Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5652

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
CV EXPL 16-8594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bemiddelingskosten bij het tot stand brengen van een huurovereenkomst woonruimte. Hoge Raad 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3099. De betreffende woning werd niet geadverteerd op een website, hoewel de aspirant huurder in contact was gekomen met de bemiddelaar naar aanleiding van vermelding van andere woningen op een website. Bemiddelingskosten niet onverschuldigd betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2016/41 met annotatie van mr. E. de Bie
NJF 2016/440

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 4902088 CV EXPL 16-8594

vonnis van: 23 augustus 2016

fno.: 562

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: [gemachtigde]

t e g e n

1. de vennootschap onder firma Housingnet V.O.F.
gevestigd te Amsterdam-Duivendrecht

2. [gedaagde sub 2]
wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde sub 3]
wonende te [woonplaats]
gedaagden
nader te noemen: Housingnet

gemachtigde: DAS Rechtsbijstand

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaardingen van 3 maart 2016, met producties;

  • -

    conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    instructievonnis van 3 mei 2016;

  • -

    conclusie van repliek;

  • -

    conclusie van dupliek;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[eiser] en zijn partner zochten woonruimte in Amsterdam. [eiser] (althans zijn partner, mede namens hem) heeft zich op 17 november 2014 tot Housingnet gewend omdat op de website van Housingnet woonruimte aan de Rustenburgerstraat te Amsterdam te huur werd aangeboden. [eiser] heeft die woonruimte op 20 november 2014 door tussenkomst van Housingnet bezichtigd. [eiser] heeft besloten geen huurovereenkomst met betrekking tot die woonruimte aan te gaan.

1.2.

[eiser] heeft in een e-mail van 21 november 2014 aan Housingnet gevraagd om de woonruimte aan de [adres 1] te bezichtigen. Die woonruimte aan de [adres 1] werd eveneens op de website van Housingnet te huur aangeboden.

1.3.

Er is een afspraak tussen [eiser] en Housingnet gemaakt voor een bezichtiging van de woonruimte aan de [adres 1] . De bezichtiging zou plaatsvinden op 21 november 2014 om 16.30 uur.

1.4.

Omdat de woonruimte aan de [adres 1] toch niet voor verhuur aan [eiser] beschikbaar bleek te zijn, heeft Housingnet op 21 november 2014 om 14.06 uur aan [eiser] gemaild, voor zover hier van belang:
(…)
Kleine wijziging, we spreken af op de [adres 2] Dat is een straat ernaast! (…)

1.5.

De woonruimte aan de [adres 2] werd niet op de website van Housingnet te huur aangeboden.

1.6.

[eiser] heeft aan Housingnet kenbaar gemaakt de woning aan de [adres 2] te willen (gaan) huren.

1.7.

[eiser] heeft op 26 november 2014 als opdrachtgever een schriftelijke “opdracht tot dienstverlening” ondertekend. Daarin is vastgelegd dat Housingnet als opdrachtnemer werkzaamheden voor [eiser] zal verrichten met betrekking tot het “huurobject” [adres 2] te Amsterdam. In de “opdracht tot dienstverlening” worden de door Housingnet te verrichten werkzaamheden omschreven. Die werkzaamheden hebben – samengevat – betrekking op het verrichten van bemiddelingswerkzaamheden bij het tot stand brengen van een huurovereenkomst voor [eiser] met betrekking tot de woning aan de [adres 2] Als “aanhuurkosten” wordt in de opdracht tot dienstverlening vermeld: “€ 1.266,50 te weten één bruto maandhuur excl. BTW”.

1.8.

Na verdere bemoeienissen door Housingnet is een huurovereenkomst tussen [eiser] en de verhuurder gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres 2]

1.9.

Housingnet heeft [eiser] een factuur toegestuurd voor een bedrag van
€ 1.266,50 inclusief BTW. [eiser] heeft dat bedrag aan Housingnet betaald.

