Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5691

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
C/13/573648 / HA ZA 14-962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vordering ex artikel 431 lid 2 Rv (pseudo-exeqatur). Voldaan is aan de criteria Gazprombankarrest voor erkenning buitenlands vonnis. Bovendien is het Albanse vonnis op dit moment uitvoerbaar in Albanië. Vanwege het aanzienlijke resititutierisico wordt vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen ex artikelen 475g, 476a, 476b, 477 en 477a Rv worden afgewezen. Verder is er geen sprake van onrechtmatig handelen in groepsverband.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 431
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2017/14 met annotatie van mr. dr. M. Freudenthal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/573648 / HA ZA 14-962

Vonnis van 29 juni 2016

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

ALBANIABEG AMBIENT SH.P.K.,

gevestigd te Tirana, Albanië,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

ENEL S.P.A.,

gevestigd te Rome, Italië,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

ENELPOWER S.P.A.,

gevestigd te Milaan, Italië,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENEL INVESTMENT HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap

ENEL FINANCE INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. de naamloze vennootschap

ENEL INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap

INTERNATIONAL ENDESA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

7. de besloten vennootschap

ENEL GREEN POWER INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. de besloten vennootschap

ENEL GREEN POWER SOUTH AFRICA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

9. de besloten vennootschap

ENEL ESN MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

10. de besloten vennootschap

HYDROMAC ENERGY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

advocaten mrs. M.A. Leijten en J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam.

Eiseres in conventie/verweerster in reconventie zal hierna ABA worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen hierna gezamenlijk gedaagden worden genoemd, sub 1 en 2 gezamenlijk Enel c.s. (afzonderlijk Enel en Enelpower) en sub 3 tot en met 10 gezamenlijk de Enel-dochters.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 juli 2014,

  • -

    de akte houdende eisvermeerdering tevens akte overlegging producties tevens akte overlegging nadere producties van 8 oktober 2014, met producties,

  • -

    een herstelexploot van 22 oktober 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek tevens houdende conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met producties, - de conclusie van dupliek in reconventie tevens conclusie van dupliek in het bevoegdheidsincident,

  • -

    het proces-verbaal van het op 23 januari 2016 gehouden pleidooi, met de daarin genoemde proceshandelingen en/of processtukken,

  • -

    de brief van mr. De Greve van 15 februari 2016, inhoudende een reactie op het proces-verbaal,

  • -

    de brief van mr. Leijten van 15 februari 2016, inhoudende een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Enelpower, een dochtervennootschap van Enel, heeft op 2 februari 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de Italiaanse vennootschap Beccetti Energy Group S.p.A. (hierna: BEG). Het beoogde doel van de samenwerking was de realisatie en exploitatie van een waterkrachtcentrale nabij Kalivaç in Albanië (hierna: het project).

2.2.

De samenwerkingsovereenkomst voorzag in de oprichting van een zogenaamd ‘special purpose vehicle’ (SPV) met BEG en Enelpower als aandeelhouders voor respectievelijk 51 en 49%. Deze SPV zou de waterkrachtcentrale feitelijk gaan exploiteren. De door de waterkrachtcentrale opgewekte elektriciteit en de bijbehorende groencertificaten zouden door de SPV op exclusieve basis worden verkocht aan Enel, die de elektriciteit in Italië zou verhandelen.

2.3.

Enelpower heeft zich vóór de bouw van de krachtcentrale in het najaar van 2000 uit het project teruggetrokken. BEG heeft Enelpower aansprakelijk gesteld voor de door haar dientengevolge geleden schade. Nadat Enelpower iedere aansprakelijkheid had afgewezen, heeft BEG jegens Enelpower een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Hof van Arbitrage van de Kamer van Koophandel te Rome. Bij uitspraak van 25 november 2002 zijn de vorderingen van BEG afgewezen. Het Hof van Beroep te Rome heeft de vordering van BEG tot vernietiging van de arbitrale uitspraak bij beslissing van 9 maart 2009 afgewezen. Het hiertegen door BEG ingestelde cassatieberoep is bij beslissing van 20 oktober 2010 door het Hof van Cassatie te Rome verworpen.

2.4.

ABA, een dochtervennootschap van BEG, heeft in mei 2004 bij de Albanese overheidsrechter een vordering tegen Enel c.s. ingesteld, stellende de SPV uit de samenwerkingsovereenkomst te zijn. De vordering strekt tot vergoeding van de door ABA geleden buitencontractuele schade wegens onrechtmatig handelen van Enel c.s. Bij vonnis van 24 maart 2009 (hierna: het Albanese vonnis) heeft de rechtbank te Tirana, Albanië, (vertaald) als volgt overwogen en beslist:

“(…)

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het verzoek van de eisende partij is gebaseerd op de wetgeving en op bewijzen en derhalve moet worden toegewezen door de gedaagde partij te verplichten om aan de eiser de buitencontractuele schade voor het jaar 2004 te betalen, schade die door de deskundigen op 25.188.500 euro is berekend. Aangezien de waarde van de schade en de gederfde winst voor de periode 2005 – 2011 niet kan worden berekend, omdat de verkoopprijs van de elektrische energie mede door andere factoren wordt beïnvloed die op dit moment niet kunnen worden voorspeld, zal de waarde van de opbrengsten uit de elektrische energie voor de overige jaren voor elk jaar afzonderlijk worden berekend volgens de formule die in het deskundigenrapport is bepaald, op basis van de prijzen die zich op de markt hebben bewezen, Vn = (Q x Pn) + (Q x Pcn) (…)

(…)

BESLOTEN

De gedaagden partijen, de vennootschap “Enelpower” afdeling Albanië, de vennootschap “Enel” S.p.A. en de vennootschap “Enelpower” S.p.A., op te dragen aan de eisende partij, de vennootschap “Albania Beg Ambient” Sh.p.k., de waarde van de buitencontractuele schade ten bedrage van 25.188.500,00 (…) euro te betalen.

De gedaagde partijen (…) op te dragen aan de eisende partij (…) de buitencontractuele schade voor de hoeveelheid elektrische energie van 371.000.000 kWh per jaar voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 volgens de formule Vn= (Q x Pn) + (V x Pcn), als omschreven in het deskundigenrapport, dat integraal deel van dit vonnis uitmaakt, te betalen.(…)”

Voorts vermeldt het Albanese vonnis onder het kopje “OVERWEEGT dat” (volgens de door gedaagden overgelegde Nederlandse vertaling), voor zover hier van belang:

“Aangezien het de rechtbank op dit moment onbekend is hoeveel de waarde van de schade en van de gederfde winst (…) voor de jaren 2005 - 2011 zal zijn en dat de rechtbank enkel de formule voor de berekening van dergelijke schade voor zich heeft, oordeelt de rechtbank en geeft de eisende partij de opdracht om, op het moment dat ze de tenuitvoerlegging van deze uitspraak zal eisen, over de waarde van de schade voor de periode 2005 - 2011 (…), vooraf griffiekosten te betalen over het bedrag dat, aan de hand van de berekening die de deskundigen voor deze jaren zullen maken, zal worden vastgesteld.”

2.5.

Het Hof van Appel te Tirana heeft bij uitspraak van 28 april 2010 het door Enel c.s. tegen het Albanese vonnis ingestelde hoger beroep afgewezen. Het hiertegen gerichte cassatieberoep is door het Hof van Cassatie te Tirana bij uitspraak van 7 maart 2011 verworpen. Enel c.s. heeft geen beroep ingesteld bij het Constitutioneel Hof van Albanië.

2.6.

Bij verzoekschrift van 6 september 2011 heeft Enel c.s. bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geklaagd over - kort gezegd - de Albanese procedure. Het EHRM heeft Enel c.s. niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken althans de klachten van Enel c.s. kennelijk ongegrond verklaard.

2.7.

Enel c.s. heeft tot op heden geweigerd om aan haar verplichtingen ingevolge het Albanese vonnis te voldoen. Inmiddels heeft ABA in Frankrijk, Ierland, Luxemburg en de Verenigde Staten procedures gestart, onder meer strekkende tot erkenning en tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis. Daarin is nog geen uitspraak gedaan.

