Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5761

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
EA VERZ 16-281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en een billijke vergoeding. Kantonrechter stelt vast dat werkgever werknemer voorwaardelijke ontslag heeft aangezegd maar ontslag op staande voet niet onverwijld heeft meegedeeld toen de voorwaarde in vervulling ging. Volgens kantonrechter heeft werkgever niet aangetoond dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Betoog van werkgever dat sprake is van een “kleine werkgever” wordt niet gevolgd. Bij toekenning billijke vergoeding is onder meer relevant dat werkgever werknemer na 20 jaar heeft “overvallen” met forse kritiek op functioneren zonder enige vorm van verbetertraject en dat reeds vervanger was aangezocht. Bovendien heeft werkgever ten onrechte geweigerd dat werknemer zich bij gesprek over disfunctioneren zou laten bijstaan door adviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2639
AR-Updates.nl 2016-1023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 4890370 \ EA VERZ 16-281 (clusternummer: C103744)

beschikking van: 28 april 2016

func.: 458

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

nader te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. E.S. Lassche,

t e g e n

Stichting Islamic Relief Nederland,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

nader te noemen IRN,

gemachtigde: mr. S. Springer.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 4 maart 2016 een verzoekschrift ingediend met het verzoek om IRN te veroordelen om aan hem een vergoeding wegens onregelmatige opzegging op grond van artikel 7:672 lid 9 Burgerlijk Wetboek (BW) en een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW te betalen, alsmede op grond van artikel 7:681 BW ten laste van IRN een billijke vergoeding toe te kennen, één en ander met nevenverzoeken. IRN heeft een verweerschrift ingediend.

Op 7 april 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. IRN is verschenen bij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] bijgestaan door de gemachtigde. Op voorhand hebben partijen ieder stukken ingediend. Partijen hebben hun standpunten, [verzoeker] aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren gebracht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na schorsingen voor minnelijk overleg, is beschikking gevraagd en bepaald op heden.

Feiten

1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

1.1.

[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is op [datum] als [functie] bij IRN in dienst getreden. Zijn laatstverdiende salaris bedraagt € 4.154,91 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

1.2.

Op de website van IRN staat vermeld dat de dagelijkse directie van IRN wordt gevoerd door [verzoeker] .

1.3.

In een gesprek op 17 december 2015 heeft IRN [verzoeker] bericht dat [naam 4] (hierna: [naam 4] ) was aangetrokken om (een deel van) zijn taken over te nemen.

1.4.

Op 18 december 2015 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.

1.5.

Bij e-mail van 18 december 2015 heeft de gemachtigde van IRN [verzoeker] bericht ‘Het is u bekend dat heden de nieuwe vestigingsmanager zou worden geïnstalleerd, doch in plaats van daarbij aanwezig te zijn heeft u gemeend u te moeten ziekmelden bij de receptie in plaats van bij het bestuur. Het bestuur heeft meerdere pogingen ondernomen u te bereiken doch u geeft niet thuis. Voorts bent u daarentegen wel in het bezit van alle sleutels welke o.m. toegang verschaft tot uw kantoor en daarmee alle documentatie alsmede de kluis. Doordat cliënte geen toegang heeft wordt zij geschaad in haar bedrijfsvoering’. [verzoeker] wordt gesommeerd tot teruggave van de sleutels.

1.6.

Op 21 december 2015 heeft notaris R. Buurke op verzoek van IRN een akte van proces-verbaal en depot opgemaakt van de opening van het bedrijfspand, waarbij foto’s zijn gemaakt die aan het proces-verbaal zijn gehecht.

1.7.

Op 22 december 2015 heeft bestuurder [naam 5] namens IRN aangifte gedaan van diefstal uit het kantoor van IRN.

1.8.

