zag haar telefoon op tafel liggen, heeft haar telefoon gepakt en 112 gebeld. Op haar telefoon staat dat zij om 13.21 uur 112 heeft gebeld. Zij kreeg niemand aan de lijn, want verdachte pakte haar telefoon af. Verdachte keek wie [persoon 3] belde en zei: “Je wilt de politie bellen?”. [persoon 3] zei: “Natuurlijk”. [persoon 3] zei dat zij weg wilde. Verdachte zei: “Ik laat je zo niet gaan, je gaat eerst je gezicht wassen”. [persoon 3] wist eigenlijk helemaal niet hoe zij eruit zag. Hij zei dat de badkamer boven was en dat [persoon 3] daar naar toe moest om haar gezicht te wassen. Verdachte liep voorop en zei dat zij mee moest komen. Hij liep met haar mee de badkamer in en draaide de deur op slot. Toen [persoon 3] in de spiegel keek, zag zij dat haar hele gezicht onder het bloed zat. Zij vroeg aan verdachte of hij de badkamer wilde verlaten, omdat zij alleen wilde zijn en zich schoon wilde maken. In de badkamer zei verdachte tegen haar: “je hebt hier zelf om gevraagd”. Hij maakte de deur weer open en ging de gang in. De deur bleef op een kier. [persoon 3] zag dat verdachte steeds heen en weer liep op de gang en dat verdachte heel snel naar beneden liep. [persoon 3] durfde de badkamer niet uit te komen. Zij was bang voor verdachte. Verdachte kwam kort hierop weer terug in de badkamer. [persoon 3] liep de gang op en wilde weg. Verdachte begon toen aan haar te trekken. Hij begon de bovenkant van haar kleding uit te trekken. [persoon 3] wilde dit niet en verzette zich door zijn handen van haar af te duwen. Verdachte sloeg haar toen in haar gezicht en trok aan haar haren. Toen zag [persoon 3] dat verdachte opeens een keukenmes in zijn hand vast hield. Verdachte stond voor haar en zette het mes op haar keel. Verdachte zei: “Doe je kleren uit”. Hij zei weer dat alle Marokkaanse wijven hoeren waren. [persoon 3] werd bang van die enge blik in de ogen van verdachte en van het mes waarmee hij dreigde. Zij heeft zichzelf uitgekleed. Verdachte pakte haar vast en duwde haar de douche in. Verdachte had de douche aangezet. [persoon 3] zag dat hij naakt naast haar kwam staan. Zij vroeg hem: “Waarom doe je dit”. Verdachte zei: “Je gaat nu doen wat ik wil anders maak ik je af”. [persoon 3] voelde dat verdachte zijn vingers in haar vagina deed. Zij duwde zijn hand elke keer weg. Na een tijdje stopte hij hiermee en sleurde haar mee naar zijn slaapkamer. Hij gooide haar op het bed. [persoon 3] was naakt, nat van de douche en schaamde zich dat zij naakt was. Verdachte sloeg een wit laken wat op het bed lag om haar heen. Hij pakte haar ook bij haar keel en probeerde haar te wurgen. Verdachte liep naar de deur van de kamer en draaide de deur op slot. [persoon 3] stapte uit het bed en wilde naar de deur toe lopen om weg te komen. Verdachte probeerde haar weer op het bed te gooien. Er ontstond een vechtpartij waarbij verdachte haar weer sloeg. [persoon 3] krabde en schopte naar verdachte. Verdachte sloeg hard en gaf haar knietjes op haar lichaam. Zij begon te gillen en te schreeuwen, waarop verdachte zijn hand voor haar mond deed. Zij vielen op de grond. [persoon 3] viel met haar rug op de grond. Verdachte lag boven op haar en probeerde zijn lul in haar vagina te stoppen. Het lukte verdachte om zijn lul in haar vagina te stoppen. Dit duurde voor haar gevoel erg lang. Daarna trok verdachte aan haar haar en zei dat zij hem moest pijpen. Verdachte had een stijve penis en stopte deze in haar mond en zei: “Pijpen”. In zijn andere hand hield hij het mes. Hij duwde zijn penis harder in haar mond. Zo diep dat zij moest kotsen. Hij bleef zijn penis in haar mond stoppen en [persoon 3] aan haar haren heen en weer bewegen. Hierna ging verdachte weer boven op haar liggen en stopte weer zijn penis in haar vagina. [persoon 3] bleef hem van haar af duwen tot het op een gegeven moment gestopt is. Zij dacht de hele tijd: “Ik wil weg hier”. [persoon 3] zei: “Klootzak waarom doe je me dit aan. Je hebt me gewoon verkracht”. Verdachte zei eerst niets. Toen [persoon 3] zei dat zij weg wilde zei verdachte: “Je gaat je kleren niet aan doen en je gaat nergens heen”. Hij deed toen met de sleutel de deur van de slaapkamer open. In de badkamer lagen haar kleren die zij aan wilde doen. Verdachte zei dat [persoon 3] eerst moest douchen. Zij zei: “Ik ga niet douchen”. Verdachte zei: “Of je nu gaat douchen of niet, of je nu naar de politie gaat of niet ik heb er schijt aan”. [persoon 3] heeft toen haar kleding aangedaan en is naar beneden gelopen. Zij kon niet uit de woning, omdat verdachte de voordeur op slot had gedaan. [persoon 3] zei dat verdachte de deur open moest maken. Verdachte zei tegen haar dat hij haar niet weg liet gaan, omdat zij dan naar de politie zou gaan. [persoon 3] zei dat zij zeker naar de politie zou gaan, omdat wat hij haar aangedaan had niet normaal was. [persoon 3] kon de woning niet uit en verdachte liet haar niet gaan. Zij heeft het gevraagd, gesmeekt en zij heeft gehuild of hij haar alsjeblieft weg wilde laten gaan. Verdachte liet haar niet gaan. [persoon 3] is op de bank gaan zitten en verdachte zat helemaal aan de andere kant. Op een gegeven moment vroeg hij of [persoon 3] ook eten wilde. [persoon 3] zei dat zij niet wilde, maar weg wilde en is toen gaan schreeuwen. Uiteindelijk heeft verdachte de deur open gedaan en zei: “Of je nu naar de politie gaat dat interesseert mij niet, doe gewoon je ding’. Hierop deed verdachte de deur open met de sleutel, waarop [persoon 3] naar buiten is gelopen. Zij is weggerend. [persoon 3] is toen naar het Slotervaartziekenhuis gerend en daar rond 18.15 uur aangekomen. Verdachte heeft haar vier en half uur vastgehouden tegen haar zin in. Haar lichaam doet pijn en is beurs door wat verdachte haar heeft aangedaan. Haar neus is opgezwollen en onder haar ogen heeft zij blauwe kringen. Zij heeft pijn aan haar linker onderbeen en haar lijf zit onder de krassen.