1.10.

[eiser] heeft Housingnet bij brief van 21 oktober 2015 doen sommeren het bedrag van € 1.266,50 binnen twee weken aan hem terug te betalen. Die sommatie is bij brief van 14 december 2015 herhaald. Bij gebreke van voldoening werd in die brief tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Housingnet is niet overgegaan tot betaling van
€ 1.266,50 aan [eiser] .

Vordering

2. [eiser] vordert dat Housingnet, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zullen worden tot betaling van:
a. € 1.266,50 aan hoofdsom;
b. € 229,87 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. wettelijke rente vanaf 5 januari 2015
e. de proceskosten.

3. [eiser] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat hij uitsluitend heeft gereageerd op het woningaanbod zoals dat door Housingnet op haar website werd gepresenteerd. Vlak voor de geplande bezichtiging van de woning aan de [adres 1] werd hij door Housingnet naar de woning aan [adres 2] geleid. Daarmee is volgens [eiser] geen overeenkomst van opdracht tussen hem en Housingnet tot stand gekomen. Ook daarna is volgens [eiser] door hem geen opdracht aan Housingnet gegeven waarop een betalingsverplichting van hem jegens Housingnet kan worden gebaseerd. De betaling door [eiser] aan Housingnet is volgens hem om die reden onverschuldigd verricht. Verder moet Housingnet als lasthebber van de verhuurder worden aangemerkt. Ook om die reden heeft [eiser] de bemiddelingskosten op grond van artikel 7:427 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto 7:417 BW en 7:418 BW onverschuldigd aan Housingnet betaald. Housingnet is op grond van het voorgaande gehouden om de door [eiser] betaalde bemiddelingskosten van
€ 1.266,50, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en rente, aan hem terug te betalen, aldus [eiser] .


Verweer

4. Housingnet heeft de vordering betwist. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd komt hierna aan de orde voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

Beoordeling

5. [eiser] bestrijdt dat hij Housingnet een opdracht heeft gegeven een huurwoning voor hem te zoeken en dat hij daartoe een zoekopdracht aan Housingnet heeft gegeven. Dat laat echter onverlet – daaraan gaat [eiser] ten onrechte voorbij – dat hij, nadat hij via Housingnet er van op de hoogte raakte dat de woning aan de [adres 2] te huur werd aangeboden een “opdracht tot dienstverlening” heeft ondertekend.

6. Die “opdracht tot dienstverlening” behelst inderdaad geen opdracht tot het zoeken naar een huurwoning. Uit dat schriftelijk stuk (overgelegd als productie 10 bij de dagvaarding en hiervoor in r.o. 1.7 genoemd) blijkt echter wel onmiskenbaar dat [eiser] daarbij opdracht aan Housingnet geeft om namens hem de nodige werkzaamheden te verrichten ten einde een huurovereenkomst met de verhuurder tot stand te brengen met betrekking tot de woning aan de [adres 2] waarop [eiser] door Housingnet was gewezen. Die werkzaamheden hielden onder meer (dus naast andere werkzaamheden) in:
- het voeren van prijsonderhandelingen over de hoogte van de huurprijs en de waarborgsom;
- het voeren van onderhandelingen omtrent zaken zoals opleverdatum, gewenste aanpassingen en opleverniveau van de woning;
- het voeren van onderhandelingen over de bepalingen van de huurovereenkomst;
- coördinatie van de sleuteloverdracht.
Verder is in die “opdracht tot dienstverlening” vermeld dat tussen partijen is overeengekomen dat [eiser] voor het verrichten van die werkzaamheden door Housingnet een bedrag van € 1.266,50 aan Housingnet verschuldigd zal zijn.
Dat, zoals [eiser] betoogt, het document (dat wil zeggen: de “opdracht tot dienstverlening”) uitsluitend kan worden beschouwd als bevestiging van zijn intentie tot het (gaan) huren van de woonruimte, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te verenigen met hetgeen in dat schriftelijk stuk tussen partijen is vastgelegd. Het standpunt van [eiser] dat geen overeenkomst tussen hem en Housingnet tot stand is gekomen, wordt verworpen.

7. Het betoog van [eiser] dat hij niet de vergoeding verschuldigd is die in de “opdracht tot dienstverlening” is vastgelegd omdat op het moment van ondertekening daarvan de totstandkoming van de huurovereenkomst vrijwel in kannen en kruiken was, faalt reeds omdat werkzaamheden als bedoeld in de “opdracht tot dienstverlening” onbetwist door Housingnet ten behoeve van [eiser] zijn verricht.

8. De “opdracht tot dienstverlening” is gelet op de inhoud daarvan te kwalificeren als bemiddelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:425 BW. Op die bemiddelingsovereenkomst tussen [eiser] en Housingnet is via artikel 7:427 BW, artikel 7:417 lid 4 BW van toepassing.

9. Van belang is dan ook of naast de bemiddelingsovereenkomst tussen [eiser] en Housingnet ook een bemiddelingsovereenkomst tussen Housingnet en de verhuurder van de woning aan de [adres 2] bestond omdat in dat geval op grond van artikel 7:417 lid 4 BW niet kan worden afgesproken dat de (aspirant) huurder courtage aan de bemiddelaar moet betalen, ook niet als aan de verhuurder geen courtage in rekening wordt gebracht. De reden daarvan is dat artikel 7:417 lid 4 BW niet alleen beoogt te voorkomen dat een bemiddelaar zoals Housingnet voor het tot stand brengen van één huurovereenkomst twee keer courtage in rekening brengt, maar ook dat bij tweezijdige bemiddeling alleen de (aspirant) huurder courtage zou moeten betalen.

10. Housingnet heeft betwist dat zij (ook) als lasthebber van de verhuurder van de woning aan de [adres 2] is opgetreden. Zij heeft aangevoerd dat geen bemiddelingsovereenkomst tussen haar en die verhuurder is gesloten. Housingnet heeft dat standpunt onderbouwd met een schriftelijke verklaring van de verhuurder waarin deze de juistheid van het standpunt van Housingnet heeft bevestigd.

11. Door [eiser] is niet bestreden dat, zoals eveneens door Housingnet is aangevoerd, de woning aan de [adres 2] niet als te huur staand op de website van Housingnet werd aangeboden. Dat uit het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099) – kort gezegd – volgt dat uit de vermelding van een te huur staande woning op de website van een bemiddelaar in beginsel afgeleid dient te worden dat een bemiddelingsovereenkomst tussen die bemiddelaar en de verhuurder van die woning is gesloten, is voor de onderhavige zaak dus niet relevant of van belang.

12. [eiser] heeft niets naar voren gebracht ter weerlegging van de hiervoor in r.o. 10 weergegeven feitelijke betwisting van Housingnet. De stelling dat Housingnet wel als lasthebber van de verhuurder moet worden aangemerkt omdat zij de woonruimte aan de [adres 2] aan [eiser] te huur aanbood, kan niet als zo’n betwisting worden aangemerkt. Andere feiten of omstandigheden die tot de slotsom zouden kunnen leiden dat tussen Housingnet en de verhuurder van de woning aan de [adres 2] een bemiddelingsovereenkomst met betrekking tot die woning is gesloten, zijn evenmin door [eiser] gesteld. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn ook niet anderszins gebleken.

13. Het vorengaande brengt met zich dat artikel 7:417 lid 4 BW er niet aan in de weg staat dat Housingnet loon wegens bemiddeling bij het tot stand brengen van de huurovereenkomst aan [eiser] in rekening heeft gebracht. De vordering van [eiser] is niet toewijsbaar.

14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van Housingnet tot op heden begroot worden op € 300,-- aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 75,-- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.