Bij brief van 23 december 2015 heeft [verzoeker] tegen de functiewijziging geprotesteerd en geschreven: ‘Reeds in 1992 begon ik als vrijwilliger, om een aantal jaren later in 1996 aangesteld te worden als [functie] . In 1999 werd ik gevraagd om [functie] te worden en dat aanbod nam ik graag aan. Die functie heb ik tot op heden met plezier vervuld, en ik was in de veronderstelling dat de samenwerking naar tevredenheid verliep. Er heeft in al die jaren nooit een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Niets leek erop te wijzen dat het ergens niet goed ging. Integendeel; de organisatie kent een enorme groei en jullie waren zeer tevreden over mij. (…). Ik keek ernaar uit verder te gaan met Islamic Relief Nederland en als organisatie verder te ontwikkelen, samen met een toegewijd team. Afgelopen donderdag 17 december werd deze positieve blik op de toekomst door een onverwachte gebeurtenis bijgesteld. Jullie liepen mijn kantoor binnen om mee te delen dat er een voorstel lag waarbij ik van mijn functie zou worden ontheven en dat de persoon die mijn functie zou overnemen zelfs buiten al in de auto aan het wachten was.(…)Begrijp ik het echter goed dan is het de bedoeling dat er een nieuwe (voor de organisatie onbekende) persoon zal worden aangenomen welke mijn functie per onmiddellijke ingang zal overnemen. Ik zal hierbij uit mijn functie ontheven worden en aan mij zal een andere functie worden toegedeeld. Voor de volledigheid deel ik jullie middels dit schrijven mee dat ik met dit voorstel niet akkoord zal gaan’.

1.9.

Op 30 december 2015 is door notaris Buurke voornoemd een akte van proces-verbaal opgemaakt waarin staat vermeld ‘teneinde aanwezig te zijn bij het terugplaatsen van digitale gegevens (‘data’) op de centrale server’.

1.10.

IRN heeft [verzoeker] bij brief van 5 januari 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 8 januari 2016 om 15:00 uur, welke brief op 6 januari 2016 aangetekend is verzonden en op 7 januari 2016 door [verzoeker] is ontvangen.

1.11.

Bij e-mailbericht van 7 januari 2016 heeft [verzoeker] IRN geschreven: ‘Ik had verwacht dat u mij zoals toegezegd binnen een week na 17 december jl. zou berichten. Ik ga echter graag in op uw uitnodiging. Ik neem voor deze bespreking graag mijn adviseur mee. Hij is echter niet in de gelegenheid op deze korte termijn. Wel zijn hij en ik de volgende dagen en tijdstippen beschikbaar: 18-01-2016 hele dag, 20-01-2016 van 9:00 tot 16:00 uur en 21-01-2016 de hele dag.’

1.12.

In antwoord hierop heeft IRN op 8 januari 2016 10:59 uur geschreven: ‘Het is ons niet duidelijk waarom u zich wenst te laten vergezellen door een adviseur. Wij verzoeken u zich dan ook te melden op het genoemde tijdstip. Indien u niet verschijnt beschouwen wij dit als weigeren gevolg te geven aan een redelijk verzoek van de werkgever op grond waarvan wij mede u thans ontslag op staande voet aanzeggen’.

1.13.

Daarop heeft [verzoeker] diezelfde dag gereageerd: ‘Zoals u weet ben ik ziek. Op aanraden van de huisarts wil ik graag een adviseur meenemen naar het gesprek. Dit onder meer omdat de situatie voor mij zo emotioneel beladen is geworden – hetgeen effect heeft op mijn gezondheid – dat ik de nodige bijstand en ondersteuning behoef’. [verzoeker] heeft nog eerdere aanvullende data voorgesteld en medegedeeld dat van een ontslag op staande voet geen sprake kan zijn.

1.14.

IRN heeft direct daarop geantwoord: ‘vooropgesteld dient te worden dat u niet dicteert wanneer u al of niet verschijnt noch wanneer sprake is van ontslag op staande voet. Wij hebben u herhaaldelijk verzocht en daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om ten kantore de ernstige onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan te bespreken en uw betrokkenheid daarbij te verklaren hetwelk u telkenmale hebt geweigerd. Uw adviseur kan zich inzake het ontslag op staande voet verder met onze raadgever verstaan’.

1.15.

Op 22 januari 2016 heeft er een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van IRN tussen [verzoeker] bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde mr. M. Visser, en de bestuursleden [naam 5] en [naam 2] bijgestaan door de gemachtigde.

1.16.