De politie is op 8 februari omstreeks 18.30 uur benaderd door een arts van de afdeling spoedeisende hulp van het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam, alwaar [persoon 3] zich na de verkrachting had vervoegd. Als verbalisanten haar aanspreken doet zij huilend haar verhaal. Het zichtbare letsel op het lichaam van [persoon 3] is door een forensisch arts van de GGD te Amsterdam beschreven in het Onderzoeksrapport Zedendelicten, te weten: zwelling neusrug; bloeduitstorting; een kraswond op de rechterdij; klein stukje hoektand afgebroken; ontvelling en hematoom schouder; een kraswond op de rechterborst; een 3-tal striemen op de linkerborst; hematoom linker handrug; kleine ontvelling linker ringvinger14.

De politie heeft gecontroleerd of [persoon 3] heeft gebeld met 112. Zij heeft haar telefoon aan de politie laten zien. De politie heeft in het logbestand van haar telefoon op 8 februari 2013 bij uitgaande gesprekken om 13.21 uur het nummer 112 gezien. Na contact met een medewerker van de meldkamer van de KLPD te Driebergen is gebleken dat er geen verbinding is geweest op 8 februari met het telefoonnummer van [persoon 3]15.

Op 15 februari 2013 heeft verdachte een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris over wat er op 8 februari 2013 in de woning aan de [adres 4] is gebeurd16. Verdachte heeft verklaard seks met [persoon 3] te hebben gehad, haar tikken in het gezicht en een trap tegen de neus te hebben gegeven. Ook heeft hij haar vastgepakt en naar de douche gebracht.

Volgens verdachte was de seks echter vrijwillig. De rechtbank zal op de verklaring van verdachte nader ingaan bij de bewijsoverwegingen hieronder.

4.3.6.2. Nadere overwegingen

Verkrachting kan worden bewezen als vast komt te staan dat het slachtoffer is gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft verklaard dat de seks, waaronder het binnendringen van zijn penis in de mond en zijn penis in de vagina van [persoon 3] , vrijwillig geschiedde en dat het letsel nadien is ontstaan. [persoon 3] heeft verklaard dat zij tegen haar zin seksuele handelingen, waaronder voornoemde, met verdachte heeft ondergaan. Zij is verder onder meer geslagen, tegen haar wil vastgehouden en met een mes bedreigd.

Verdachte heeft eerst bij de rechter commissaris op 15 februari 2013 en later in een uitgebreid verhoor bij de politie op 21 februari 201317 en ter terechtzitting van 9 december 2015, kort samengevat, verklaard dat hij op 8 februari 2013 in de slaapkamer van zijn woning vrijwillig seks heeft gehad met [persoon 3] . Hij is eerst oraal door [persoon 3] bevredigd en hij is daarna met zijn penis in haar vagina geweest. Op dat moment, terwijl verdachte boven op [persoon 3] lag, vertelde [persoon 3] opeens dat zij een geslachtsziekte had. Verdachte werd boos op haar, heeft haar bij de keel gegrepen en een aantal tikken in het gezicht gegeven. Daarna is eerst verdachte naar beneden gegaan. Toen [persoon 3] naar beneden kwam zei zij tegen verdachte dat zij de politie ging bellen en zou zeggen dat verdachte haar had verkracht. Zij probeerde ook 112 te bellen. Verdachte heeft toen een trap tegen haar neus gegeven. Zij begon uit haar neus te bloeden. Verdachte heeft gezegd dat zij zich moest gaan wassen. Zij wilde niet douchen en daarom heeft verdachte haar daartoe gedwongen. Hij heeft [persoon 3] vastgepakt en naar boven naar de douche gedirigeerd. [persoon 3] heeft de woning een paar uur, minimaal 2 uur, na dit voorval verlaten. Zij heeft na het douchen nog even op de bank gezeten en heeft op verzoek van verdachte wat gegeten.

De rechtbank acht de verklaring van [persoon 3] betrouwbaar en acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig om de volgende redenen, in onderlinge samenhang beschouwd.