2.8.

Krachtens verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft ABA op 6 juni 2014 ten laste van Enel c.s. conservatoire beslagen doen leggen op de aandelen van Enel in gedaagden sub 3 en 4 alsmede onder 41 derden, waaronder de Enel-dochters. Haar vordering is daarbij begroot op € 440 miljoen. In kortgeding heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 1 juli 2014 de vordering van ABA voorlopig nader begroot op € 25.188.500,00 en de beslagen opgeheven zodra door Enel c.s. aan ABA een bankgarantie is afgegeven voor dat bedrag.

2.9.

Bij kortgedingvonnis van 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag onder meer ABA - kort gezegd - geboden een door Enel c.s. aangeboden bankgarantie, die aan in het vonnis nader omschreven voorwaarden dient te voldoen, binnen een termijn van één week na aanbieding daarvan te aanvaarden ter opheffing van de beslagen als bedoeld in het vonnis van 1 juli 2014.

2.10.

Krachtens verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft ABA op 19 september 2014 wederom ten laste van Enel c.s. conservatoire beslagen doen leggen op de aandelen van Enel in gedaagden sub 3 en 4 alsmede onder (de) 41 derden, waaronder de Enel-dochters. Haar vordering is daarbij begroot op € 425 miljoen. In kortgeding heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 11 november 2014 de beslagen opgeheven onder de opschortende voorwaarde dat door Enel c.s. een bankgarantie aan ABA wordt afgegeven ten bedrage van € 425 miljoen, met bepaling dat die bankgarantie dient te voldoen aan de voorwaarden uit haar voornoemde kortgedingvonnis van 18 september 2014.

2.11.

Blijkens overgelegde ‘derdenverklaringen’ van de Enel-dochters van 24 oktober 2014 hebben de beslagen van 6 juni 2014 doel getroffen voor € 166.656,00 en de beslagen van 19 september 2014 voor ruim € 763 miljoen.

2.12.

Enel c.s. heeft hoger beroep ingesteld tegen de kortgedingvonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2014, 18 september 2014 en 11 november 2014. Bij arrest van 9 februari 2016 heeft het hof Den Haag alle ten laste van Enel c.s. gelegde beslagen opgeheven tegen het stellen van een bankgarantie door Enel c.s. ten gunste van ABA voor € 440 miljoen, met daaraan gekoppeld een door ABA te stellen contra-garantie voor € 49.852.000,00 en voornoemde kortgedingvonnissen, voor zover hier van belang, vernietigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

ABA vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zoals ter zitting nader is geconcretiseerd, kort weergegeven:

1. hoofdelijke veroordeling van Enel c.s. tot betaling van de buitencontractuele schade van

€ 25.188.500,00;

2. hoofdelijke veroordeling van Enel c.s. tot betaling van de buitencontractuele schade voor de hoeveelheid elektrische energie van 371.000.000 kWh per jaar, voor de jaren 2005 tot en met 2011 volgens de formule Vn= (Q x Pn) + (V x Pcn), zijnde € 407.903.370,00

(de vorderingen onder 1 en 2 belopen tezamen in totaal € 433.091.870,00);

3. veroordeling van gedaagden om aan de advocaat van ABA, althans aan de deurwaarder, iedere dertig dagen tot het moment dat geheel is voldaan aan de betalingsverplichtingen van Enel c.s. jegens ABA schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd inlichtingen en opgave te verstrekken over diens binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en over voor verhaal vatbare binnen- en buitenlandse goederen, op straffe van een dwangsom;

4. veroordeling van de Enel-dochters te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 476a en 476b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op straffe van een dwangsom;

5. hoofdelijke veroordeling van de Enel-dochters tot betaling aan ABA dan wel aan de deurwaarder van € 433.091.870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2014 tot de dag van algehele voldoening, althans, op straffe van een dwangsom, de Enel-dochters ieder te veroordelen tot afgifte van de verschuldigde goederen of af te geven zaken aan de deurwaarder;

6. hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van alle door ABA geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;

7. althans zodanig te beslissen op iedere hiervoor onder 1 tot 6 weergegeven vordering als de rechtbank geraden voorkomt;

8. hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten, ten aanzien van Enel c.s. inclusief de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

ABA heeft haar vorderingen 1 en 2 zoals weergegeven onder 3.1 gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. In dit kader vordert zij primair veroordeling tot hetgeen waartoe Enel c.s. in het Albanese vonnis is veroordeeld (de pseudo-exequatur) en subsidiair een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Enel vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:

1. een verklaring voor recht dat ABA onrechtmatig heeft gehandeld;

2. veroordeling van ABA tot schadevergoeding, op te maken bij staat;

3. veroordeling van ABA in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

Enel stelt daartoe samengevat dat zij schade heeft geleden als gevolg van de ten onrechte gelegde beslagen. Die schade bestaat uit de kosten van het stellen van een bankgarantie ter opheffing van de beslagen en de kosten voor het aantrekken van vreemd vermogen om haar bedrijfsactiviteiten te kunnen uitoefenen. De hoogte van de schade is thans nog niet bekend, zodat zij verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert.

3.7.

ABA voert verweer.

3.8.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

bevoegdheid

4.1.

Nu er sprake is van een internationaal geschil dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen kennis te nemen.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het Albanese vonnis niet in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer gelegd op grond van een bepaling in een Nederland bindend verdrag of in een Europese verordening. Tussen Nederland en Albanië geldt geen bilateraal of multilateraal executieverdrag. De Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) en de herschikte EEX-Vo zijn in formeel opzicht uitsluitend van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie en dus niet op beslissingen uit Albanië.

Dit brengt mee dat op grond van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht moet worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen.

bevoegdheid jegens Enel c.s. conventionele vorderingen 1 en 2 (artikel 431 lid 2 Rv)

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 431 lid 2 Rv in beginsel rechtsmacht schept voor de Nederlandse rechter, nu het de mogelijkheid biedt om de gedingen opnieuw in Nederland te behandelen en af te doen. Dit geldt ongeacht of de Nederlandse rechter aanleiding ziet tot een inhoudelijke herbeoordeling van het geschil dan wel de vraag beoordeelt of aan een beslissing van een buitenlandse rechter gezag toekomt en zich in dat verband beperkt tot een toets aan de vereisten zoals door de Hoge Raad uiteen gezet in het zogenaamde Gazprombank-arrest (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838). In zijn algemeenheid geldt hierop als uitzondering het geval waarin de eisende partij met het voorleggen van de betreffende vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv aan de Nederlandse rechter misbruik van procesrecht maakt. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn, is evenwel gesteld noch gebleken.

Of Enelpower over vermogensbestanddelen in Nederland beschikt is voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt op grond van artikel 431 lid 2 Rv niet van belang. Artikel 985 Rv - waarnaar Enel c.s. in dit verband verwijst - ziet immers op de relatieve competentie van de rechter die heeft te oordelen over het al dan niet verlenen van verlof met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een in het buitenland gegeven rechterlijke beslissing welke beslissing in Nederland uitvoerbaar is krachtens een verdrag of krachtens de wet. Artikel 985 Rv ziet daarmee op een andere situatie dan het voorliggende geval.

Vorenstaande leidt ertoe dat de Nederlandse rechter bevoegd is de onder 3.1 weergegeven vorderingen 1 en 2 te beslechten.

Nu de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet is betwist, acht de rechtbank zich bevoegd van de conventionele vorderingen 1 en 2 zoals weergegeven onder 3.1 jegens Enel c.s. kennis te nemen.

bevoegdheid jegens de Enel-dochters

4.4.