[verzoeker] heeft op een sommatie van de gemachtigde van IRN tot afgifte van (digitale) documenten en sleutels bij e-mailberichten van 29 januari 2016 en 16 februari 2016 laten weten dat hij deze zaken niet in zijn bezit heeft, dat de sleutels van het pand en van zijn kamer zijn vervangen en dat de bestuursleden toegang hebben tot alle digitale documenten in tegenstelling tot [verzoeker] wiens account geblokkeerd is.

1.17.

Bij e-mailbericht van 24 februari 2016 heeft de gemachtigde van IRN de huidige gemachtigde van [verzoeker] onder verwijzing naar een bijgevoegd proces-verbaal van aangifte van diefstal uit het kantoor van IRN geschreven: ‘Uw cliënt heeft het vertrouwen ernstig beschaamd weshalve cliënte geen behoefte heeft de arbeidsrelatie voor te zetten. Graag verneem ik of een beëindigingsovereenkomst bespreekbaar is’.

1.18.

Hierop heeft de gemachtigde van [verzoeker] op 24 februari 2016 geschreven dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en aanspraak gemaakt op schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Verzoek

2. [verzoeker] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om IRN te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (€ 22.436,51), een transitievergoeding (€ 36.194,00 bruto) en een billijke vergoeding (€ 50.000,00), alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf (naar de kantonrechter begrijpt: 8 januari 2015) tot aan de dag van voldoening. Tot slot vordert [verzoeker] IRN te veroordelen om deugdelijke loonspecificaties en een eindafrekening te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, één en ander met veroordeling van IRN in de proceskosten.

3. [verzoeker] stelt hiertoe dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat er niet onverwijld is opgezegd en geen dringende reden is medegedeeld. In feite is sprake van een voorwaardelijke opzegging, namelijk voor het geval [verzoeker] niet op de afspraak op 8 januari 2016 zal verschijnen. Op die datum is de arbeidsovereenkomst evenwel niet opgezegd. Voor zover IRN de beweerde betrokkenheid van [verzoeker] bij de inbraak mede ten grondslag legt aan het ontslag is evenmin sprake van een onverwijld mededelen van de dringende reden. De constatering van de inbraak vond immers 2,5 week voor de uitnodiging voor het gesprek van 8 januari 2016 plaats. Van enig onderzoek in die periode is niet gebleken.

4. Voorts stelt [verzoeker] dat er geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bij een rechtsgeldige opzegging zou het dienstverband hebben voortbestaan tot 31 mei 2016. IRN heeft vanaf januari 2016 geen loon meer betaald.

5. Nu het gegeven ontslag niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW is er reeds voldoende grond voor toekenning van een billijke vergoeding. Daarbij komt dat de opzegging in strijd is met artikel 7:671 BW en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van IRN. Ter onderbouwing hiervan verwijst [verzoeker] naar de inhoud van zijn brief aan IRN van 23 december 2015 (zie 1.8).

Verweer

6. IRN verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan dat de dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet gelegen is in het feit dat [verzoeker] hardnekkig heeft geweigerd te voldoen aan redelijke verzoeken van het bestuur, de gezagsverhouding heeft ondermijnd en bovendien zich onrechtmatig toegang heeft verschaft tot het kantoor van IRN met het doel opzettelijk schade toe te brengen aan de eigendommen van IRN. [verzoeker] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld. Hij weigerde met regelmaat het bestuur te informeren over de dagelijkse gang van zaken en hield administratie en andere zaken onder zich. Er was sprake van totale non-communicatie waardoor het bestuur genoodzaakt was [naam 4] aan te stellen. [verzoeker] wenste zich niet aan dit besluit te conformeren, meldde zich ziek en gaf daarna geen thuis waardoor IRN zelfs een slotenmaker heeft moeten inschakelen om zich toegang tot het kantoor van [verzoeker] te kunnen verschaffen.