De verklaring van [persoon 3] is naar het oordeel van de rechtbank op hoofdlijnen consistent. Dat er wel verschillen zijn aan te wijzen tussen haar aangifte, haar nadere verhoor bij de politie op 19 februari 2013 (P. 103-108) en haar verklaringen bij de rechter commissaris op 5 juni 2013 en 14 november 2013, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaring niet af. Ook de omstandigheid dat [persoon 3] drugs had gebruikt en alcohol heeft gedronken, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan haar verklaring. De rechtbank hecht veel belang aan het feit dat de verklaring van [persoon 3] wordt ondersteund door het bij haar geconstateerde letsel (zwelling neusrug; bloeduitstorting; een kraswond op de rechterdij; klein stukje hoektand afgebroken; ontvelling en hematoom schouder; een kraswond op de rechterborst; een 3-tal striemen op de linkerborst; hematoom linker handrug; kleine ontvelling linker ringvinger), dat veel meer past bij haar verklaring dan bij de verklaring van verdachte, en het feit dat is komen vast te staan dat zij, zoals zij heeft verklaard, heeft geprobeerd 112 te bellen om 13.21 uur.

Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte over het ontstaan van een ruzie, waarna hij zou zijn overgegaan tot gewelddadig gedrag, onaannemelijk. Volgens verdachte zou [persoon 3] terwijl zij met verdachte seks had, ineens hebben gezegd dat zij een geslachtsziekte heeft. [persoon 3] ontkent dit te hebben gezegd en heeft verklaard dat zij ook geen geslachtsziekte had.

De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat [persoon 3] tijdens de, in de visie van verdachte, vrijwillige seks een dergelijke opmerking zou hebben gemaakt. Allereerst ontbreekt hiervoor, ook in de verklaring van verdachte, een logische reden. Daarnaast is gebleken dat [persoon 3] op 14 december 2012 is getest op veel voorkomende geslachtsziektes en het resultaat van die test was negatief18. De door [persoon 3] na het seksuele contact met verdachte afgelegde test was eveneens negatief19. De verklaring van verdachte wordt op dit niet onbelangrijke punt dus niet en die van [persoon 3] wél ondersteund door objectieve testresultaten.

De raadsvrouw heeft betoogd dat [persoon 3] wellicht direct na het seksuele contact met verdachte en voor de afname van de (nieuwe) test is behandeld tegen geslachtsziekten waardoor de uitslag negatief was. Dat hypothetische scenario wordt evenwel door geen enkel objectief gegeven ondersteund en is niet dermate aannemelijk dat dit voor de rechtbank tot de conclusie leidt dat verdachte moet worden geloofd en [persoon 3] niet.

De rechtbank acht het ook ongeloofwaardig dat verdachte verklaart nog precies te weten wat er is gebeurd voor het tijdstip dat [persoon 3] 112 heeft gebeld maar dat hij zich nauwelijks iets weet te herinneren over wat er na de 112 melding van 13.21 uur en voor het verlaten van de woning door [persoon 3] is voorgevallen. Dit terwijl het na de 112 melding nog uren heeft geduurd voordat [persoon 3] de woning heeft verlaten en zich in het ziekenhuis heeft gemeld. Dat [persoon 3] na de mishandeling door verdachte nog enkele uren vrijwillig in zijn woning is gebleven, zoals hij heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

Hiervoor is weergegeven waarom de rechtbank de verklaring(en) van [persoon 3] geloofwaardig acht en bruikbaar voor het bewijs. Mede gezien de feiten en omstandigheden die haar verklaring ondersteunen, zoals die hiervoor zijn genoemd, acht de rechtbank eveneens bewezen dat er sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving op een wijze zoals is ten laste gelegd.

Schakelbewijs

Hoewel de feitelijke handelingen van verdachte op 8 februari 2013 en de feitelijke handelingen van verdachte op 4 en 6 december 2013 enigszins met elkaar overkomen, zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om schakelbewijs toe te passen.

4.3.7.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 primair en 4 en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde

Voor zover de officier van justitie en de raadsvrouw andere standpunten hebben aangevoerd, hoeven deze - gelet op het vorenstaande - niet verder te worden besproken of worden ze door de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, weerlegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

op 6 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [persoon 1] bij de keel en hals heeft gegrepen en de keel en hals met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en daarbij heeft gezegd: "Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen".

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde:

op 6 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en door bedreiging met geweld [persoon 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

  • -

    die [persoon 1] achterover op haar bed heeft geduwd en

  • -

    tegen die [persoon 1] heeft gezegd: "Stil zijn" en "Niet schreeuwen, ik vermoord je met mijn blote handen" en

  • -

    volledig ontkleed bovenop die [persoon 1] is gaan liggen en

  • -

    het vest van die [persoon 1] heeft geprobeerd open te knopen en

  • -

    die [persoon 1] bij de keel en hals heeft gegrepen en de keel en hals heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde:

op 4 december 2013 te Amsterdam door geweld en een feitelijkheid en door bedreiging met geweld [persoon 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 2] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en de mond van die [persoon 2] geduwd en/of gebracht en bestaande dat geweld en die feitelijkheid en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

  • -

    meermalen tegen die [persoon 2] heeft gezegd: "Kleed je uit, ik maak je dood” en

  • -

    die [persoon 2] bij de keel en hals heeft gegrepen en de keel en hals heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en

  • -

    bovenop die [persoon 2] is gaan zitten en

  • -

    de vagina van die [persoon 2] heeft betast.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:

op 8 februari 2013 in de gemeente Amsterdam door geweld en bedreiging met geweld en feitelijkheden [persoon 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 3] , hebbende verdachte die [persoon 3] gedwongen te dulden dat verdachte meermalen zijn penis in de vagina en de mond van die [persoon 3] duwde/bracht en zijn vingers in de vagina van die [persoon 3] duwde/bracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en feitelijkheden hierin dat verdachte