De Enel-dochters worden aangesproken uit onrechtmatige daad, eruit bestaande dat zij hebben geweigerd (tijdig) deugdelijke derdenverklaringen af te leggen en dat zij met Enel c.s. in groepsverband verhaalsacties van ABA hebben gefrustreerd (artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Nu de Enel-dochters in Amsterdam zijn gevestigd, dan wel daar kantoorhouden, en de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet is betwist, acht de rechtbank zich ook bevoegd om van de vorderingen tegen de Enel-dochters kennis te nemen.

bevoegdheid jegens Enel c.s. conventionele vorderingen 3 (opgave inkomens- en vermogenspositie) en 7 (schadevergoeding op te maken bij staat)

4.5.

Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van één van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.6.

Enel c.s. en de Enel-dochters worden op grond van artikel 6:166 BW (hoofdelijk) aansprakelijk gehouden voor dezelfde schade, te weten de schade die het gevolg is van het in groepsverband frustreren van verhaalsacties van ABA door te handelen in strijd met de informatieverplichtingen van de artikelen 476a, 476b en 475g Rv. Dit brengt mee dat ten aanzien van deze vorderingen zowel voor wat betreft Enel c.s. als de Enel-dochters hetzelfde feitencomplex ter beoordeling voorligt. Reeds hierdoor bestaat naar het oordeel van de rechtbank tussen de vorderingen 3 en 7 zoals weergegeven onder 3.1, ingesteld tegen enerzijds de Enel-dochters en anderzijds Enel c.s., een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen in de zin van artikel 7 lid 1 Rv. Afzonderlijke berechting van de vorderingen brengt immers mee dat een concreet risico bestaat op onverenigbare beslissingen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de vorderingen tegen Enel c.s. enkel zouden zijn ingesteld om haar te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat waar zij gevestigd is.

Aangezien de rechtbank reeds geoordeeld heeft dat haar ten aanzien van de vorderingen 3 en 7 tegen de Enel-dochters rechtsmacht toekomt (zie 4.4), is op grond van het voorgaande de conclusie dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen 3 en 7 tegen Enel c.s. Nu de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet is betwist, acht de rechtbank zich bevoegd van de onderhavige vorderingen kennis te nemen.

bevoegdheid reconventionele vorderingen

4.7.

Artikel 7 lid 2 Rv bepaalt dat indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van een vordering in reconventie, tenzij tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat. Dat tussen deze vorderingen in conventie en in reconventie onvoldoende samenhang zou bestaan is niet gesteld of gebleken. Integendeel: de vordering in reconventie strekt tot vergoeding van de schade die Enel stelt te hebben geleden als gevolg van de beslagen die ABA heeft gelegd tot zekerheid van de door haar gestelde vordering die in conventie aan de orde is. Dit brengt mee dat de Nederlandse rechter (ook) rechtsmacht toekomt voor wat betreft de vorderingen in reconventie. Nu de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet is betwist, acht de rechtbank zich bevoegd van de reconventionele vorderingen kennis te nemen.

in conventie voorts

vorderingen 1 en 2 onder 3.1

primaire vordering ogv artikel 431 lid 2 Rv (pseudo-exequatur)

4.8.

Op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van een buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, bij de Nederlandse rechter opnieuw worden behandeld en afgedaan. In dat geval dient de Nederlandse rechter te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent.

4.9.

Bij de beoordeling van de vraag of en in hoeverre aan een beslissing van een buitenlandse rechter gezag wordt toegekend dient ingevolge het Gazprombank-arrest (zie 4.3) tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (cumulatief):

(i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;

(ii) de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;

(iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde; en

(iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

Strekt de aan de Nederlandse rechter voorgelegde vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor vermelde voorwaarden, dan dient de Nederlandse rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar. Toewijzing van een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan echter afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is (zie het Gazprombank-arrest).

Ad (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is

4.10.

ABA stelt dat de bevoegdheid van de Albanese rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Zij heeft daartoe diverse gronden aangevoerd die volgens haar tot de bevoegdheid van de Albanese rechter leiden. Ter zitting heeft ABA ten aanzien van één van die gronden toegelicht dat Enelpower reeds vóór het aanhangig maken van de procedure in Albanië een nevenvestiging had opgericht in Albanië met het oog op de exploitatie van de waterkrachtcentrale, hetgeen bevoegdheid van de Albanese rechter jegens alle gedaagden creëert.

4.11.

Enel c.s. heeft verweer gevoerd en daartoe onder meer aangevoerd dat het in dit geschil niet gaat om een kwestie die de nevenvestiging van Enelpower aangaat.

4.12.

Dit verweer van Enel c.s. wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de Albanese nevenvestiging van Enelpower voor andere doeleinden is opgericht dan voor de exploitatie van de waterkrachtcentrale, zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank neemt derhalve aan dat de bevoegdheid van de Albanese rechter ten aanzien van de vordering van ABA tegen Enelpower (mede) is gegrond op de vestigingsplaats van de nevenvestiging van Enelpower te Albanië. Dit brengt ingevolge artikel 6 EEX-Vo (artikel 8 van de herschikte EEX-Vo) tevens de bevoegdheid van de Albanese rechter ten aanzien van de overige gedaagden mee. Artikel 6 EEX-Vo bepaalt immers dat als er in dezelfde procedure meer dan één gedaagde is, de gedaagden kunnen worden opgeroepen voor de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen tussen de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er tussen de vorderingen ingesteld tegen de verschillende gedaagden een nauwe band in de zin van artikel 6 EEX-Vo, nu de vorderingen tegen de verschillende gedaagden zijn gebaseerd op eenzelfde feitelijke situatie en eenzelfde situatie rechtens. Dit brengt mee dat een concreet risico bestaat op onverenigbare beslissingen wanneer aansprakelijkheid van de verschillende gedaagden in afzonderlijke procedures zou worden beoordeeld.

De in de herschikte EEX-Vo opgenomen bevoegdheidsgronden kunnen worden aangemerkt als naar internationale maatstaven aanvaardbaar.

De conclusie is dan ook dat er sprake is van een naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond. Aan het eerste in het Gazprombank-arrest genoemde vereiste voor erkenning is derhalve voldaan. De overige stellingen van partijen met betrekking tot dit vereiste kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen, zodat die stellingen geen bespreking meer behoeven.

Ad (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging

4.13.

ABA stelt dat ook aan dit tweede vereiste uit het Gazprombank-arrest is voldaan en voert hiertoe aan dat Enel c.s. behoorlijk is opgeroepen in Albanië, dat zij in drie instanties in de gelegenheid is geweest zich te verweren, dat de stellingen van Enel c.s. door de Albanese rechters gemotiveerd zijn weerlegd, dat er drie deskundigen zijn ingeschakeld om de Albanese rechtbank voor te lichten en dat de naar aanleiding van het deskundigenrapport opgeworpen vragen door de deskundigen zijn beantwoord. Het EHRM heeft bovendien de door Enel c.s. vermeende schending van haar recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) als kennelijk ongegrond verworpen. Nu Enel c.s. het rechtsmiddel van beroep op het Constitutionele Hof van Albanië onbenut heeft gelaten, hetgeen had kunnen leiden tot herstel van de vermeende gebreken in het Albanese vonnis, kan zij er thans niet met succes een beroep op doen dat het Albanese vonnis niet na behoorlijke rechtspleging tot stand zou zijn gekomen.

4.14.

Enel c.s. betwist dat de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Zij stelt daartoe onder meer dat het Albanese vonnis zodanig arbitrair, onbegrijpelijk en kennelijk onredelijk is dat het geen product kan zijn van een eerlijk proces. Dit blijkt uit de vele tegenstrijdigheden tussen het lichaam van het Albanese vonnis, het deskundigenrapport en het dictum, alsmede uit de tegenstrijdigheden in het dictum zelf, het aansprakelijkheidsoordeel en de wijze waarop cruciale verweren en klachten van Enel c.s. zijn behandeld. Dat het Albanese vonnis onbegrijpelijk, kennelijk onredelijk en arbitrair is, blijkt bovendien uit de wanverhouding tussen de schadevergoeding die volgens ABA dient te worden toegewezen en de waardering van het project. Voorts stelt Enel c.s. - kort gezegd - dat het Albanese vonnis is gewezen in een systeem dat ernstig geplaagd wordt door wereldwijde corruptie.