7. Voorts heeft IRN in de ochtend van 22 december 2015 geconstateerd dat er was ingebroken (zie 1.7). Vastgesteld werd dat de harde schijf, kluissleutel en een groot deel van het archief waren weggenomen. Deze zaken bevonden zich in het kantoor van [verzoeker] en uit de door de beveiliging verstrekte gegevens blijkt dat op die datum om 05:23:34 het alarm van zijn kantoor en om 05:39:23 het alarm van het entree rolluik (waarvan [verzoeker] de sleutel had) is afgegaan. De alarmcentrale heeft daarop met [verzoeker] gebeld die liet weten dat er sprake was van een bedieningsfout. IRN heeft aanzienlijke schade ondervonden door het handelen van [verzoeker] en vreest nog meer schade, omdat de domeinnaam zonder toestemming van IRN is overgezet op Islamic Relief Worldwide (IRW) en donaties via de aan de website gekoppelde betaalmogelijkheid ten goede zouden kunnen komen aan IRW. Er bestaat al met al dan ook geen ruimte voor enige vergoeding.

8. Subsidiair, voor het geval het ontslag geen stand houdt, voert IRN aan dat [verzoeker] inmiddels elders werkzaam is en daarom een fictieve opzegtermijn geen rol speelt. Meer subsidiair voert IRN aan dat zij als kleine charitatieve instelling met 11 medewerkers moet worden beschouwd als een kleine werkgever. In de overgangsregeling is bepaald dat de maanden voor 1 mei 2013 buiten beschouwing moeten worden gelaten, zodat de transitievergoeding niet meer dan € 6.232,50 kan bedragen. IRN concludeert primair tot afwijzing van de verzoeken, subsidiair tot matiging van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, meer subsidiair tot matiging van de transitievergoeding, alles met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

Beoordeling

9. Nu [verzoeker] het verzoek tijdig, namelijk binnen de in artikel 7:686a lid 4 onder a sub 1 en 2 BW gestelde termijn, heeft ingediend, is hij ontvankelijk in zijn verzoek.

Ontslag

10. Kern van het geschil is of sprake is van een dringende reden op grond waarvan IRN bevoegd was de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en of zij die dringende reden onverwijld heeft medegedeeld. Als dringende redenen voor de werkgever worden ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Bij de beoordeling hiervan moeten alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang in aanmerking worden genomen.

10. Vooropgesteld wordt dat het vereiste van onverwijlde mededeling van de dringende reden ertoe strekt dat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de werkgever hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. Dit brengt mee dat voor de werknemer in redelijkheid geen enkele twijfel moet kunnen bestaan over het ontslag op staande voet en de, als dringend aangemerkte, reden die de werkgever hieraan ten grondslag heeft gelegd. De onder 1.13 door IRN aan [verzoeker] op 8 januari 2016 gedane mededeling voldoet niet aan deze vereisten. Immers, IRN heeft [verzoeker] een voorwaardelijk ontslag aangezegd, namelijk voor het geval dat [verzoeker] later die dag niet op de afspraak zal verschijnen. Op dat moment mocht [verzoeker] ervan uitgaan dat hij met het vervullen van deze door IRN gestelde voorwaarde een ontslag op staande voet kon afwenden. Het had dan ook op de weg van IRN gelegen om op het moment dat de voorwaarde werd vervuld [verzoeker] hierop te wijzen en hem het ontslag op staande voet onverwijld mede te delen. Met de onder 1.14 vermelde brief is daarmee niet voldaan, sterker nog in haar brief van 24 februari 2016 schrijft IRN dat er nog een arbeidsrelatie bestaat die zij niet langer wenst voort te zetten. Nu de gestelde dringende reden(en), nog daargelaten de juistheid daarvan, niet op de voet van artikel 7:677 lid 1 BW onverwijld is (zijn) medegedeeld, is geen sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. De door IRN genoemde dringende redenen behoeven daarom thans geen nadere bespreking. Wel komen de ernstige verwijten die IRN [verzoeker] maakt hierna bij de beoordeling van de verzochte transitievergoeding en de billijke vergoeding aan de orde.