- bijna bovenop die [persoon 3] is gaan liggen en heeft getracht die [persoon 3] te zoenen en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Jullie Marokkaanse wijven zijn allemaal hoeren' en

  • -

    die [persoon 3] heeft vastgepakt, terwijl die probeerde los te komen en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Met andere mannen wil je wel seks en met mij niet' en

  • -

    die [persoon 3] met kracht op de neus heeft gestompt en

  • -

    op enig moment de voordeur van de woning op slot heeft gedaan en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Ik laat je zo niet gaan, je gaat eerst je gezicht wassen' en

  • -

    die [persoon 3] heeft meegenomen naar de badkamer en de deur van de badkamer op slot heeft gedraaid en

  • -

    aan die [persoon 3] heeft getrokken en vervolgens de bovenkleding van die [persoon 3] heeft getracht uit te trekken en

  • -

    die [persoon 3] in het gezicht heeft geslagen en aan de haren heeft getrokken en

  • -

    een mes aan die [persoon 3] heeft getoond en dat mes op de keel van [persoon 3] heeft gezet en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Doe je kleren uit' en 'Alle Marokkaanse wijven zijn hoeren' en

  • -

    die [persoon 3] heeft vastgepakt en de douche in heeft geduwd en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Je gaat nu doen wat ik wil anders maak ik je af' en

  • -

    zijn vingers in de vagina van die [persoon 3] heeft gebracht en

  • -

    die [persoon 3] naar de slaapkamer heeft gesleurd en op een bed heeft gegooid en bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of de keel heeft dichtgeknepen en

  • -

    de deur van de slaapkamer op slot heeft gedraaid en

  • -

    die [persoon 3] heeft geslagen en knietjes op het lichaam gegeven en zijn hand op de mond van die [persoon 3] gedaan en

  • -

    meermalen bovenop die [persoon 3] is gaan liggen en meermalen zijn penis in de vagina van die [persoon 3] heeft geduwd/gebracht en

  • -

    die [persoon 3] aan de haren omhoog heeft getrokken en meermalen zijn penis in de mond van die [persoon 3] geduwd/gebracht en tegen die [persoon 3] gezegd 'Pijpen' en die [persoon 3] aan de haren heen en weer heeft getrokken en een mes in zijn hand heeft gehouden en

  • -

    tegen die [persoon 3] heeft gezegd 'Je gaat je kleren niet aan doen en je gaat nergens heen'.


Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

op 8 februari 2013 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [persoon 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- het slot van de voordeur van de woning dicht te doen en

  • -

    de badkamerdeur op slot te draaien en

  • -

    de slaapkamerdeur op slot te draaien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

6.1.

Vrijwillige terugtred

In zaak A onder 2 heeft de raadsvrouw - voor wat betreft de poging tot zware mishandeling van [persoon 1] - aangevoerd dat een vrijwillige terugtred niet kan worden uitgesloten als verdachte uit eigen beweging is opgehouden.

De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

De verdediging stelt dat niet kan worden uitgesloten dat sprake zou zijn van vrijwillige terugtred zonder dat dit verweer op enigerlei wijze wordt onderbouwd. Dit kan ook niet of nauwelijks nu verdachte heeft verklaard dat hij zich weinig tot niets kan herinneren.

Behalve dat het verweer derhalve feitelijke grondslag mist en reeds daarom moet worden verworpen, staat voor de rechtbank ook vast dat op grond van de hiervoor onder 4.3.4.1. vermelde feiten en omstandigheden het voorgenomen misdrijf niet is voltooid ten gevolge van, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheden. Verdachte heeft immers de peeskamer verlaten nadat slachtoffer [persoon 1] op de alarmknop heeft gedrukt.

6.2.

De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1, 2 primair, 3 en 4 en in zaak B onder 1 en 2 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging) te worden opgelegd.

Voor wat betreft het beslag kan de blauwe jas (zaak A) worden teruggegeven aan verdachte. Dat geldt ook voor de twee Samsung telefoons (zaak B). De overige goederen zijn in beslag genomen ten behoeve van sporenonderzoek. Nu niet duidelijk is van wie deze goederen met een geringe waarde zijn, kunnen deze goederen worden verbeurd verklaard.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen en een poging daartoe, waarbij fors geweld is uitgeoefend. In de zaken [persoon 2] en [persoon 1] is dat geweld gebruikt om de verkrachting, cq. poging daartoe, mogelijk te maken. Slachtoffers van zedendelicten ervaren tot lang na het gebeuren de gevolgen hiervan. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de meerdaadse samenloopbepalingen en dat het van belang is dat binnen een afzienbare tijd een begin kan worden gemaakt met de noodzakelijke behandeling. Verdachte heeft als minderjarige een PIJ-maatregel ondergaan, maar deze maatregel lijkt onvoldoende effect te hebben gehad gelet op de omvangrijke recidive. De gedragsdeskundigen zijn allen van mening zijn dat sprake is van een hoog recidiverisico. Verder is er overeenstemming over de aard van de problematiek, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de noodzaak van een langdurige klinische behandeling. De officier van justitie heeft een TBS met dwangverpleging gevorderd, omdat verdachte niet voldoet aan de lichtere criteria voor een TBS met voorwaarden. Verdachte dient te worden geplaatst in een FPC, waar een zwaardere toets geldt op het gebied van risicotaxatie voordat verlof mogelijk is.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte een strafblad heeft, maar dat hij niet eerder wegens zedenzaken met politie en justitie in aanraking is geweest. In het verleden is aan verdachte een PIJ-maatregel opgelegd en was hij goed corrigeerbaar en aanspreekbaar. Na die PIJ is het tijdens de resocialisatiefase misgegaan en is verdachte in zwaardere criminaliteit vervallen. Hij raakte stuurloos en cocaïne en alcohol speelden daarbij een grote rol. Nadat verdachte op 22 mei 2013 is vrijgekomen heeft hij in eerste instantie nog steun gezocht bij de reclassering voor zijn geweldsprobleem. Als vervolgens in zijn directe omgeving liquidaties plaatsvinden en zijn middelengebruik excessief wordt, geraakt verdachte depressief en krijgt hij slaapproblemen. Door het middelengebruik is zijn persoonlijkheidsproblematiek verergerd.