Enel c.s. benadrukt verder dat zij alle gewone rechtsmiddelen in Albanië heeft uitgeput en het buitengewone rechtsmiddel van herziening heeft aangewend. Het hoger beroep, het cassatieberoep en het herzieningsverzoek zijn op onbehoorlijke en onbegrijpelijke wijze afgedaan. Van Enel c.s. kon dan ook na zeven jaar procederen in een vreemd en corrupt rechtssysteem, waarin voor haar evident geen recht te halen was, niet méér worden verwacht. Aangezien haar argumenten reeds tweemaal zonder deugdelijke motivering door de Albanese rechter van de hand zijn gewezen, had zij er geen enkel vertrouwen in dat een klacht bij het Constitutionele Hof effect had gesorteerd.

4.15.

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of de Albanese beslissingen tot stand zijn gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, zich beperkt tot de beoordeling van de wijze waarop de beslissing procedureel tot stand is gekomen. De vraag of de beslissing van de Albanese rechter inhoudelijk juist is, dient hierbij buiten beschouwing te worden gelaten. De rechtbank overweegt dat Enel c.s. niet (voldoende gemotiveerd) heeft gesteld dat de vermeende gebreken in het Albanese vonnis niet hadden kunnen worden hersteld door het instellen van beroep bij het Constitutionele Hof. Evenmin is gesteld of gebleken dat Enel c.s. niet in staat was tot het instellen van dat beroep. De stelling van Enel c.s. dat er in Albanië geen behoorlijke rechtsgang voor haar heeft opengestaan, gaat derhalve reeds hierom niet op. Verder heeft Enel c.s. niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat er sprake was van een behoorlijke oproeping en van toepassing van hoor en wederhoor. De Albanese rechter heeft Enel c.s. de gelegenheid geboden tot het voeren van verweer en daarvan heeft Enel c.s. ook in meerdere instanties gebruik gemaakt. In de daarop volgende uitspraken is gemotiveerd waarom het verweer ontoereikend is bevonden. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat niet kan worden aangenomen dat de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die niet voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Ook aan het tweede vereiste voor erkenning zoals verwoord in het Gazprombank-arrest is derhalve voldaan. Gezien het voorgaande wordt aan de (overige) stellingen van Enel c.s. ten aanzien van haar verweer dat - kort gezegd - geen sprake is geweest van een eerlijk proces, niet toegekomen.

Ad (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde

4.16.

Enel c.s. heeft aangevoerd dat het Albanese vonnis in strijd is met de Nederlandse openbare orde en dat het Albanese vonnis daarom niet in Nederland kan worden erkend. Zij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Indien het Albanese vonnis aldus moet worden gelezen dat een schadevergoeding van € 433 miljoen wordt toegewezen, is het Albanese vonnis in strijd met het grondbeginsel van het Nederlandse schadevergoedingsrecht dat schadevergoeding de daadwerkelijk geleden schade dient te vergoeden, die bestaat uit geleden verlies en gederfde winst. De in het dictum van het Albanese vonnis opgenomen formule berekent immers slechts de gederfde omzet. Ter bepaling van de gederfde winst dienen de gemaakte kosten nog te worden afgetrokken. De hoogte van de schadevergoeding is bovendien volstrekt buitensporig voor een vertraging van vier jaar (of zelfs in het geval van acht jaar). Daar komt bij dat in het Albanese vonnis niet is verdisconteerd dat Enelpower zou delen in de winst van het project.

Verder - zo vervolgt Enel c.s. - is het oordeel van de Albanese rechter, dat de gestelde wanprestatie van Enelpower door zich uit het project terug te trekken als onrechtmatige daad jegens ABA kan worden toegerekend, in strijd met het beginsel van partijautonomie in het Nederlandse contractenrecht. Daarbij komt dat het Albanese vonnis in strijd met dwingend EU-recht is en dat de Albanese rechtbank volledig voorbijgegaan is aan het ten aanzien daarvan door Enel c.s. gevoerde verweer. Dwingend EU-recht met betrekking tot grensoverschrijdende verbindingen tussen elektriciteitsnetten brengt namelijk mee dat Enel c.s. niet zomaar contracten met de netbeheerder van de Griekenland-Italië kabel had kunnen sluiten, laat staan voor langere termijn. Ten onrechte gaat de Albanese rechter er dan ook van uit dat BEG zonder de door Enel c.s. veroorzaakte vertraging de elektriciteit onbeperkt naar Italië zou hebben kunnen exploiteren.

Tot slot wijst Enel c.s. (naar de rechtbank begrijpt ook in dit verband) erop dat het Albanese vonnis is gewezen in een systeem dat ernstig geplaagd wordt door wijdverbreide corruptie.

4.17.

De rechtbank stelt voorop dat de openbare orde-exceptie slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast en bovendien strikt wordt uitgelegd. Verder betreft toetsing aan de openbare orde niet de inhoudelijke juistheid van de buitenlandse beslissing. Derhalve kan in dit kader geen herbeoordeling van het Albanese vonnis plaatsvinden en kan geen inhoudelijke toetsing plaatsvinden van de daarin neergelegde oordelen aan het Nederlandse privaatrecht.

Er is sprake van strijd met de Nederlandse openbare orde indien de buitenlandse beslissing is gebaseerd op een rechtsregel die in geen geval kan worden aanvaard (het zogenoemde buitengrenscriterium) of indien erkenning van de buitenlandse beslissing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld in de Nederlandse rechtsorde (het zogenoemde binnengrenscriterium).

De door Enel c.s. aangevoerde argumenten zoals hiervoor onder 4.16 weergegeven hebben grotendeels betrekking op de inhoudelijke juistheid van het Albanese vonnis. Gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader is het echter niet aan de rechtbank om te treden in de waardering van de wijze waarop de Albanese rechter tot een oordeel is gekomen, ook niet over de hoogte van de te betalen schadevergoeding. Dat betekent dat zelfs in het geval Enel c.s. al in haar stellingen gevolgd zou moeten worden, dat op zichzelf nog niet leidt tot de conclusie dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde. Dat geldt ook voor het geval toepassing van het Nederlandse privaatrecht tot andere beslissingen zou leiden dan die in het Albanese vonnis. Dat de veroordeling van Enel c.s. berust op bepalingen van het Albanese burgerlijk wetboek die wezenlijk afwijken van de Nederlandse wettelijke bepalingen betreffende niet-contractuele verbintenissen of dat erkenning van de buitenlandse beslissing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld in de Nederlandse rechtsorde, is in het licht van het voorgaande onvoldoende gesteld of gebleken. De overige stellingen van Enel c.s., die er in de kern op neerkomen dat het Albanese (rechts)systeem corrupt is en dat het Albanese vonnis daarom wegens strijd met de Nederlandse openbare orde niet erkend kan worden, resulteren evenmin tot het door Enel c.s. gewenste resultaat. Enel c.s. heeft immers onvoldoende concrete stellingen naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat in dit specifieke geval sprake is geweest van corruptie op grond waarvan erkenning van dit vonnis tot strijd met de Nederlandse openbare orde zou leiden. De conclusie van het voorgaande is dat ook aan het derde vereiste voor erkenning is voldaan.

Ad (iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is

4.18.

Enel c.s. voert aan dat de Albanese procedure simpelweg het gevolg is van het feit dat BEG door inzet van haar alter ego ABA in Albanië nog een keer heeft geprobeerd te bewerkstelligen wat haar in de Italiaanse arbitrageprocedure en de daarop volgende procedures bij de Italiaanse overheidsrechters niet is gelukt. De vordering in Albanië is weliswaar in een ander juridisch jasje gestoken, maar gegrond op dezelfde feiten als de vordering van BEG in de Italiaanse procedure. Nu het Albanese vonnis uitgaat van een schending van de overeenkomst, terwijl de naleving daarvan reeds door het eerder gewezen arbitrale vonnis is vastgesteld, is er sprake van onverenigbare beslissingen.

