Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
13/674229-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WvW 1994. Veroordeling artikel 5 WvW 1994. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het niet waarnemen van het rode verkeerslicht (en het daardoor niet stoppen voor eerdergenoemde kruising en geen voorrang verlenen aan het kruisende verkeer dat wel groen had) weliswaar als een ernstige verkeersfout van verdachte kan worden aangemerkt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn, maar dat deze enkele fout onvoldoende ernstig is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/54

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674229-15

Datum uitspraak: 4 augustus 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2016.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C. Krijger, naar voren hebben gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van 9 maart 2016 van [persoon] .

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Fortdiemerdamweg, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderbeen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Fortdiemerdamweg, komende uit de richting IJburg en gaande in de richting van Diemen, verdachte is, gekomen bij de kruising van de Fortdiemerdamweg met de Diemerpolderweg, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend (en al enige seconden) ROOD licht uitstralend verkeerslicht, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een bromfietser, zijnde voornoemde [persoon] , die doende was de Fortdiemerdamweg –gezien verdachtes (rij)richting komende van rechts – bij GROEN licht over te steken, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [persoon] , [persoon] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst, waardoor aan die [persoon] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Fortdiemerdamweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Fortdiemerdamweg, komende uit de richting IJburg en gaande in de richting van Diemen, verdachte is, gekomen bij de kruising van de Fortdiemerdamweg met de Diemerpolderweg, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend (en al enige seconden) ROOD licht uitstralend verkeerslicht, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een bromfietser, zijnde [persoon] , die doende was de Fortdiemerdamweg – gezien verdachtes (rij)richting komende van rechts – bij GROEN licht over te steken, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [persoon] , [persoon] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier is komen vast te staan dat verdachte op 15 mei 2015 bij de kruising van de Fortdiemerdamweg met de Diemerpolderweg niet is gestopt voor het voor hem geldende rode verkeerslicht maar is doorgereden waardoor [persoon] die (kort daarna) wel groen licht had en bezig was de kruising over te steken met zijn bromfiets tegen de auto van verdachte is aangereden. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, waaruit volgt dat verdachte door rood is gereden, niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat sprake is van een storing in de tijdswaarneming van de verkeersinstallatie die het verkeer op genoemde kruising regelde. De enkele omstandigheid dat de desbetreffende verkeersregelinstallatie niet de juiste tijd weergaf, brengt niet mee dat de bevindingen met betrekking tot de verkeerslichtenregeling en de analyse van de loggegevens onvoldoende betrouwbaar zijn. Uit het desbetreffende proces-verbaal volgt dat de installatie naar behoren werkte en er geen storingen (anders dan een afwijking van de tijd van de installatie van de werkelijke tijd) bekend waren. Bovendien sluit de analyse van de faselog (pagina 41 tot en met 45 van het dossier) aan bij de verklaring van [persoon] (pagina 12 van het dossier), dat toen hij de oversteekplaats voor fietsers naderde, hij zag dat een paar fietsers bezig waren de weg over te steken en dat toen hij bij de kruising aankwam, hij zag dat het licht voor hem op rood stond en hij toen naast het paaltje met de drukknop om groen licht te krijgen heeft gewacht om te kunnen oversteken.

4.2.

De rechtbank is evenwel – met de officier van justitie – van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het niet waarnemen van het rode verkeerslicht (en het daardoor niet stoppen voor eerdergenoemde kruising en geen voorrang verlenen aan het kruisende verkeer dat we groen had) weliswaar als een ernstige verkeersfout van verdachte kan worden aangemerkt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn, maar dat deze enkele fout onvoldoende ernstig is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat hij op 15 mei 2015 in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Fortdiemerdamweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit:

  • -

    verdachte heeft gereden over de Fortdiemerdamweg, komende uit de richting IJburg en gaande in de richting van Diemen,

  • -

    verdachte is, gekomen bij de kruising van de Fortdiemerdamweg met de Diemerpolderweg, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend (en al enige seconden) rood licht uitstralend verkeerslicht,

  • -

    verdachte heeft zich hierbij niet vergewist en is zich niet voldoende blijven vergewissen, dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer,

  • -

    verdachte heeft vervolgens een bromfietser, zijnde [persoon] , die doende was de Fortdiemerdamweg – gezien verdachtes rijrichting komende van rechts – bij groen licht over te steken, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan,

  • -

    verdachte heeft vervolgens niet afgeremd en is niet uitgeweken, voor voornoemde [persoon] ,

[persoon] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen hechtenis en hem een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd.

8.2.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair als strafmaatverweer gevoerd af te zien van een ontzegging van de rijbevoegdheid, nu de verkeersovertredingen, waarvoor verdachte in het verleden is veroordeeld, verouderd zijn.

8.3.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.4.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Het slachtoffer is als gevolg van dit verkeersongeval zwaar gewond geraakt.

8.5.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 maart 2016 tot tweemaal toe onherroepelijk is veroordeeld door de kantonrechter voor te hard rijden.

8.6.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte zich nadien om het slachtoffer heeft bekommerd en contact met hem heeft onderhouden.

8.7.

Alles afwegend zal de rechtbank verdachte een geldboete opleggen van € 750,00 en als bijkomende straf hem, mede gelet op zijn documentatie en het aantal kilometers dat verdachte gemiddeld per jaar rijdt, voorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, zoals door de officier van justitie gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 (vijftien) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.E.L. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2016.

De voorzitter is buitten staat dit

verkort vonnis mede te ondertekenen.