De rode draad in de deskundigenrapporten is de diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Sprake is van middelenmisbruik en een hoog recidiverisico op een (gewelds)delict. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar en er wordt een langdurige klinische behandeling geadviseerd met een hoog beveiligingsniveau.

De deskundigen Ronhaar en Vermeulen stellen zich in hun rapporten en gehoord als deskundige ter zitting op het standpunt dat een TBS met voorwaarden niet aan orde kan zijn, omdat:

  1. het zou dan moeten gaan om minder ernstige delicten;

  2. de psychopathologie van verdachte daarvoor te complex is. Een klinische behandeling gaat lang duren en verloven in geval van voorwaarden vinden te snel plaats;

  3. TBS met voorwaarden enig ziektebesef zou veronderstellen. Verdachte heeft enig ziektebesef, maar nog geen ziekte-inzicht;

  4. TBS met voorwaarden een onvoldoende stevig en sterk kader biedt voor de noodzakelijke intensive behandeling;

  5. sprake zou zijn van een groot risico van schijnaanpassing;

  6. verdachte onvoldoende gemotiveerd zou zijn;

  7. delictscenario en delictanalyse bij verdachte niet mogelijk zouden zijn;

  8. voorafgaand aan de behandeling overeenstemming moet zijn over de behandeling. De voorwaarden moeten zo scherp geformuleerd worden dat hij mee gaat werken. Dat gaat van meet af niet werken.

Offermans en Stam, de deskundigen van de verdediging, hebben de bezwaren tegen een TBS met voorwaarden in hun rapporten en gehoord als deskundige ter zitting met kracht van argumenten en stevig onderbouwd vanuit hun jarenlange praktijkervaring tegengesproken. Ronhaar en Vermeulen adviseren de zwaarste maatregel op te leggen. TBS met dwang is het ultimum remedium en dat terwijl er een goed alternatief voorhanden is namelijk de TBS met voorwaarden, aldus Offermans en Stam. Voor de TBS met voorwaarden is een eerder opgelegde PIJ-maatregel geen contra-indicatie.

Tenslotte heeft de raadsvrouw bepleit, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf van 10 maanden en het eventueel laten opstellen van een behandelplan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Strafoplegging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor een verkrachting is door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden vastgesteld. Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen en een poging tot verkrachting en de rechtbank ziet aanleiding rekening te houden met een aantal strafvermeerderende factoren, waaronder het toegepaste geweld, de bijzondere schadelijke gevolgen voor de slachtoffers en de vernederende setting waarin zich een en ander heeft afgespeeld.

Verdachte heeft door zijn gewelddadige en dreigende handelwijze, zoals hiervoor bewezen is verklaard, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers. Verdachte heeft zich louter en alleen laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en hij heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de wil en gevoelens van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van verkrachting hieronder langdurig en op indringende wijze lijden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [persoon 2] en het door [persoon 3] ter zitting uitgeoefende spreekrecht volgt ook dat een en ander voor deze slachtoffers een uitermate vernederende en traumatische ervaring is geweest. Zij hebben op een invoelbare wijze onder woorden gebracht welke ingrijpende gevolgen de weerzinwekkende feiten voor hen hebben gehad. Het behoeft voorts geen betoog dat feiten als de onderhavige in de samenleving gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 november 2015. Daaruit volgt dat verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde herhaaldelijk ter zake van onder meer geweldsdelicten is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze eerdere veroordelingen zijn onherroepelijk en hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte in zijn verhoor bij de politie op 20 februari 2013, alsmede daarna op verschillende terechtzittingen, op een wijze die op de rechtbank een oprechte indruk heeft gemaakt, te kennen heeft gegeven dat hij de verantwoordelijkheid neemt voor de feiten van 4 en 6 december 2013, alsmede voor het toegepaste geweld op 8 februari 2013. Verdachte moet er de rest van zijn leven mee leven dat hij deze feiten heeft begaan en heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij niet wil dat dit nog een keer gebeurt. Niet alleen voor hemzelf, maar hij wil niet dat er nog meer slachtoffers vallen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de lange duur van het voorarrest van verdachte. De rechtbank acht de redelijke termijn echter niet overschreden. Verdachte is in zaak B op 14 februari 2013 in verzekering gesteld en kon vanaf die dag in redelijkheid verwachten dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Er is echter sprake van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaken, de invloed van verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaken op de in totaal 14 terechtzittingen door de rechtbank is behandeld (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

Door deze bijzondere omstandigheden is de zaak niet binnen twee jaar met een eindvonnis afgerond en is om die redenen geen sprake van een schending van de redelijke termijn.