4.19.

De rechtbank oordeelt als volgt. Van onverenigbaarheid van twee in het buitenland gegeven beslissingen kan slechts sprake zijn als, voor zover hier van belang, de beslissingen zijn gewezen tussen dezelfde partijen. ABA was geen partij in de in Italië gevoerde arbitrale procedure en zij is daarmee niet gebonden aan hetgeen in die procedure is beslist. Hierbij is van belang dat Enel c.s. - mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door ABA - niet voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat ABA en BEG dusdanig zijn te vereenzelvigen dat zij als dezelfde partij in het kader van de onderhavige voorwaarde voor erkenning dienen te worden aangemerkt. Verder was het onderwerp van het geschil in de Italiaanse procedure, te weten wanprestatie van Enel c.s. ten opzichte van haar contractuele wederpartij BEG, niet hetzelfde als de geschilpunten die ABA aan de Albanese rechter heeft voorgelegd, te weten onrechtmatige gedragingen van Enel c.s. jegens een derde, ABA.

De conclusie is dan ook dat ook aan het vierde vereiste voor erkenning is voldaan.

uitvoerbaarheid van het Albanese vonnis in Albanië

4.20.

Nu de aan de rechtbank voorgelegde vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv strekt tot veroordeling tot hetgeen waartoe Enel c.s. in het Albanese vonnis is veroordeeld en voldaan is aan de vier hiervoor vermelde voorwaarden uit het Gazprombank-arrest, dient de rechtbank de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar. Met inachtneming van het hiervoor onder 4.9 overwogene staat vervolgens ter beoordeling of het Albanese vonnis op dit moment uitvoerbaar is in Albanië.

4.21.

Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen de vordering tot betaling van € 25.188.500,00 (vordering 1 als vermeld onder 3.1) en de vordering tot betaling van

€ 407.903.370,00 (vordering 2 als vermeld onder 3.1).

- de vordering van € 25.188.500,00 (vordering 1)

4.22.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Albanese vonnis ten aanzien van de veroordeling tot betaling van € 25.188.500,-- op dit moment uitvoerbaar is in Albanië.

- de vordering van € 407.903.370,00 (vordering 2)

4.23.

Ten aanzien van de vordering van € 407.903.370,00 (vordering 2) heeft Enel c.s. - onder verwijzing naar een tweetal door haar ingebrachte opinies van een Albanese rechtsgeleerde en een Albanese deurwaarder - aangevoerd dat sprake is van de hierna genoemde twee beletselen met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Albanese vonnis. Het eerste beletsel is dat in het Albanese vonnis is bepaald dat de Albanese rechtbank de hoogte van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011 nog dient vast te stellen op basis van een door de destijds benoemde deskundigen op te stellen berekening, waarbij een aantal inhoudelijke afwegingen dient te worden gemaakt. Dat is nog niet gebeurd en de (Albanese of Nederlandse) deurwaarder is niet bevoegd zelf die formule in te vullen. Het tweede beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Albanese vonnis is volgens Enel c.s. dat ABA de griffierechten over de in het Albanese vonnis vastgestelde schadevergoeding over de periode 2005 tot en met 2011, zoals in het Albanese vonnis aan ABA is opgedragen (zie het tweede citaat zoals hiervoor onder 2.4 is weergegeven), nog niet heeft voldaan.

4.24.

De rechtbank stelt voorop dat ABA de onder 2.4 (als tweede citaat) weergegeven vertaling van het Albanese vonnis zoals overgelegd door Enel c.s. niet heeft betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van die vertaling zal uitgaan. Daarin is met zoveel woorden vermeld dat ABA de griffierechten over de waarde van de schade voor de periode 2005 tot en met 2011 zal moeten betalen. Gelet hierop valt zonder overtuigende toelichting van ABA, die ontbreekt, niet in te zien dat het niet ABA maar Enel c.s. is die de betreffende griffierechten dient te betalen. Daaraan doet niet af dat Enel c.s. mogelijk in het kader van de proceskostenveroordeling die kosten uiteindelijk zal moeten dragen. Aan deze stelling van ABA gaat de rechtbank dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij. Tussen partijen staat voorts vast dat ABA de griffierechten over de waarde van de schade voor de periode 2005 tot en met 2011 (nog) niet heeft voldaan.

4.25.

Tussen partijen is niet in geschil dat tegen het Albanese vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer open staat. De vraag die ter beoordeling voorligt is of de omstandigheid dat ABA de griffierechten (nog) niet heeft betaald en/of het feit dat de Albanese rechtbank de hoogte van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011 (nog) niet heeft vastgesteld, een beletsel vormt voor de erkenning van het Albanese vonnis in Nederland. In dit verband overweegt de rechtbank in navolging van de Hoge Raad in het Gazprombank-arrest (zie 4.3) als volgt: Ten aanzien van de vraag of de toewijzing van een vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv kan afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet of niet meer uitvoerbaar is, is van belang waarop de niet-uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing berust. In het kader van het (toentertijd) EEX-verdrag (thans EEX-Vo) is door het Hof van Justitie (HvJEG 29 april 199, C-267/97, NJ 2000 ,477) beslist dat het begrip ‘uitvoerbaar’ in (nu) artikel 38 lid 1 EEX-Vo uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing, en niet op voorwaarden waaronder die beslissing in de staat van herkomst ten uitvoer kan worden gelegd. Volgens het Hof van Justitie moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of een beslissing formeel gezien uitvoerbaar is, en de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om andere reden niet meer ten uitvoer gelegd kan worden. Van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor bedoeld is onder meer sprake indien tegen de beslissing in het land van herkomst een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld, dan wel de beslissing door een hogere rechter in het land van herkomst is vernietigd. Een dergelijk beletsel dient zich eveneens aan indien in de beslissing zelf is bepaald of daaruit voortvloeit dat deze slechts binnen een bepaalde termijn kan worden ten uitvoer gelegd en deze termijn nog niet is aangevangen dan wel reeds is verstreken. Onder een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor bedoeld kan echter niet worden verstaan de verjaring of het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de beslissing krachtens het recht van het land van herkomst daarvan, nu een en ander op zichzelf het gezag van de beslissing niet aantast. Er is geen grond om in geval van een vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv andere uitgangspunten te hanteren bij de beoordeling van beletselen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing dan hiervoor weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van een beletsel met betrekking tot de uitvoerbaarheid als hier bedoeld, rusten op degene die aanvoert dat sprake is van een dergelijk beletsel.

4.26.

Uit het vorenstaande volgt dat eventuele voorwaarden die gelden voor de executie van het Albanese vonnis in Albanië of omstandigheden waaronder het vonnis aldaar ten uitvoer kan worden gelegd, geen beletsel vormen voor de veroordeling op grond van artikel 431 lid 2 Rv en evenmin voor de tenuitvoerlegging in Nederland. Dergelijke aspecten tasten het gezag van de beslissing zelf immers niet aan. Voor zover de Albanese rechtbank aan de tenuitvoerlegging in Albanië van de veroordeling van Enel c.s. tot betaling van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011 aan ABA dus al de voorwaarde van betaling van de griffierechten heeft verbonden, heeft de omstandigheid dat ABA deze (nog) niet heeft voldaan op zichzelf niet tot gevolg dat sprake is van een beletsel voor de toewijzing van de vordering van ABA op grond van artikel 431 lid 2 Rv. Voldoende concrete aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen worden in de stellingen van Enel c.s. en de door haar ingebrachte opinies niet gezien.

4.27.

