Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5725

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4657

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2016 in de zaak tussen

[verzoeker], te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. Schricker),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. C.L. Brinks en P.J. Nijkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker de last opgelegd om het gebruik als logiesgebouw/hotel op de adressen [adres] te staken en gestaakt te houden wegens vlucht- en brandonveilig gebruik. Verweerder heeft bestuursdwang toegepast door de panden te sluiten en heeft bepaald dat het logiesgebouw/hotel in ieder geval voor drie maanden gesloten blijft.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 augustus 2016.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepszaak.

2. Verzoeker is samen met de heer [naam 1] eigenaar van de panden [adres] sinds januari 2016. Vanaf 1 april 2016 heeft hij deze panden verhuurd aan [naam 2]. Daarvoor werd het pand niet verhuurd maar had de vorige eigenaar nog toegang tot het pand. Na het bestreden besluit heeft verzoeker het huurcontract met [naam 2] ontbonden. Verzoeker gebruikt de panden als beleggingsobjecten.

2.2

Op 13 juni 2016 hebben toezichthouders van verweerder samen met Brandweer Amsterdam-Amstelland (hierna: de brandweer) een bezoek gebracht aan die panden. Naar aanleiding van hun bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat de gebouwen worden gebruikt als logiesgebouw/hotel. Er zijn twee logiesverblijven, vier toeristen en acht slaapplaatsen aangetroffen. Uit het advies van de brandweer blijkt dat niet voldaan wordt aan de eisen van brandveiligheid die gelden voor logiesgebouwen. Daarom is sprake van een vlucht- en brandonveilige situatie.

2.3

Verweerder heeft het advies van de brandweer om de situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen in het bestreden besluit overgenomen en verzoeker gelast het gebruik van de gebouwen als logiesgebouw/hotel te staken en gestaakt te houden vanaf 13 juni 2016. Verweerder stelt vast dat verzoeker handelt in strijd met de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, met het bestemmingsplan (want hotels zijn op deze locatie niet toegestaan) en ten onrechte niet beschikt over een omgevingsvergunning brandveilig gebruik. Verweerder heeft de panden gesloten en heeft bepaald dat het logiesgebouw/hotel in ieder geval voor drie maanden gesloten blijft.

3.1

De feitelijke constateringen van de brandweer worden niet betwist. Verder heeft verzoeker in de gronden van bezwaar wel aangevoerd dat de panden onterecht zijn aangemerkt als logiesgebouw en als zodanig zijn beoordeeld, maar uit hetgeen ter zitting is aangevoerd maakt de voorzieningenrechter op dat niet wordt betwist dat de panden feitelijk als logiesgebouw zijn gebruikt.

3.2

Evenmin is in geschil is dat het gebruik van de panden als logiesgebouw niet overeenkomstig het bestemmingsplan is en de gebouwen niet aan de brandveiligheidsvoorschriften voor logiesgebouwen voldoen. Verweerder was daarom bevoegd om handhavend op te treden. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat spoedeisende bestuursdwang alleen mag worden toegepast bij schending van de openbare orde heeft hij dit niet onderbouwd. Artikel 5:31 van de Awb, dat ziet op spoedeisende bestuursdwang, biedt hiervoor geen grond. Ten aanzien van de hantering van die bevoegdheid overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.3

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal verweerder in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag verweerder dat weigeren. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Niet in geschil is dat dit hier niet het geval is. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. Verzoeker voert in dit kader aan dat van spoedeisende bestuursdwang had moeten worden afgezien en dat in ieder geval niet tot een sluiting van drie maanden overgegaan had mogen worden en betoogt daartoe het volgende. De overtreding van de wettelijke voorschriften is begaan door de huurder en niet door verzoeker. Verzoeker was er niet van op de hoogte dat [naam 2] en ook de vorige eigenaar de panden gebruikten als logiesverblijf. Hij heeft een langlopend huurcontract afgesloten met [naam 2]. Hij wist dat de huurder de panden als bed&breakfast wilde gaan gebruiken, maar dat zou een legale constructie zijn. Door onmiddellijk het huurcontract met [naam 2] te ontbinden heeft hij de onrechtmatige situatie beëindigd. Hij heeft er daarom alles aan gedaan om verdere overtreding van voorschriften te voorkomen. Verzoeker heeft gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2853) waaruit volgt dat de eigenaar van een pand, niet zijnde de feitelijke overtreder, niet als overtreder kan worden aangemerkt als hij aannemelijk weet te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand onrechtmatig werd gebruikt.

5.1

De voorzieningenrechter overweegt ten eerste dat de uitspraak van de Afdeling ziet op de vraag of aan de eigenaar van een onrechtmatig gebruikt pand een bestuurlijke boete kon worden opgelegd. In verzoekers geval zijn de panden gesloten om een brandonveilige situatie te beëindigen. De vraag of verzoeker als overtreder kan worden aangemerkt doet zich daarom niet voor. Dat hij de overtredingen niet heeft begaan, betekent niet dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. De zwaarwegende belangen van de zijde van verweerder - het beëindigen van een brand- en vluchtonveilige situatie - hadden met een minder verstrekkende maatregel niet onmiddellijk gediend kunnen worden.

5.2

Verder is aan de orde of verweerder heeft mogen bepalen dat de sluiting drie maanden voortduurt. Verweerder heeft daar ter zitting samengevat het volgende over verklaard. De panden werden al langer gebruikt als toeristenverblijf. Een onbekend persoon ‘Hev’ heeft de panden via de airbnb-website regelmatig verhuurd in de periode van januari tot en met maart 2016. Vanaf 1 april 2016 was [naam 2] de huurder en die heeft de panden ook weer aan toeristen verhuurd, wat ook blijkt uit de inrichting van de appartementen. Hij betaalde een lage huur, € 1.400,- per maand, voor vier verdiepingen op een toplocatie. Verweerder wil voordat de panden weer geopend worden het vertrouwen hebben dat de panden niet opnieuw als logiesgebouw gebruikt zullen worden. Dat kan bijvoorbeeld als blijkt dat er meerdere bonafide huurders zijn en aannemelijk is dat de panden voor bewoning gebruikt zullen gaan worden. Op dit moment heeft verzoeker verweerder slechts laten weten dat er één huurder is voor beide panden. Het vertrouwen is er daarom nog niet. De periode van drie maanden is nodig om duidelijk te maken dat deze panden niet meer beschikbaar zijn voor toeristen. Boekingen voor dergelijke panden vinden niet alleen via internet plaats maar ook via bureautjes in de stad, waarbij toeristen naar bepaalde panden worden verwezen.

5.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op deze motivering van verweerder de sluiting voor de duur van drie maanden niet onredelijk lang is. Verder blijkt uit wat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat de sluiting voor het einde van die termijn kan worden beëindigd indien verzoeker bij een heropeningsverzoek uiteen kan zetten hoe hij het gebouw op rechtmatige wijze zal gebruiken en exploiteren. Het bestreden besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar standhouden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.