Rapportages en TBS-maatregel

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:

  • -

    een rapportage van drs. E.P. Bisschop, d.d. 1 oktober 2002;

  • -

    een adviesrapportage inzake verlenging PIJ-maatregel van S. Zanou, d.d. 15 december 2006;

  • -

    een trajectconsult, opgesteld door E.P.K. Sikkens, psychiater NIFP locatie Amsterdam, d.d. 21 mei 2013;

  • -

    een trajectconsult, opgesteld door M. van Berkel, psychiater NIFP locatie Amsterdam, d.d. 11 maart 2014;

  • -

    een reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te Amsterdam, opgesteld door S. Foeken, d.d. 8 april 2014;

  • -

    een Pro Justitie psychologisch onderzoek, opgesteld door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, d.d. 2 juni 2014;

  • -

    een Pro Justitie Triple onderzoek, opgesteld door psychiater P.K.J. Ronhaar, GZ-psycholoog L. Vermeulen, en forensisch milieuonderzoeker L. van der Wielen, d.d. 17 februari 2015;

  • -

    een brief met beoordeling Triple rapportage, van J.M.J.F. Offermans, psychiater, d.d. 13 april 2015;

  • -

    een Pro Justitie aanvullend onderzoek, opgesteld door P.K.J. Ronhaar en L. Vermeulen, d.d. 27 augustus 2015;

  • -

    een Pro Justitia psychologisch onderzoek, opgesteld door E. Stam, GZ-psycholoog, d.d. 27 november 2015;

  • -

    een Pro Justitie psychiatrische rapportage, opgesteld door J. Offermans, d.d. 8 december 2015.

Ter terechtzitting van 9 december 2015 zijn psychiater P.K.J. Ronhaar, GZ-psycholoog L. Vermeulen, psychiater J. Offermans en GZ-psycholoog E. Stam als deskundigen gehoord.

De rechtbank stelt vast dat de Pro Justitia rapporteurs allen tot de conclusie komen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen geachte misdrijven sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en een ziekelijke stoornis in de vorm van problemen in het gebruik dan wel misbruik van cocaïne en alcohol. De gedragsdeskundigen concluderen voorts allen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt en dat sprake is van een hoog recidivegevaar.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over, maakt deze tot de hare en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

De gedragsdeskundigen hebben gezamenlijk geconcludeerd dat een TBS-maatregel passend en geboden is, maar de deskundigen van de Triple rapportages (Ronhaar en Vermeulen) en de deskundigen van de verdediging (Offermans en Stam) komen tot een verschillend advies met betrekking tot welke vorm van tbs moet worden opgelegd: TBS met dwangverpleging (Ronhaar en Vermeulen) dan wel een TBS met voorwaarden (Offermans en Stam).

De TBS-maatregel ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de TBS-gestelde door middel van behandeling en/of verpleging.

De rechtbank stelt met de gedragsdeskundigen, het Openbaar Ministerie en de verdediging vast, dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat, om grip op hem te krijgen een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk zal zijn. Een klinische behandeling biedt mogelijkheden om 24 uur per dag in te gaan op alledaagse voorvallen, tegenslagen en incidenten. Derhalve achten alle voornoemde betrokkenen een TBS-maatregel passend en geboden.

De vraag waarvoor rechtbank zich gesteld ziet, is welke vorm van TBS aangewezen is, TBS met dwangverpleging of TBS met voorwaarden.

Vanwege de ernst van verdachtes persoonlijkheidsstoornis, het middelengebruik en het hoge recidivegevaar adviseren de deskundigen Ronhaar en Vermeulen een TBS met dwangverpleging. De behandelduur van een TBS met voorwaarden is gezien de te behandelen pathologie van verdachte te kort. Verdachte is in staat om zich te houden aan wat zijn behandelaars van hem verwachten. Het is niet in zijn belang dat hij te snel in aanmerking komt voor verlofmogelijkheden. Het risico op een schijnpassing is dan groot. Ervaringen uit het verleden van verdachte hebben aangetoond dat hij bij (ongeoorloofde) verloven snel kan terugvallen in ernstig delictgedrag, al dan niet na voorafgaand drugsgebruik. Om het in de kliniek toegepaste risicomanagement in het maatschappelijk leven van verdachte te integreren, wordt gewezen op het belang van een gefaseerde resocialisatie. De deskundigen Offermans en Stam zijn van mening dat kan worden volstaan met een TBS met voorwaarden. Verdachte heeft tijdens zijn detentie, in een gestructureerde omgeving, veel vooruitgang geboekt en is gemotiveerd voor een langdurige klinische behandeling.

Gelet op de ernst van de bewezen feiten, het hoge recidivegevaar, de noodzaak van een langdurige klinische behandeling en het belang dat verdachte zich niet zal onttrekken aan behandeling en verlof, is de rechtbank van oordeel dat TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd. Uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij kan niet worden volstaan met een (de lichtere vorm van) TBS met voorwaarden. De rechtbank acht daarbij van belang dat een eerdere PIJ-maatregel niet heeft kunnen voorkomen dat verdachte geweldsmisdrijven is blijven plegen. De rechtbank heeft bij haar beslissing tevens betrokken dat de TBS-maatregel met voorwaarden in tijd beperkt is. De rechtbank acht het in het geval van verdachte niet wenselijk dat er een maximumduur aan de maatregel verbonden is. Voor de behandeling van de problematiek van verdachte moet de tijd genomen kunnen worden die nodig is en vervolgstappen in het kader van verlofmogelijkheden en een gefaseerde resocialisatie moeten steeds pas in gang worden gezet als verdachte daar aan toe is. Tot slot acht de rechtbank het van belang dat bij de TBS met dwangverpleging de eisen voor het verkrijgen van verlof strenger zijn. Een strenge toetsing van het verlof is noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij omdat, zo verklaren alle deskundigen en overigens ook verdachte zelf, verdachte zich in een kliniek wel weet te gedragen maar het hem nooit is gelukt buiten de kliniek op het rechte pad en abstinent van drugs te blijven.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling. Hij wil een normaal leven opbouwen. Hij heeft ook verklaard bang te zijn dat bij de TBS-maatregel met dwangverpleging geen goede resocialisatie zal plaatsvinden; dat hij net als eerder bij de PIJ-maatregel, na afloop van de maatregel op straat komt te staan. Daarom wil hij graag een TBS-maatregel met voorwaarden in plaats van dwangverpleging.

