Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
13/679046-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Verdachte botst op stilstaande pijlwagen. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Black-out niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679046-15

Datum uitspraak: 4 augustus 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2016.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A5 zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor aan een ander, zijnde [persoon] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rugwervel en/of een bloeding in de buikholte, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A5, komende uit de richting van de Haarlemmermeer en gaande in de richting van de Rijksweg A10, verdachte is, gekomen ter hoogte van (ongeveer) hectometerpaal 16.9, in strijd met artikel 62 jo. 73 aanhef en onder b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (rijstrooklichten rood kruis) van de eerste rijstrook op de tweede rijstrook gaan rijden, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor een ter hoogte van (ongeveer) hectometerpaal 17.0 op deze tweede rijstrook geplaatste aanhangwagen (pijlwagen),

verdachte is vervolgens tegen de deze aanhangwagen (pijlwagen) aangereden en/of aangebotst, waardoor, waardoor aan die [persoon] – die als passagier in de door verdachte bestuurde personenauto gezeten was – vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A5 zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg is ontstaan, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Rijksweg A5, komende uit de richting van de Haarlemmermeer en gaande in de richting van de Rijksweg A10, verdachte is, gekomen ter hoogte van (ongeveer) hectometerpaal 16.9, in strijd met artikel 62 jo. 73 aanhef en onder b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (rijstrooklichten rood kruis) van de eerste rijstrook op de tweede rijstrook gaan rijden, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor een ter hoogte van (ongeveer) hectometerpaal 17.0 op deze tweede rijstrook geplaatste aanhangwagen (pijlwagen), verdachte is vervolgens tegen de deze aanhangwagen (pijlwagen) aangereden en/of aangebotst (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

4.1.1.

Op 6 februari 2015 reed verdachte in een Mercedes-Benz A180 op linkerrijstrook van de rechterrijbaan van de A5 te Amsterdam. Naast hem zat [persoon] op zijn telefoon een boek te lezen. De rechterrijstrook van de A5 was wegens werkzaamheden aan de weg afgesloten voor het verkeer door middel van een rood kruis. Op de desbetreffende strook stond een in bedrijf zijnde zogeheten pijlwagen; een aanhangwagen met een grote pijl erop. Verdachte is op een gegeven moment de rechterrijstrook op gereden en aldaar bovenop de pijlwagen gebotst. Als gevolg hiervan heeft [persoon] letsel opgelopen.

4.1.2.

Een van de vragen die moet worden beantwoord, is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, zoals primair is ten laste gelegd, overtreding artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor dient te worden beoordeeld of het handelen van verdachte is aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam. Indien geen sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, is de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (gevaar veroorzaken).

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

4.3.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde en zich wat betreft het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Over de wijze waarop het ongeval op 6 februari 2015 heeft plaatsgevonden bestaat niet of nauwelijks discussie. Vaststaat dat verdachte van de linkerrijstrook op de A5 op de afgesloten rechterrijstrook terecht is gekomen en daarbij frontaal op een pijlwagen is gebotst. De vraag is hoe het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Verdachte moet het antwoord op die vraag eenvoudigweg schuldig blijven; hij weet het niet. Hij kan er slechts naar gissen en vermoedt dat of een flauwte is opgetreden, hij om een andere reden zijn bewustzijn is verloren, of plotseling door slaap is overmand. Op het moment dat verdachte een moment van afwezigheid heeft gehad, is de auto langzaam naar rechts afgebogen, net zolang tot deze op de pijlwagen is geklapt. Verdachte was in normale doen. Hij voelde zich fit en was niet moe. Voor verdachte was er vooraf geen enkele aanleiding te vermoeden dat hij plotseling door een flauwte of slaap zou worden overmand. Het verkeersongeval is onder deze omstandigheden dus niet aan zijn schuld te wijten.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Het begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet 1994, houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam handelen. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

4.4.2.

Bij de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

4.4.3.

Uit de bewijsmiddelen volgt kort samengevat het volgende. Verdachte reed op de linkerrijstrook van de A5 te Amsterdam. De rechterrijstrook was in verband met werkzaamheden aan de weg halverwege hectometerpaal 16.7 en 16.8, door middel van een rood kruis in het matrixbord boven de weg, afgesloten voor het verkeer. Verdachte heeft verklaard dat hij het desbetreffende rode kruis boven de weg heeft gezien. Ongeveer 200 meter verder, vlak voor hectometerpaal 17.0, stond een zogenoemde pijlwagen, een aanhangwagen met een grote pijl erop. Het was mooi weer en verdachte had voldoende zicht. Verdachte is zonder kenbare aanleiding of noodzaak geleidelijk aan naar rechts gaan rijden. Ter hoogte van hectometerpaal 16.9 is verdachte op de rechterrijstrook gaan rijden en vervolgens op de opvallende pijlwagen gereden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande, mede in aanmerking genomen dat de gewijzigde verkeerssituatie tot extra voorzichtigheid en oplettendheid noopte en verdachte geen verklaring heeft willen of kunnen geven voor zijn handelen, de conclusie is gerechtvaardigd, dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

4.4.4.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte slechts kan gissen naar de reden van zijn (rij)gedrag en dat hij vermoedt kort voor de botsing om een of andere reden het bewustzijn is verloren, met andere woorden dat hij ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde waardoor geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.4.5.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij op de dag van het ongeluk in goede gezondheid verkeerde en niet eerder of vaker (plotseling) tijdelijk het bewustzijn heeft verloren, voor noch na het ongeval. Verdachte heeft geen (medisch) onderzoek laten doen naar een mogelijke oorzaak voor het geopperde bewustzijnsverlies. De enkele mogelijkheid van tijdelijk bewustzijnsverlies is niet voldoende om aannemelijk te achten dat daarvan sprake is geweest. In deze zaak geldt dat te meer omdat uit de verkeersongevalanalyse naar voren komt dat verdachte kort voor de botsing krachtig heeft geremd. De rechtbank is kortom van oordeel dat het aannemelijker is dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest dan dat hij op de een of andere manier tijdelijk het bewustzijn heeft verloren. Het beroep op verontschuldigbare onmacht wordt verworpen.

4.4.6.

Uit de medische informatie van het VU-ziekenhuis volgt onder meer dat [persoon] bij het verkeersongeval op 6 februari 2015 een lumbale wervel botbreuk (vijfde lendenwervel) en een breuk van het bot van de vierde lendenwervel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit letsel naar algemeen spraakgebruik van voldoende gewicht om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden gekwalificeerd.

4.4.7.

De slotsom is dat de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting door de wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde zoals in rubriek 5 nader uitgewerkt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 6 februari 2015 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A5 zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rugwervel en een bloeding in de buikholte, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

  • -

    verdachte heeft gereden over de Rijksweg A5, komende uit de richting van de Haarlemmermeer en gaande in de richting van de Rijksweg A10,

  • -

    verdachte is, gekomen ter hoogte van ongeveer hectometerpaal 16.9, in strijd met artikel 62 jo. 73 aanhef en onder b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (rijstrooklichten rood kruis) van de eerste rijstrook op de tweede rijstrook gaan rijden,

  • -

    verdachte heeft vervolgens niet tijdig en voldoende afgeremd en is niet uitgeweken voor een ter hoogte van ongeveer hectometerpaal 17.0 op deze tweede rijstrook geplaatste aanhangwagen (pijlwagen),

  • -

    verdachte is vervolgens tegen deze aanhangwagen (pijlwagen) aangebotst, waardoor aan die [persoon] – die als passagier in de door verdachte bestuurde personenauto gezeten was – vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 dagen en dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 6 maanden wordt ontzegd.

8.2.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.3.

Verdachte heeft door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, hoewel de verkeerssituatie juist vroeg om extra aandacht, een ernstig (eenzijdig) verkeersongeval veroorzaakt waardoor zijn passagier zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

8.4.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft in verband hiermee gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als uitgangspunt geldt dat als sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, een taakstraf van 90 uren wordt opgelegd en de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 6 maanden wordt ontzegd.

8.5.

Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken en acht zij de door de officier van justitie straffen passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 90 (negentig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 (vijfenveertig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.E.L. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2016.

De voorzitter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.