Ten aanzien van de vraag of het voor de erkenning van het Albanese vonnis in Nederland een beletsel vormt dat de Albanese rechtbank (nog) niet de hoogte van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011 heeft vastgesteld, herhaalt de rechtbank dat het aan Enel c.s. is - als degene die aanvoert dat sprake is van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Albanese vonnis - om voldoende gemotiveerd te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat van een dergelijk beletsel sprake is. De rechtbank is van oordeel dat Enel c.s. - mede gelet op de stellingen van ABA in samenhang gezien met de inhoud van het Albanese vonnis - niet aan haar stelplicht op dit punt heeft voldaan. Hierbij is van belang dat in het Albanese vonnis in de overweging die gaat over de toewijsbaarheid van de schadevergoeding over de periode 2005 tot en met 2011 (zie hiervoor onder 2.4) niet - met zoveel woorden - wordt vermeld dat er na het wijzen van het Albanese vonnis nog een rechterlijk oordeel dient te komen over de hoogte van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011. Daarbij komt dat ook in het dictum van het Albanese vonnis de veroordeling tot vergoeding van de schade wordt uitgesproken op basis van een formule, zonder dat daarin iets wordt vermeld over een nader door de Albanese rechtbank op basis van een berekening van de deskundigen vast te stellen bedrag. De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat - bij gebrek aan voldoende gestelde concrete aanwijzingen voor een andere conclusie - niet kan worden aangenomen dat nog een handeling van de Albanese rechtbank vereist is om tot een executabel vonnis te komen. Hetgeen Enel c.s. op dit punt - mede onder verwijzing naar de door haar overgelegde opinies - overigens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Dit betekent dat ook dit door Enel c.s. gestelde beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Albanese vonnis, geen doel treft.

4.28.

In de Nederlandse vertaling van het Albanese vonnis (zoals overgelegd door gedaagden en weergegeven onder 2.5) is vermeld dat ABA griffierechten dient te betalen “over het bedrag dat aan de hand van de berekening die de deskundigen (…) zullen maken, zal worden vastgesteld”. Op basis van deze formulering, bezien in samenhang met hetgeen hiervoor onder 4.27 is overwogen, houdt de rechtbank het ervoor dat voor de vaststelling van de exacte hoogte van de schadevergoeding die Enel c.s. over de jaren 2005 tot en met 2011 aan ABA is verschuldigd, de destijds door de Albanese rechtbank benoemde deskundigen een daartoe strekkende berekening dienen te maken met gebruikmaking van de formule zoals weergegeven in het dictum van het Albanese vonnis, zonder dat daarbij rechterlijke tussenkomst is vereist. ABA heeft de betreffende deskundigen verzocht een berekening van de schadevergoeding over de jaren 2005 tot en met 2011 te maken. Dit heeft geresulteerd in een door de deskundigen berekende schadevergoeding over die jaren van in totaal € 407.903.370,00, waarbij de deskundigen bij de berekening gebruik hebben gemaakt van de formule uit het dictum en openbare gegevens uit de op die jaren betrekking hebbende jaarverslagen van de beheerder van de energiemarkten in Italië (Gestore Mercati Energetici), waarvan de deskundigen ook in hun gerechtelijk deskundigen rapport voor het bepalen van de schadevergoeding over het jaar 2004 gebruik hadden gemaakt. Gelet op het voorgaande levert het door Enel c.s. gestelde - onder meer onder verwijzing naar een in haar opdracht opgestelde berekening door derde deskundigen waarbij de elektriciteitstarieven uit een andere zone in Italië zijn betrokken - geen grond op om niet van het schadebedrag van € 407.903.370,00 uit te gaan zoals berekend door de destijds door de Albanese rechtbank en nu - in navolging van de strekking van het Albanese vonnis - door ABA aangezochte deskundigen.

erkenning overig

4.29.

De rechtbank ziet in hetgeen Enel c.s. overigens nog heeft aangevoerd geen (althans onvoldoende) aanleiding om, ondanks dat aan alle vereisten uit het Gazprombank-arrest is voldaan, het Albanese vonnis niet op de voet van artikel 431 lid 2 Rv te erkennen. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Albanese vonnis zowel ten aanzien van de vordering tot betaling van € 25.188.500,00 (vordering 1) als ten aanzien van de vordering tot betaling van het bedrag van € 407.903.370,00 (vordering 2) op de voet van artikel 431 lid 2 Rv in Nederland kan worden erkend.

slotsom vorderingen 1 en 2 onder 3.1

4.30.

De slotsom van al het voorgaande is dat de primaire vorderingen 1 en 2 zoals vermeld onder 3.1 (hoofdelijke veroordeling van Enel c.s. tot betaling van in totaal € 433.091.870,00) zullen worden toegewezen. Bij deze stand van zaken behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking.

vordering 3 onder 3.1 (informatieverplichting op grond van artikel 475g Rv)

4.31.

ABA legt aan vordering 3 zoals weergegeven onder 3.1 ten grondslag dat gedaagden op grond van artikel 475g Rv en het arrest van de Hoge Raad van 20 september 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, Tripels/Masson) gehouden zijn jegens ABA om een allesomvattende, waarheidsgetrouwe en onderbouwde opgave te doen van haar volledige inkomens- en vermogenspositie, zowel in als buiten Nederland.

4.32.

Gedaagden voeren hiertegen verweer. Zij voeren daartoe samengevat aan dat ABA niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, ten aanzien van alle gedaagden wegens het ontbreken van een executoriale titel in Nederland, ten aanzien van Enelpower ook vanwege het ontbreken van vermogensbestanddelen in Nederland en ten aanzien van Enel ook vanwege het ontbreken van een verzoek van de deurwaarder. Daarnaast voeren zij onder meer aan dat het belang van ABA bij haar vorderingen ontbreekt, aangezien de conservatoire derdenbeslagen doel hebben getroffen voor ruim € 763 miljoen zodat zij voldoende zekerheid heeft dat haar vorderingen voldaan zullen worden.

4.33.

De rechtbank stelt voorop dat de verweren van gedaagden verweren ten principale zijn, die, indien zij doeltreffend zijn, tot afwijzing van de vordering en niet tot niet-ontvankelijkheid van ABA kunnen leiden. ABA is derhalve ontvankelijk in haar vorderingen.

4.34.

Naar de rechtbank begrijpt grondt ABA haar vordering tegen Enel c.s. op artikel 475g lid 1 Rv en tegen de Enel-dochters op artikel 475g lid 3 Rv.

Artikel 475g lid 1 Rv bepaalt dat een schuldenaar verplicht is aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bron van inkomsten op te geven. Artikel 475g lid 3 Rv bepaalt dat een deurwaarder die gerechtigd is tegen een schuldenaar beslag te leggen, bevoegd is aan degene van wie hij vermoedt dat deze aan de schuldenaar periodieke betalingen verricht of schuldig is, te vragen of dat juist is.

4.35.

De rechtbank overweegt dat het inwinnen van inlichtingen alleen geoorloofd is, indien de deurwaarder gerechtigd is tegen de schuldenaar beslag te leggen. Hiervan is sprake in het geval de deurwaarder in het bezit is van een (in Nederland geldige) executoriale titel (zie artikel 434 Rv). Daarvan is (nog) geen sprake. Het Albanese vonnis levert een dergelijke titel niet op, aangezien dit op zichzelf niet in Nederland executabel is. Voorts geldt dat ABA met het onderhavige eindvonnis weliswaar zal beschikken over een in Nederland geldige executoriale titel jegens gedaagden, maar dit maakt nog niet dat de vordering tot het verstrekken van informatie op grond van artikel 475g Rv toewijsbaar is, ook niet onder voorwaarden of tijdsbepaling, omdat thans nog onvoldoende is gebleken dat gedaagden, indien de deurwaarder hierom verzoekt, onwillig zouden zijn om de desgevraagde informatie te verschaffen. Reeds hierom zullen de vorderingen op grond van artikel 475g Rv worden afgewezen. Bij deze stand van zaken behoeven de overige stellingen van partijen op dit punt geen bespreking meer.

vorderingen 4 en 5 onder 3.1 (artikelen 467a, 476b, 477 en 477a Rv)

4.36.