Als verdachte echter actief en in positieve zin meewerkt aan de langdurige klinische behandeling en zich goed gedraagt in de kliniek en tijdens het verlof- en resocialisatietraject, zoals hij heeft verklaard te zullen doen, zal hij in beginsel tijdens een TBS met dwangverpleging dezelfde behandeling en mogelijkheden krijgen als tijdens een TBS met voorwaarden. Verdachte hoeft zich geen zorgen te maken dat hij na het beëindigen van de TBS met dwangverpleging zonder resocialisatie op straat komt te staan, nu de TBS met dwangverpleging na verloop van tijd, als het recidivegevaar tot een bepaald niveau is verlaagd, onder voorwaarden wordt beëindigd. Die voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is bedoeld om een geleidelijke en gecontroleerde terugkeer van de TBS-gestelde in de maatschappij mogelijk te maken.

Conclusie

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien de bewezen geachte feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat de bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.


De rechtbank ziet geen aanleiding om conform het bepaalde in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht een advies uit te brengen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Dit betekent dat de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling zal ingaan op het moment dat tweederde van de gevangenisstraf is ondergaan.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf van 5 jaren opleggen.

Ten aanzien van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis

De rechtbank acht gelet op de op te leggen gevangenisstraf en de TBS met dwangverpleging geen termen aanwezig om tegemoet te komen aan dit verzoek van de verdediging.

8.4.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van benadeelde partij [persoon 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 50,00 voor materiële schade en € 10.000,00 voor immateriële schade. Met verder toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

De vordering van benadeelde partij [persoon 2] kan voor wat betreft de immateriële schade geheel worden toegewezen tot het ter zitting verhoogde bedrag van € 10.000,00. Nu de diefstal van de portemonnee niet kan worden bewezen, dient de benadeelde partij in die schadepost niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor wat betreft de schadepost kleding wordt dat deel van de materiële schade al voldoende meegenomen bij de toekenning van de immateriële schade, maar refereert zij zich gelet op het standpunt van verdachte aan het oordeel van de rechtbank. De vergoeding voor medische kosten en parkeerkosten kan worden toegewezen. Met verder toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de benadeelde partij [persoon 3] niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren dan wel deze af te wijzen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde medische brief van de GGZ blijkt dat bij haar sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Er zijn aanwijzingen van PTSS als gevolg van het ten laste gelegde, maar dat is nog niet vastgesteld. Zij is pas na 2,5 jaar na het feit naar een psychologe gegaan en eerst nu vindt de screening plaats om de psychische schade vast te stellen. De hoogte van de vordering is zonder onderbouwing vele malen hoger dan in vergelijkbare zaken het geval is, De vordering is bovendien gebaseerd op verkrachting en mishandeling en de verkrachting wordt door verdachte ontkend. Verdachte is wel bereid de schade te vergoeden die rechtstreeks is ontstaan door het door hem toegepaste geweld.

De vordering van benadeelde partij [persoon 2] moet worden afgewezen voor wat betreft de schadepost portemonnee en inhoud. De raadsvrouw refereert zich voor het overige nu verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij die schade zal vergoeden.

8.4.3.

Het oordeel van de rechtbank


8.4.3.1. Benadeelde partij [persoon 2]

De benadeelde partij heeft zich als gevolg van het in zaak A onder 4 bewezen geachte in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, te weten:

1. Portemonnee en inhoud € 231,90

2. Kleding € 204,95

3. Medische kosten € 109,29

4. Parkeerkosten € 8,20

5. Immateriële schade € 10.000,00

Totaal € 10.554,34

Zij is ter terechtzitting verschenen en heeft de (immateriële) schade verhoogd tot voornoemd bedrag.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [persoon 2] , te weten de onder 3, 4 en 5 opgesomde schadeposten, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdachte heeft deze schadeposten ook niet betwist. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks (materiële) schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 117,49.

De rechtbank is verder van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden. Verdachte heeft met de verkrachting een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [persoon 2] . De hoogte van de vordering is niet betwist. De rechtbank acht de vordering van € 10.000,00 billijk en wijst deze toe.

