Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5668

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
C/13/577217 / HA RK 14-389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet van pensioengerechtigde tegen rekening en verantwoording en plan van verdeling van pensioenfonds. Verzet ongegrond, nu volledige pensioenaanspraak al is overgedragen en niet wordt geraakt door vereffening. Begrip belanghebbende, tegenverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/577217 / HA RK 14-389

Beschikking van 8 september 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.H. Pelle te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS MERCURIUS AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. E. Lutjens te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoeker] en PMA genoemd.

Tijdens de mondelinge behandeling van 29 juni 2016 zijn tevens verschenen [naam 1], [naam 2] en [naam 3], lid respectievelijk [functie] respectievelijk [functie] van de Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam (hierna: de vereniging). [naam 1] , Van [naam 2] , [naam 3] en de vereniging worden hierna gezamenlijk genoemd: [vereniging]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 3 december 2014, met producties;

- de beschikking van 8 januari 2015, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de beschikking van 2 juni 2016, waarbij opnieuw een mondelinge behandeling is bepaald, met de daarin vermelde stukken;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 juni 2016.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

PMA, opgericht in 1936, is een ondernemingspensioenfonds in de zin van de Pensioenwet.

2.2.

Vanaf 1992, toen hij werkzaam was bij Euronext Amsterdam N.V., nam [verzoeker] deel in PMA en heeft hij uit dien hoofde pensioenafspraken opgebouwd. In 1998 heeft de volgende werkgever van [verzoeker] , die niet bij PMA was aangesloten, zijn pensioenregeling bij PMA voortgezet.

2.3.

[verzoeker] is in 2005 met pensioen gegaan.

2.4.

In 2008 is vastgesteld dat het minimaal vereiste vermogen dat de stichting op grond van de Pensioenwet moet aanhouden niet meer aanwezig was. Daarop heeft PMA bij de Nederlandse Bank (hierna: DNB) een kortetermijnherstelplan alsmede een langetermijnherstelplan ingediend, die er toe zouden moeten leiden dat de onderdekking ultimo 2013 opgeheven zou zijn.

2.5.

Omdat het herstel onvoldoende bleek, heeft PMA per 1 april 2013 een kortingsmaatregel op de pensioenen doorgevoerd. Nadien heeft zij nog tweemaaldergelijke maatregelen doorgevoerd, op 1 december 2013 respectievelijk 1 april 2014 (hierna: de extra kortingsmaatregelen).

2.6.

Alle bij PMA aangesloten werkgevers hebben hun uitvoeringsovereenkomst met PMA per 31 december 2013 opgezegd. Vanaf 1 januari 2014 vond daarom geen verdere pensioenopbouw plaats binnen PMA.

2.7.

Op 20 september 2013 heeft het bestuur van PMA een voorgenomen besluit tot liquidatie van PMA genomen.

2.8.

Het voorgenomen besluit tot liquidatie hield onder meer ook in het voornemen tot overdracht van alle bij PMA tot 1 januari 2014 opgebouwde pensioenaanspraken naar andere pensioenuitvoerders. Een deel van de pensioenaanspraken - waaronder die van [verzoeker] - heeft PMA reeds overgedragen aan Delta Lloyd.

2.9.

Bij dagvaarding van 11 februari 2014 heeft [verzoeker] jegens PMA een kantonprocedure (hierna: de kantonprocedure) aanhangig gemaakt. Daarin heeft hij - na wijziging van eis - gevorderd (hierna: de vordering): een verklaring voor recht dat de extra kortingsmaatregelen in strijd zijn met de Pensioenwet en veroordeling van PMA om de extra kortingsmaatregelen met terugwerkende kracht ongedaan te maken en een nabetaling te verrichten, te vermeerderen met rente.

2.10.

Het bestuur van PMA heeft op 29 september 2014 de rekening en verantwoording van vereffening en het plan van verdeling vastgesteld.

2.11.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 augustus 2015 de vordering van [verzoeker] afgewezen.

2.12.

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. De hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam duurt nog voort.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] komt bij dit verzoekschrift in verzet tegen de rekening en verantwoording van vereffening en het plan van verdeling (hierna: het verzet) en verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking het verzet gegrond te verklaren, PMA te veroordelen het onherroepelijk eindvonnis in de kantonzaak af te wachten en tot dan niet tot uitkering van het batig saldo over te gaan, alsmede om hieraan in een openbare mededeling op de wijze zoals voorzien in artikel 2:23b lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bekendheid te geven, met veroordeling van PMA in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. De vereffenaars van PMA zijn verplicht bij de vereffening van de zaken van PMA en bij de liquidatie de belangen der begunstigde of te begunstigen personen te regelen op basis van de geldende statuten en reglementen. Bij de vereffening en verdeling van het vermogen van PMA hebben vereffenaars zich ook te richten naar de belangen van de gewezen werknemers van de aangesloten ondernemingen aan wie op grond van die regeling door hun toenmalige werkgever een toezegging is gedaan. Nu blijkt dat de vereffenaars van PMA de vordering van [verzoeker] niet erkennen en zij ook niet bereid zijn om de uitkomst van de kantonprocedure af te wachten, heeft [verzoeker] belang bij zijn verzoek, aldus [verzoeker] .

3.3.