ABA stelt ter onderbouwing van haar vorderingen 4 en 5 zoals weergegeven onder 3.1 dat de Enel-dochters op grond van de artikelen 476a en 476b Rv zijn gehouden om uiterlijk vier weken na het leggen van beslag deugdelijk, volledig en met stukken onderbouwd te verklaren welke goederen door het derdenbeslag zijn geraakt. Met betrekking tot het op 6 juni 2014 gelegde beslag had derhalve uiterlijk op 5 juli 2014 moeten worden verklaard welke goederen door het derdenbeslag zijn geraakt en met betrekking tot het op 19 september 2014 gelegde beslag had dat uiterlijk op 17 oktober 2014 moeten gebeuren. Ondanks herhaalde sommaties hebben de Enel-dochters over beide beslagleggingen pas op 24 oktober 2014 verklaard welke goederen door het derdenbeslag zijn geraakt. Hierbij komt - aldus nog steeds ABA - dat weliswaar wordt verklaard dat de beslagen doel hebben getroffen voor ruim € 763 miljoen, maar dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze beslagen effectief doel hebben getroffen. Er is namelijk niets verklaard over eventuele voor verrekening vatbare vorderingen en bovendien ontbreken onderliggende stukken. De verklaringen voldoen derhalve niet aan de vereisten die zijn neergelegd in de artikelen 476a en 476b Rv en moeten daarom worden geacht niet te zijn gedaan. De Enel-dochters zijn dan ook gehouden om alsnog verklaring te doen overeenkomstig de voornoemde bepalingen. Nu de Enel-dochters geen deugdelijke en onderbouwde verklaring hebben gedaan, zijn zij ingevolge artikel 477a Rv hoofdelijk aansprakelijk voor de hoofdsom althans op de voet van artikel 477 Rv gehouden tot afgifte van de geldsommen, aldus steeds ABA.

4.37.

De Enel-dochters voeren ter afwering van deze vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen allereerst aan dat ABA niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen gezien de afgifte van de derdenverklaringen op 24 oktober 2014, alsmede vanwege het gebrek aan belang bij de vorderingen en het ontbreken van een executoriale titel in Nederland. Verder voeren de Enel-dochters aan dat de vorderingen om de volgende redenen moeten worden afgewezen. ABA heeft geen belang bij haar vorderingen, aangezien het beslag blijkens de derdenverklaringen van 24 oktober 2014 doel heeft getroffen voor meer dan € 763 miljoen. ABA heeft dus het gewenste inzicht verkregen en geen belang bij een veroordeling van de Enel-dochters om enige nieuwe verklaring als bedoeld in de artikelen 476a Rv en 476b Rv te doen. Verder verplicht artikel 476a Rv tot een verklaring na vier weken, welke termijn niet als een fatale termijn kan worden aangemerkt. Van de Enel-dochters kon gelet op de omvang van de gelegde beslagen en het daarmee gemoeide belang niet gevergd worden op kortere termijn verklaring te doen, zodat zij geacht moeten worden tijdig aan hun verplichting te hebben voldaan. Dit brengt tevens mee dat de vorderingen ex artikelen 477 en 477a Rv moeten worden afgewezen. Bovendien staat in de conservatoire fase van het beslag geen beroep open op de artikelen 477 en 477a Rv. Tot slot worden de gevorderde termijnen en de gevorderde dwangsommen betwist.

4.38.

De rechtbank stelt voorop dat ook deze verweren van de Enel-dochters verweren ten principale zijn, die - indien zij doel treffen - niet tot niet-ontvankelijkheid van ABA leiden maar tot afwijzing van de vordering. ABA is derhalve ontvankelijk in haar vordering.

De rechtbank constateert dat de Enel-dochters hebben verklaard dat de derdenbeslagen doel hebben getroffen voor in totaal ruim € 763 miljoen en dat zij de verklaringen met onderliggende overeenkomsten hebben onderbouwd. ABA stelt dat uit de verklaringen niet blijkt in hoeverre de beslagen effectief doel hebben getroffen omdat er niets is verklaard over eventuele voor verrekening vatbare tegenvorderingen en onderliggende stukken ontbreken. De Enel-dochters hebben aangevoerd dat zij niets over tegenvorderingen hebben verklaard omdat die er niet zijn. Hiertegenover heeft ABA onvoldoende concrete aanknopingspunten gegeven die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de Enel-dochters voor verrekening vatbare tegenvorderingen hebben. Derhalve valt niet in te zien welke stukken de Enel-dochters dan nog zouden moeten overleggen.

De conclusie is dan ook dat de verklaringen door de Enel-dochters voldoen aan de hieraan in de artikelen 476a lid 2 en 476b Rv gestelde vereisten. Dit heeft tot gevolg dat ABA geen belang meer heeft bij haar vorderingen ex artikelen 476a en 476b Rv, die ertoe strekken dat de Enel-dochters nieuwe, juiste derdenverklaringen afleggen, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.

Het voorgaande brengt tevens mee dat ook de primaire vordering ex artikel 477a lid 1 Rv reeds daarom dient te worden afgewezen.

Met betrekking tot de subsidiaire vordering ex artikel 477 Rv overweegt de rechtbank dat de plicht tot afgifte op grond van artikel 720 Rv niet geldt in geval van conservatoir beslag. Die plicht gaat ingevolge artikel 723 Rv ook pas in tenminste vier weken na betekening van een executoriale titel als bedoeld in artikel 704 Rv. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

vordering 6 onder 3.1 (schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad)

4.39.

ABA stelt ter onderbouwing van vordering 6 zoals weergegeven onder 3.1 dat gedaagden op grond van artikel 6:166 BW (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van het in groepsverband frustreren van verhaalsacties van ABA, onder meer door te handelen in strijd met de informatieverplichtingen die zijn neergelegd in de artikelen 476a, 476b en 475g Rv. Kennelijk houden de Enel-dochters op instructie van Enel c.s. het voor verhaal vatbare vermogen van Enel c.s. buiten het zicht en het bereik van ABA. Dit blijkt onder meer uit een brief van de advocaat van Enel c.s. aan de deurwaarder waarin staat dat Enel c.s. met ABA in onderhandeling is over een bankgarantie en de deurwaarder “dus het aanschrijven van derde-beslagenen verder gerust achterwege (kan) laten”. Bovendien werken de Enel-dochters mee aan het niet-nakomen door Enel c.s. van de op Enel c.s. rustende verplichting om haar schulden aan ABA te voldoen en volledige medewerking aan executie van het Albanese vonnis te verlenen. De Enel-dochters profiteren ook van deze onrechtmatigheid, doordat zij ongehinderd hun activiteiten kunnen voortzetten zonder de beslagen en verhaalsacties van ABA te eerbiedigen. ABA heeft door dit onrechtmatig handelen schade geleden, die onder meer bestaat uit de verder oplopende rente, althans compensatoire interesten, de kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW, alle kosten - waaronder de onderzoeks- en advocaatkosten - die gemoeid zijn met de diverse verhaalsacties zoals onderhavige procedure en de kosten die, in het geval van niet-voldoen aan de wettelijke plicht ex artikel 476a Rv en/of afdracht ex artikel 477 Rv, nodeloos zijn veroorzaakt als bedoeld in artikel 477a lid 1 Rv. De exacte omvang kan thans nog onvoldoende worden bepaald en is (mede) afhankelijk van het verdere verloop van de verhaalsacties (in onder andere diverse jurisdicties), zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd.

4.40.

Gedaagden voeren hiertegen verweer. Zij voeren onder meer aan dat de Enel-dochters het beslag respecteren. Voorts betwisten zij dat de Enel-dochters op instructie van Enel c.s. vermogen aan het verhaal van ABA onttrekken. Op 24 oktober 2014 zijn derdenverklaringen door de Enel-dochters afgegeven, die voldoende informatie bieden. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake. De beslagen leggen wel degelijk druk op de dagelijkse bedrijfsvoering van de Enel-dochters nu de beslagen bedragen niet kunnen worden ingezet voor hun bedrijfsactiviteiten. Verder wordt de gestelde schade betwist.

4.41.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verwijt van ABA komt er kort gezegd op neer dat de Enel-dochters tezamen met Enel c.s. in groepsverband onrechtmatig jegens ABA handelen door verhaalsacties van ABA te frustreren.

ABA stelt hiertoe onder meer dat de derdenverklaringen niet tijdig en ondeugdelijk zijn gedaan. Hiervoor is reeds overwogen dat de verklaringen deugdelijk zijn gedaan, zodat de stelling van ABA op dit punt niet op gaat. Wat betreft het al dan niet tijdig verklaren overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 476a lid 1 Rv bepaalt dat zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, de derde verplicht is verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Aangenomen wordt dat het enkele verstrijken van die termijn niet tot verzuim leidt, maar dat eerst een redelijke termijn voor nakoming moet worden gesteld. In het onderhavige geval heeft de deurwaarder namens ABA met betrekking tot het eerste beslag een termijn gesteld tot 18 juli 2014 en met betrekking tot het tweede beslag een termijn gesteld tot 27 oktober 2014. Dit brengt mee dat de derdenverklaringen van 24 oktober 2014, die betrekking hadden op beide beslagen, te laat waren ten aanzien van het eerste beslag en tijdig waren ten aanzien van het tweede beslag.

Dat te laat verklaren ten aanzien van het eerste beslag levert op zichzelf echter nog niet het door ABA gestelde onrechtmatig handelen van gedaagden op. Daarvoor zijn bijkomende feiten en omstandigheden vereist. Dat van dergelijke feiten en omstandigheden sprake is kan op grond van het over en weer gestelde echter niet worden aangenomen. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagden, heeft ABA haar stelling dat de Enel-dochters in afstemming met Enel c.s. bewust informatie hebben achtergehouden om het voor verhaal vatbare vermogen van Enel c.s. buiten het zicht en het bereik van ABA te houden, onvoldoende nader onderbouwd, en ook overigens heeft ABA niet voldoende gesteld om aan te nemen dat gedaagden als groep onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Hierbij overweegt de rechtbank dat het opzettelijk frustreren van verhaalsacties niet in de door ABA aangehaalde brief valt te lezen en dat het verwijt dat ABA maakt ten aanzien van de executie van het Albanese vonnis onterecht is, aangezien Enel c.s. op basis van het Albanese vonnis tot de uitspraak in de onderhavige procedure geen in Nederland afdwingbare verplichting jegens ABA had. Daarbij komt dat gedaagden hebben betwist dat de Enel-dochters hun activiteiten in weerwil van de beslagen kunnen voortzetten.

Nu de conclusie is dat niet kan worden aangenomen dat van onrechtmatig handelen in groepsverband sprake is, is de vordering van ABA die ertoe strekt dat zij de door haar als gevolg daarvan geleden schade vergoed krijgt (vordering 6 zoals weergegeven onder 3.1), niet toewijsbaar. Hetgeen partijen overigens op dit punt nog hebben gesteld, maakt vorenstaande niet anders en kan daarmee verder onbesproken blijven.

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.42.

ABA vordert dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en stelt daartoe het volgende. De tussen partijen gevoerde procedure in Albanië heeft zeven jaar geduurd. Alle argumenten van Enel c.s. zijn daarbij reeds ten gronde beoordeeld en verworpen. Ook de poging van Enel c.s. bij het EHRM is gestrand. Enel c.s. heeft de uitkomst van het Albanese vonnis bovendien aanvaard door rechtsmiddelen in Albanië onbenut te laten. Een effectieve rechtsbescherming brengt onder meer mee dat een recht binnen een redelijke termijn ook daadwerkelijk geëffectueerd moet kunnen worden. Gelet op het voorgaande kan van ABA thans niet worden gevergd eventuele door Enel c.s. tegen het voorliggende vonnis (en daarop volgende uitspraken) in te stellen rechtsmiddelen af te wachten. Bovendien is ingevolge artikel 988 lid 2 Rv bij exequaturverlening het uitgangspunt dat een uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is. Artikel 987 Rv bepaalt voorts dat steeds met bekwame spoed verlof dient te worden verleend. Deze bepalingen die gelden bij exequaturverleningen gelden naar analogie voor de pseudo-exequaturverlening zoals in de onderhavige procedure aan de orde, aldus steeds ABA.

4.43.

Enel c.s. voert verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad en stelt daartoe onder meer - samengevat - dat er een groot restitutierisico bestaat bij een mogelijk andersluidend oordeel in hoger beroep, aangezien ABA een lege vennootschap is zonder noemenswaardige vermogensbestanddelen. Volgens de jaarrekening van ABA bedraagt de waarde daarvan over het jaar 2013 niet meer dan LEK 1,1 miljard, omgerekend ongeveer € 7,9 miljoen. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat ABA voor dat bedrag verhaal biedt, aangezien de jaarrekening niet is voorzien van een accountantsverklaring. Over de huidige stand van zaken of over de liquidatiewaarde van de activa van ABA is bovendien niets bekend. Daarbij komt dat tussen Nederland en Albanië geen erkennings- en executieverdrag geldt. Daarentegen bestaat er geen enkele reden om aan te nemen dat Enel c.s. uiteindelijk geen verhaal zou bieden, aldus steeds Enel c.s.

4.44.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat ABA in beginsel belang heeft bij de door haar gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit belang dient slechts te wijken voor het belang van Enel c.s. indien daaraan in het licht van alle omstandigheden van het geval meer gewicht toekomt dan aan het belang van ABA bij de door haar gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad. De rechtbank is van oordeel dat in het voorliggende geval het belang van ABA dient te wijken voor het belang van Enel c.s. bij het niet bij voorraad uitvoerbaar verklaren van dit vonnis. De rechtbank weegt hierbij met name mee dat tussen Nederland en Albanië geen executieverdrag van kracht is en dat de onderhavige financiële belangen uitermate groot zijn, zodat bij een eventuele andersluidende beslissing in hoger beroep sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. Dat van een dergelijk risico geen sprake is heeft ABA niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. Op grond van het voorgaande zal de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad worden afgewezen.

beslagkosten en daarover gevorderde rente

4.45.

ABA vordert Enel c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 43.956,98, bestaande uit kosten van de deurwaarder, zoals door ABA overgelegd als productie 59, welke opgave door Enel c.s. niet is betwist, te vermeerderen met € 1.216,00 aan griffierecht en € 6.422,00 (2 rekesten × tarief € 3.211,00) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten is als niet weersproken toewijsbaar als hierna vermeld.

proceskosten, nakosten en daarover gevorderde rente

4.46.

Enel c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van ABA worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 2.613,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 15.550,80

De gevorderde wettelijke rente daarover is als niet bestreden toewijsbaar.

4.47.

ABA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de Enel-dochters worden veroordeeld. Nu de Enel-dochters niet zijn bijgestaan door een afzonderlijke advocaat die afzonderlijke proceshandelingen heeft verricht, zullen de kosten aan de zijde van de Enel-dochters worden bepaald op nihil.

4.48.

De door ABA jegens Enel c.s. gevorderde nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

in reconventie

4.49.

Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de beslagen niet ten onrechte zijn gelegd, zodat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.

4.50.

Enel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABA worden begroot op € 904,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00) aan salaris advocaat.

De gevorderde wettelijke rente daarover is als niet bestreden toewijsbaar.

4.51.

De gevorderde nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

4.52.

De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is niet betwist en daarmee toewijsbaar.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Enel c.s. hoofdelijk om aan ABA te betalen € 433.091.870,00 (vierhonderddrieëndertig miljoen eenennegentigduizend achthonderdzeventig euro),

5.2.

veroordeelt Enel c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 43.956,98 te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit totale bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.3.

veroordeelt Enel c.s. hoofdelijk aan de zijde van ABA tot op heden begroot op € 15.550,80, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.4.

veroordeelt Enel c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

veroordeelt ABA in de proceskosten, aan de zijde van de Enel-dochters tot op heden begroot op nihil,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt Enel in de proceskosten, aan de zijde van ABA tot op heden begroot op € 904,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.9.

veroordeelt Enel in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Enel niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, voorzitter, mr. B. van Berge Henegouwen en mr. L.R. Wisse, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.1

1 *