De vordering kan dan ook tot het bedrag van € 10.117,49 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna vermeld onder de beslissing.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van schadepost 1 (portemonnee en inhoud) wordt aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel opgelegd, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De door de benadeelde partij gevraagde vergoeding van de kleding die zij tijdens het bewezen geachte heeft gedragen (schadepost 2) wordt afgewezen, nu deze schadepost wordt geacht te zijn verdisconteerd in het bedrag van de immateriële schade.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

8.4.3.2. Benadeelde partij [persoon 3]

De benadeelde partij heeft zich als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezen geachte in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, te weten:

1. Reiskosten ivm strafzaak en medische consulten € 50,00

2. Immateriële schade ivm verkrachting en mishandeling € 15.000,00

Zij is ter terechtzitting verschenen met haar raadsvrouw mr. M. Lousberg, advocaat te Amsterdam. De raadsvrouw heeft de schade schriftelijk toegelicht.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [persoon 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering tot vergoeding van materiële schade van € 50,00 is niet, althans niet gemotiveerd betwist. Deze vordering wordt daarom toegewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden ten gevolge van de verkrachting. Dat de diagnose van PTSS (nog) niet is vastgesteld wil niet zeggen dat de schade, gelet op wat door en namens de benadeelde partij is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Verdachte heeft met de verkrachting een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [persoon 3] en heeft haar ook lichamelijk letsel toegebracht. Het is zonder meer aannemelijk dat dit voor [persoon 3] een traumatische gebeurtenis is geweest en grote gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft voor haar leven. De rechtbank acht op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden een bedrag € 10.00,00 aan immateriële schadevergoeding billijk en wijst dit bedrag toe.

De vordering wordt dan ook tot het bedrag van € 10.050,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna vermeld onder de beslissing.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De behandeling van het overige deel van de immateriële schade levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


In het belang van [persoon 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 242, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 3 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2 primair en 4 en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde:

Poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde:

Poging tot verkrachting

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde:

Verkrachting, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Ten aanzien van het beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Zaak A:

  1. Oordopjes uit jaszak (4783512);

  2. Pakje Marlboro sigaret en aansteker uit jaszak (4783513);

4. Jas, blauw (4659774);

5. Zaktelefoon, wit, BlackBerry Curve (4660431);

6. Verblijfsvergunning (4660432);

7. Sleutelbos met 5 sleutels (4660468);

8. ING pas, [verdachte] (4660470);

12. Portemonnee, bruin, Boss Orange (4660474);

12. Papier, aangetroffen in portemonnee (4667744).

Zaak B:

3. Sweater, grijs, Adidas (4465743);

4. Zaktelefoon, wit Samsung (4465741);

5. Zaktelefoon, zwart, Samsung (4465742).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

Zaak A:

3. Heineken bierfles (4659778);

12. Papier, 4 bonnetjes met aantekeningen (4660471);

12. Visitekaartje (4660472);

12. Bon (4660473).

Zaak B:

  1. Dekbedovertrek (4466074);

  2. Ondergoed (4465719);

6. Theedoek (4466060);

7. Propje wc papier (4466052);

8. Wc papier (4466068);

9. Beker (4466058);

10. Wc papier (4466053);

11. Aansteker (4466054).

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2]

Wijst de vordering van [persoon 2] , wonende op het adres [adres 5] , [te plaats] , toe tot een bedrag van € 10.117,49, bestaande uit:

3. Medische kosten € 109,29

4. Parkeerkosten € 8,20

5. Immateriële schade € 10.000,00.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 4 december 2013, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor schadepost 1 (portemonnee en inhoud) niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Wijst de vordering voor schadepost 2 (kleding) af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] , aan de Staat € 10.117,49 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 4 december 2013, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 85 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 3]

Wijst de vordering van [persoon 3] , te dezen domicilie kiezende op het adres van haar advocaat, mr. M. Lousberg, [adres 6] , [te plaats] , toe tot een bedrag van € 10.050,00, bestaande uit:

1. Reiskosten ivm strafzaak en medische consulten € 50,00

2. Immateriële schade ivm verkrachting en mishandeling € 10.000,00

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 8 februari 2013, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 10.050,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 8 februari 2013, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 85 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2016.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 072-075 Proces-verbaal van aangifte [persoon 1] .

3 P. 080 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van forensisch arts A. Beijering, ten name van D. [persoon 1] , opgemaakt d.d. 6 december 2013.

4 P. 093-065 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] .

5 P. 006-007 Proces-verbaal bevindingen onderzoek [adres 2] .

6 P. 076 Proces-verbaal van bevindingen, tonen foto [verdachte] aan [persoon 1] .

7 P. 013-017 Proces-verbaal bevindingen sporenonderzoek.

8 P. 065-067 Proces-verbaal van bevindingen.

9 P. D 059-066 Proces-verbaal aangifte [persoon 2] .

10 P. D 079-096 Een verslag, te weten een verklaring onderzoek zedendelicten, opgesteld door forensisch arts/geneeskundige H. Hoitzing, d.d. 7 december 2013.

11 P. D 136-140 Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 januari 2014, nummer 2013.12.18.028, opgemaakt door deskundige dr. B. Kokshoorn.

12 P. D 143-144 Proces-verbaal 2de aanvullend verhoor 27-1-2014.

13 P. 062-067 Proces-verbaal aangifte [persoon 3] .

14 P. 007-008 Proces-verbaal van bevindingen; P. 009-026 Een verslag, te weten een verklaring onderzoek zedendelicten, opgesteld door forensisch arts/geneeskundige dr. Harms, d.d. 8 februari 2013.

15 P. 068 Proces-verbaal van bevindingen.

16 Een proces-verbaal verhoor van verdachte van 15 februari 2013 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

17 P. 116-129 Proces-verbaal van verhoor verdachte.

18 P. 111 Een geschrift, te weten een brief van dermato-venereoloog prof. dr. H.J.C. de Vries ten name van [persoon 3] van 20 maart 2013.

19 P. 110, Een geschrift, te weten Lab-uitslagen van [persoon 3] van 20 februari 2013.