Vergoeding onregelmatige opzegging

12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er sprake is van een onregelmatige opzegging, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. IRN heeft niet de in artikel 7:672, tweede lid onder d BW genoemde opzegtermijn van vier maanden bij een dienstverband van vijftien jaar of langer ( [verzoeker] was ten tijde van de opzegging 19 jaar in dienst van IRN) in acht genomen. IRN is daarom de onder artikel 7:672, negende lid BW genoemde vergoeding wegens onregelmatige opzegging aan [verzoeker] verschuldigd, waarbij de vergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn en opgezegd had moeten worden tegen het einde van de maand. Nu [verzoeker] heeft berust in het ontslag, is een bedrag van € 1.196,62 aan loon inclusief vakantiegeld over de periode van 1 tot en met 8 januari 2016 toewijsbaar. Niet betwist is immers dat er over deze periode door IRN geen loon is betaald. Over de periode van 9 januari 2016 tot en met 31 mei 2016 is IRN een bedrag aan vergoeding van € 21.239,89 gelijk aan het loon over die periode inclusief vakantiegeld aan [verzoeker] verschuldigd. Dit bedrag is toewijsbaar. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW is de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding toewijsbaar vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten vanaf 8 januari 2016.

Transitievergoeding

13. Daarnaast maakt [verzoeker] aanspraak op de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW. Nu de arbeidsovereenkomst niet met instemming van [verzoeker] is geeindigd en er geen sprake is van één van de in artikel 7:671 BW genoemde opzeggingsgronden, is IRN de transitievergoeding verschuldigd. Dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, op grond waarvan ex artikel 7:673 lid 7, onderdeel c BW, IRN geen transitievergoeding verschuldigd is, is niet komen vast te staan. Anders dan IRN heeft betoogd, is het ernstig verwijtbaar handelen (volgens IRN) bestaande uit het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke verzoeken (artikel 7:678 lid 2 sub j BW) en de inbraak (artikel 7:678 lid 2 sub d en g BW) niet aangetoond. Zoals [verzoeker] reeds in zijn brief van 23 december 2015 heeft verwoord (zie 1.8), is hij niet eerder dan tijdens het gesprek op 17 december 2015 op het gestelde disfunctioneren gewezen. Bewijsstukken zoals functioneringsverslagen ontbreken, terwijl van de zijde van [verzoeker] verklaringen in het geding zijn gebracht van [naam 6] ( [functie] IRN) en [naam 7] ( [functie] IRN) die zich lovend over het functioneren van [verzoeker] hebben uitgelaten. Bovendien staat vast dat IRN onder leiding van [verzoeker] een forse groei heeft doorgemaakt.

13. Voor wat betreft de vermeende diefstal uit het kantoor van IRN door [verzoeker] is eveneens geen bewijs geleverd. [verzoeker] heeft ontkend dat hij op het bewuste moment op kantoor aanwezig was. Onvoldoende weersproken is dat bijna alle medewerkers toegang hadden tot het pand, dat er meerdere sleutels waren van het kantoor van [verzoeker] dat, getuige de verklaring van [naam 7] , ook gebruikt werd voor het ontvangen van gasten en vergaderingen en dat anderen waaronder in ieder geval [naam 6] ook toegang had tot het kantoor van [verzoeker] . IRN zegt dat zij van de beveiliging hebben gehoord dat toen het alarm afging door de alarmcentrale met [verzoeker] is gebeld en dat hij een bedieningsfout zou hebben doorgegeven. Zij heeft haar stelling niet met een verklaring van de betreffende beveilingsmedewerker gestaafd, noch hiertoe een concreet bewijsaanbod gedaan. Hier tegenover heeft [verzoeker] gewezen op de uitdraai van de alarmcentrale waarin bij de opmerkingen is genoteerd wanneer er telefonisch contact heeft plaatsgehad, hetgeen bij 22 december 2015 niet staat vermeld. Ook het verwijt dat [verzoeker] de harde schijf heeft meegenomen en data heeft vernietigd is niet nader met bewijsstukken onderbouwd. Dat er schade is ontstaan, omdat de domeinnaam zonder toestemming van IRN is overgezet op Islamic Relief Worldwide (IRW), is niet komen vast te staan, nog daargelaten dat niet is aangetoond dat [verzoeker] hiervoor verantwoordelijk is. Blijkens de akte van proces-verbaal (zie 1.9) zijn de data waarom IRN heeft gevraagd teruggeplaatst op de centrale server. Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .

13. Het betoog dat IRN moet worden beschouwd als een “kleine werkgever” is gemotiveerd door [verzoeker] bestreden. Dat de overbruggingsregeling (minder dan 25 werknemers, negatief eigen vermogen en geen nettoresultaat over de voorafgaande drie boekjaren) op IRN van toepassing is, is niet nader onderbouwd en gelet op de onweersproken toelichting van [verzoeker] dat IRN onder zijn leiding is uitgegroeid tot een stichting met een bedrag van ruim € 5.000.000,- aan donaties niet komen vast te staan.

13. Het voorgaande betekent dat IRN zal worden veroordeeld tot betaling van € 36.194,00 aan transitievergoeding.

Billijke vergoeding

17. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Een opzegging die niet rechtsgeldig wordt geacht is als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding worden toegewezen.

17. Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor te worden gecompenseerd. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding is in aanmerking genomen dat het door IRN gestelde disfunctioneren van [verzoeker] en de betrokkenheid bij de vermeende inbraak onvoldoende is komen vast te staan. Met de toelichting van partijen ter zitting is duidelijk geworden dat partijen allebei een andere invulling van het beleid van IRN voor ogen heeft (gestaan). Uitgangspunt is dat het bestuur het beleid bepaalt, maar dat het daarbij vervolgens wel aan haar is hierover zo goed mogelijk met haar medewerkers en in het bijzonder haar algemeen directeur te communiceren. De wijze waarop IRN [verzoeker] na 20 jaar heeft ‘overvallen’ met forse kritiek op zijn functioneren (zie 1.8) zonder enige vorm van een verbetertraject en het feit dat zij reeds een vervanger had aangezocht, alsmede de ongefundeerde beschuldiging van inbraak aan het adres van [verzoeker] getuigt niet van goed werkgeverschap en valt IRN ernstig aan te rekenen. Dit temeer daar IRN de vervolgens ontstane situatieve arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] , die hij met een verklaring van zijn huisarts heeft onderbouwd, in de e-mail van haar gemachtigde van 18 december 2015 in twijfel trekt, terwijl het aan de arboarts is voorbehouden om zich daarover een oordeel te vormen. Bovendien heeft zij ten onrechte geweigerd dat [verzoeker] zich bij het gesprek waarin het disfunctioneren zou worden besproken zou laten bijstaan door zijn juridisch adviseur (zie 1.12), heeft zij geen nieuwe afspraak willen maken, maar is zij overgegaan tot een voorwaardelijk ontslag op staande voet. Ook dit valt IRN ernstig te verwijten. Dit alles wegende zal de kantonrechter de billijke vergoeding dan ook vaststellen op een bedrag van € 20.000,00.

17. De verzochte veroordeling tot betaling van de resterende en niet genoten vakantiedagen over 2015 en 2016 en het overwerk wordt als niet weersproken toegewezen.

17. De wettelijke rente wordt, nu hier geen separaat verweer tegen is gevoerd, toegewezen zoals hierna vermeld met dien verstande dat de wettelijke rente met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 8 februari 2016. In verband met het voorgaande dient IRN aan [verzoeker] een deugdelijke bruto-/netto-specificatie over te leggen. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en als na te melden beperkt en gemaximeerd.

17. IRN wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt IRN tot betaling aan [verzoeker] van:

  1. € 1.196,62 aan loon inclusief vakantiegeld over de periode van 1 tot en met 8 januari 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vervaldatum tot aan de dag van de gehele betaling;

  2. € 21.239,89 aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 januari 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

  3. € 36.194,00 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

  4. € 20.000,00 aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot aan de voldoening;

  5. de resterende en niet genoten vakantiedagen over 2015 en 2016, alsmede 24 ¼ dagen aan overwerk;

veroordeelt IRN om aan [verzoeker] deugdelijke bruto-netto specificatie (voor zover van toepassing) van de hiervoor onder a tot en met e toegewezen bedragen, alsmede een deugdelijke eindafrekening te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag, gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,00;

veroordeelt IRN tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op een bedrag van € 471,00 aan griffierecht en € 545,00 aan salaris van zijn gemachtigde, inclusief btw;

veroordeelt IRN tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en IRN niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, kantonrechter en op 28 april 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter