Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5649

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
KK EXPL 16-956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster had de aanzegging (artikel 7:668 BW) van de werkgever, die in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold, moeten opvatten als een opzegging nu zij zelf uitging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en heeft laten blijken de aanzegging van de werkgever ook op te vatten als beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De (verval)termijn van 2 maanden (artikel 7:686a lid 4 sub a BW) om de nietigheid van de opzegging in te roepen is inmiddels verstreken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 667
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0993
JAR 2016/235 met annotatie van mr. J. Dop
JIN 2016/218 met annotatie van R. de Vos
AR 2016/2574
Prg. 2016/265
JAR 2016/235 met annotatie van mr. J. Dop

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5250118 KK EXPL 16-956

vonnis van: 24 augustus 2016

func.: 562

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. H. Dogan

t e g e n

de besloten vennootschap Kinderopvang 't Zonnehoekje B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: ‘t Zonnehoekje

gemachtigde: mr. L.M. Seriese

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 28 juli 2016, met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 16 augustus 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is verschenen, alsmede haar gemachtigde. Namens ’t Zonnehoekje is [naam] , en de gemachtigde verschenen. ’t Zonnehoekje heeft ter zitting producties in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van ’t Zonnehoekje aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

Partijen zijn op 14 april 2014 een arbeidsovereenkomst aangegaan. Het betrof een zogenoemde “nul-urenovereenkomst” op basis waarvan [eiseres] bij ’t Zonnehoekje in dienst is getreden van 22 april 2014 tot en met 23 april 2015.

1.2.

In een brief van 2 maart 2015 van ’t Zonnehoekje aan [eiseres] , welke door beide partijen is ondertekend, heeft ’t Zonnehoekje aan [eiseres] medegedeeld – voor zover hier van belang – dat de arbeidsovereenkomst met [eiseres] werd verlengd tot 23 april 2016.

1.3.

Een brief van 30 juni 2015 van ’t Zonnehoekje (opgesteld en ondertekend door “ [naam 2] ’t Zonnehoekje”, hierna: [naam 2] ) aan [eiseres] houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
(…)
Hierbij bevestig ik onze afspraak dat je contract met ingang van 1 juli 2015 wordt omgezet naar een vaste aanstelling voor 28 uur in de week. (…)
Je werkzaamheden zijn verdeeld over maximaal 5 dagen (…).
(…)

1.4.

Een brief van 10 maart 2016 van ’t Zonnehoekje aan [eiseres] houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
(…)
Hierbij delen wij u mede dat uw arbeidsovereenkomst met Kinderopvang ’t Zonnehoekje op 23 april 2016 afloopt.
Per de vervaldatum zal uw contract helaas niet verlengd worden door omstandigheden.
(…)

1.5.

[eiseres] is na 23 april 2016 niet meer door ’t Zonnehoekje ingezet voor haar werkzaamheden en ’t Zonnehoekje heeft over de na die datum gelegen periode geen salaris meer aan [eiseres] betaald.

1.6.

Bij brieven van 28 april 2016 en 13 mei 2016 is namens [eiseres] aan ’t Zonnehoekje medegedeeld dat [eiseres] zich op het standpunt stelt dat vanaf 1 juli 2015 tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt en is ’t Zonnehoekje gesommeerd tot doorbetaling van het salaris.

Vordering

2. [eiseres] vordert ’t Zonnehoekje bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, zakelijk weergegeven:
I. te veroordelen tot nakoming van de arbeidsovereenkomst;
II. te veroordelen [eiseres] toe te laten om haar werkzaamheden te hervatten;
III. te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het salaris over de periode vanaf 23 april 2016 en vakantiegeld;
IV. te veroordelen om het loon gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst aan [eiseres] te voldoen;
V. te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente.

3. [eiseres] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat tussen haar en ’t Zonnehoekje een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Zij beroept zich daarbij op de hiervoor weergegeven brief van 30 juni 2015. Die arbeidsovereenkomst is niet op rechtsgeldige wijze beëindigd en is volgens [eiseres] dus nog onverkort van kracht. De brief 10 maart 2016 van ’t Zonnehoekje is niet als rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst aan te merken. Omdat de arbeidsovereenkomst ook niet op een andere manier is beëindigd is ’t Zonnehoekje gehouden tot nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] uit die overeenkomst, waaronder doorbetaling van het salaris, aldus [eiseres] .


Verweer

4. ’t Zonnehoekje heeft de vordering bestreden. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna worden ingegaan voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

Beoordeling

5. ’ ’t Zonnehoekje voert aan dat als gevolg van de brief van 30 juni 2015 geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. De brief is namelijk opgesteld en ondertekend door [naam 2] en was niet aan ’t Zonnehoekje bekend. [naam 2] is echter volgens ’t Zonnehoekje niet bevoegd namens haar arbeidsovereenkomsten te sluiten of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens ’t Zonnehoekje kan [eiseres] dan ook geen rechten ontlenen aan de brief van 30 juni 2015.

5. ’ Dat verweer treft geen doel. Bij de mondelinge behandeling is voorshands voldoende komen vast te staan dat [eiseres] , ook vóór 30 juni 2015, bijvoorbeeld ten tijde van de verlenging van het contract in maart 2015, met [naam 2] heeft gesproken over de voor haar geldende contractvoorwaarden en dat [naam 2] binnen de organisatie van ’t Zonnehoekje voor [eiseres] de aangewezen persoon was om daarover afspraken te maken. Doordat [naam 2] die positie was gegeven, althans doordat [naam 2] de vrijheid was gelaten dergelijke afspraken te maken, mocht [eiseres] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid aannemen dat [naam 2] daartoe bevoegd was en kan ’t Zonnehoekje op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep doen.

5. ’ Verder betoogt ’t Zonnehoekje dat de brief van 30 juni 2015 aan [eiseres] uitsluitend de bevestiging bevat dat de overeenkomst die op dat moment gold, werd gewijzigd van een nul-urencontract in een dienstverband met een vast aantal werkuren, namelijk 28 uur per week. Het bepaalde tijd-karakter van de vigerende arbeidsovereenkomst bleef volgens ’t Zonnehoekje echter onverkort gelden.

5. ’ Dat betoog is niet op één lijn te stellen met hetgeen [naam 2] ter zitting heeft verklaard. [naam 2] heeft desgevraagd namelijk toegelicht:
- dat zij in juni 2015 met [eiseres] heeft gesproken omdat [eiseres] een vast aantal werkuren én een vaste aanstelling wenste;
- dat [eiseres] “dat heeft uit onderhandeld” omdat ’t Zonnehoekje [eiseres] niet graag zag vertrekken;
- dat zij – [naam 2] – ermee heeft ingestemd dat, zoals zij in de brief van 30 juni 2015 aan [eiseres] heeft bevestigd, zowel een vaste aanstelling aan [eiseres] werd gegeven als een vast aantal uren, namelijk 28 uur per week.
Met de woorden “vaste aanstelling” die in de brief van 30 juni 2015 worden gebruikt, is door [naam 2] blijkens haar toelichting op de zitting naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet anders bedoeld dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 28 uur per week met [eiseres] aan te gaan. Het verweer van ’t Zonnehoekje wordt verworpen.

5. ’ Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt dan ook tot uitgangspunt genomen dat, zoals in de brief van 30 juni 2015 is vastgelegd, met ingang van 1 juli 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen tot stand is gekomen.

5. ’ ’t Zonnehoekje heeft betoogd dat [eiseres] in februari 2016 een brief bij haar heeft ingeleverd waarin zij ontslag nam omdat zij bij de onderneming van haar vader of haar schoonvader in dienst wilde treden. ’t Zonnehoekje is niet in staat die ontslagbrief over te leggen omdat de brief door een mysterieuze oorzaak uit het personeelsdossier van [eiseres] is verdwenen. Volgens ’t Zonnehoekje heeft zij [eiseres] gevraagd of zij wel zeker wist dat zij haar dienstverband wilde beëindigen. Uit door ’t Zonnehoekje overgelegde interne e-mails uit februari 2016, waarin aan de orde wordt gesteld wat de laatste werkdag van [eiseres] zal zijn en of zij voor het einde van het dienstverband haar openstaande vakantiedagen nog zal opnemen, blijkt volgens ’t Zonnehoekje echter dat [eiseres] in februari 2016 wel degelijk zelf ontslag heeft genomen. ’t Zonnehoekje heeft met ingang van 18 april 2016 een nieuwe medewerkster in dienst genomen ter vervanging van [eiseres] . Omdat [eiseres] haar dienstverband heeft beëindigd, is haar aanspraak op doorbetaling van loon en wedertewerkstelling ongegrond, aldus ‘t Zonnehoekje.

5. ’ Op ’t Zonnehoekje rust in een bodemprocedure naar verwachting de bewijslast van haar stelling dat [eiseres] zelf ontslag heeft genomen. Aan dat bewijs zullen hoge eisen worden gesteld, in die zin dat vast zal dienen komen te staan dat [eiseres] zich duidelijk en ondubbelzinnig over haar ontslagname heeft geuit. In het kader van onderhavig kort geding is onzeker dat ’t Zonnehoekje in die bewijslevering zal gaan slagen. Het verweer van ’t Zonnehoekje kan om die reden niet aan toewijzing van de gevraagde voorziening in de weg kan staan. Dat verweer treft dan ook geen doel.

5. ’ Omdat [eiseres] bleef spreken over indiensttreding bij de onderneming van haar vader of schoonvader en zij geen gemotiveerde medewerkster meer in [eiseres] zag, heeft ’t Zonnehoekje, mede gelet op eventuele WW-aanspraken van [eiseres] , zekerheidshalve bij brief van 10 maart 2016 aangezegd, in de veronderstelling verkerend dat nog een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold, dat het dienstverband op 23 april 2016 zou eindigen. Die aanzegging heeft volgens ’t Zonnehoekje in de gegeven omstandigheden als opzegging te gelden. ’t Zonnehoekje voert aan dat [eiseres] op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW binnen twee maanden na 23 april 2016, dus vóór 23 juni 2016 door middel van het indienen van een verzoekschrift een bodemprocedure had dienen aan te vangen om vernietiging van de opzegging te bewerkstelligen. Dat heeft [eiseres] echter nagelaten.

5. ’ Hoewel dat niet geheel duidelijk is – de gemachtigde van [eiseres] heeft daar ter zitting weinig helderheid over gegeven – lijkt [eiseres] zich daar tegenover op het standpunt te stellen dat überhaupt niet is opgezegd, omdat de aanzegging van 10 maart 2016 geen opzegging is. [eiseres] heeft dan ook nog alle gelegenheid om een vordering tot nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door ’t Zonnehoekje in een bodemprocedure aanhangig te maken omdat daarop de door ’t Zonnehoekje genoemde termijn van twee maanden niet van toepassing is.
.

5. ’ De kantonrechter overweegt als volgt. Dat de werknemer, indien deze werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, op grond van artikel 7:668 BW tijdig door de werkgever behoort te worden geïnformeerd (“aangezegd”) over het al niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, neemt niet weg dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op grond van artikel 7:667 lid 1 BW van rechtswege eindigt (behoudens hetgeen in lid 2 van dat artikel is bepaald) wanneer de tijd die bij de overeenkomst is aangegeven, is verstreken. Voor de beëindiging van een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, is daarentegen voorafgaande opzegging nodig (artikel 7:667 lid 6 BW). Het is dan ook juist dat de aanzegging niet zonder meer als opzegging kan gelden. In het onderhavige geval moet naar voorlopig oordeel van de kantonrechter de aanzegging van ’t Zonnehoekje echter wel als opzegging gelden. Daarvoor is het volgende redengevend.

5. ’ Met de aanzeggingsbrief van 10 maart 2016 beoogde ’t Zonnehoekje aan [eiseres] duidelijk te maken dat wat haar betreft de arbeidsovereenkomst per 23 april 2016 zou eindigen. Dat wordt niet anders doordat ’t Zonnehoekje daarbij veronderstelde dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold. [eiseres] had deze mededeling, nu zij zelf uitging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en de mededeling betrekking had op het einde van die overeenkomst, moeten opvatten als een opzegging. [eiseres] heeft de mededeling van ’t Zonnehoekje ook daadwerkelijk opgevat als beëindiging van haar dienstverband. Daarom heeft zij immers bij brieven (van haar gemachtigde) van 28 april 2016 en 13 mei 2016, die niet zijn overgelegd maar waarvan de inhoud ter zitting is toegelicht, geprotesteerd tegen die beëindiging, zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van werkzaamheden en aanspraak gemaakt op doorbetaling van haar salaris.
Omdat de brief van 10 maart 2016 door [eiseres] was op te vatten als opzegging en de facto blijkens de brieven van 28 april 2016 en 13 mei 2016 door haar ook op die manier is opgevat, had zij vervolgens binnen de termijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW de nietigheid daarvan dienen in te roepen. Nu deze (verval)termijn inmiddels is verstreken en dus geen bodemprocedure meer door haar aangevangen kan worden, althans niet met te verwachten succes, is geen plaats voor het treffen van een voorziening in kort geding waarmee op een voor [eiseres] gunstige beslissing in een bodemprocedure vooruit wordt gelopen.

5. ’ De vorderingen van [eiseres] zijn dus niet toewijsbaar. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van ’t Zonnehoekje gevallen, tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.