PMA en [vereniging] voeren ieder afzonderlijk gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna - indien nodig - nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

[vereniging] geen belanghebbende

4.1.

[vereniging] hebben ter terechtzitting verzocht om te worden aangemerkt als belanghebbenden en stellen hiertoe het volgende. Belanghebbende is een ruim begrip. De vordering van [vereniging] was ten tijde van de verzetstermijn als bedoeld in artikel 2:23b lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) nog niet bekend en staat daarom verzet niet in de weg. [vereniging] hebben direct belang bij de uitkomst van de verzetsprocedure, omdat als het verzet wordt afgewezen PMA ophoudt te bestaan en het voorgenomen plan van verdeling geen rekening houdt met de belangen van [vereniging] en mogelijke baten. [vereniging] wensen daarom als belanghebbenden een tegenverzoek te doen inhoudende dat het vereffenaars wordt verboden om verdere baten van PMA uit te keren totdat een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak is gedaan over de vorderingen van [vereniging]

4.2.

In essentie bestaat het door [vereniging] gestelde belang dus uit het belang dat [vereniging] hebben bij het instellen van het door hen genoemde tegenverzoek. Dit is echter geen belang dat [vereniging] belanghebbenden maakt in onderhavige procedure. Voor het instellen van het door [vereniging] gewenste verzoek bestaat een zelfstandige rechtsingang, te weten de in artikel 2:23b lid 5 BW bedoelde verzetsprocedure. Het feit dat de in artikel 2:23b lid 5 BW genoemde termijn mogelijk is verlopen maakt dit niet anders. Een andere conclusie zou betekenen dat de genoemde termijn omzeild kan worden door in te breken in een andere lopende verzetsprocedure. Dit is niet een belang waarvoor de mogelijkheid om als belanghebbende in een verzoekschriftprocedure op te kunnen treden, is bedoeld.

4.3.

Van een ander, eigen belang bij de verzoekschriftprocedure van [verzoeker] is niet gebleken. Deze procedure ziet immers op het verzoek van [verzoeker] om verweerder PMA te veroordelen een onherroepelijk eindvonnis af te wachten in de door [verzoeker] aangespannen bodemprocedure. Nu deze bodemprocedure uitsluitend betrekking heeft op een vordering van [verzoeker] ten aanzien van PMA regardeert het verzoek van [verzoeker] [vereniging] dan ook niet. [vereniging] worden dan ook niet aangemerkt als belanghebbende in deze procedure en van het door [vereniging] genoemde tegenverzoek kan dan ook geen sprake zijn.

Ontvankelijkheid

4.4.

Deze verzoekschriftprocedure betreft het verzet dat [verzoeker] ingevolge
artikel 2:23b BW heeft gedaan tegen de rekening en verantwoording van vereffening en het plan van verdeling zoals dat door het bestuur van PMA is opgesteld. [verzoeker] is daartegen tijdig in verzet gekomen en is zodoende ontvankelijk in zijn verzet.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

In de kantonprocedure twisten partijen over de rechtmatigheid van de extra kortingsmaatregelen en de daarvan afhankelijke vraag of PMA de extra korting aan [verzoeker] met terugwerkende kracht moet terugbetalen. Het geschil gaat derhalve over de pensioenaanspraak van [verzoeker] , en in het bijzonder het deel daarvan dat door PMA wordt betwist.

4.6.

In de onderhavige procedure heeft [verzoeker] aan zijn verzet de stelling ten grondslag gelegd dat zijn pensioenaanspraak door de liquidatie van PMA wordt aangetast. PMA heeft deze stelling betwist en daarbij gewezen op het volgende, hetgeen [verzoeker] niet heeft weersproken. De reeds voltooide overdracht van de pensioenaanspraak van [verzoeker] aan Delta Lloyd behelst alle pensioenverplichtingen van PMA jegens [verzoeker] , en dus ook de niet bekende en/of niet juist geregistreerde pensioenverplichtingen. In die laatste categorie valt ook het door PMA betwiste deel van de pensioenaanspraak van [verzoeker] dat zoals hiervoor vermeld onderwerp van geschil is in de kantonprocedure. Dat betekent dat de (volledige) pensioenaanspraak van [verzoeker] - waar deze dan ook op zal worden vastgesteld - niet wordt geraakt, laat staan geschaad door de vereffening van PMA. Daarmee heeft [verzoeker] geen rechtens te respecteren belang bij zijn verzet dat er juist op is gericht dat de uitkomst van de kantonprocedure wordt afgewacht voordat de vereffening van PMA plaatsvindt. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog opgemerkt dat hij óók PMA aan wil kunnen spreken, omdat de kans bestaat dat Delta Lloyd als relatief zwakke verzekeraar failliet zal gaan. Dit verweer heeft [verzoeker] echter niet concreet onderbouwd, zodat het hier onbesproken kan blijven.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzet ongegrond is. De rechtbank ziet aanleiding om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten aan de zijde van PMA worden tot op heden begroot op:

- griffierecht

613,00

- salaris gemachtigde

904,00

(2 punten × tarief € 452,00)

- totaal

1.517,00

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van PMA tot op heden begroot op € 1.517,00,

5.3.

verklaart deze beschikking wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.T. Beuving, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2016.