Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5478

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
C/13/612071/KG ZA 16-864 CB/EB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De aanspraak van een voormalig CEO van Linx Telecom op vergoeding door PwC van de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van een door PwC uitgebracht rapport, is ongegrond. Dat heeft de voorzieningenrechter vandaag beslist. PwC had op verzoek van Linx onderzoek gedaan naar – kort gezegd – de geloofsbrieven van de voormalig bestuurder en is in een rapport tot de conclusie gekomen dat hij (i) de Raad van Commissarissen van Linx bij de salarisbesprekingen verkeerd heeft geïnformeerd over het salaris dat hij zou gaan verdienen bij een ander – hij had een andere onderneming afgezegd om bij Linx aan de slag te kunnen gaan – en dat hij (ii) aan PwC in het kader van het onderzoek een contract heeft overhandigd dat vervalst lijkt te zijn. De tuchtrechter heeft een klacht van Gibbs tegen de voor het rapport verantwoordelijke registeraccountant gegrond verklaard, maar dat leidt niet zonder meer tot civiele aansprakelijkheid. De conclusie dat de Raad van Commissarissen verkeerd is voorgelicht is gerechtvaardigd en hoewel niet geheel valt uit te sluiten dat het overgelegde contract niet is vervalst, wijzen de feiten vooralsnog niet in die richting. De voormalig bestuurder draait de zaken om door PwC een verwijt te maken van de conclusies in het rapport. Voor zover hij schade heeft geleden als gevolg van het rapport, is dat een gevolg van zijn eigen handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2518

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/612071 / KG ZA 16-864 CB/EB

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 5 augustus 2016,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam Gemeente] ,

2. de naamloze vennootschap

PRICEWATERHOUSECOOPERS ADVISORY N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Afzonderlijk zullen gedaagden worden aangeduid als [gedaagde 1] en PWC.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 16 augustus 2016 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting was [eiser] aanwezig met mr. R.E. Gerritsen en mr. A.S. van Gaalen, advocaten. [eiser] heeft [naam informant] (voormalig lid van de Raad van Commissarissen van Linx Telecommunications B.V.) als informant meegenomen naar de zitting. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht [naam informant] te horen, maar de voorzieningenrechter heeft dat verzoek afgewezen omdat zij geen vragen voor [naam informant] had. Aan de zijde van gedaagden waren aanwezig [gedaagde 1] en mr. M.R. [naam] (afdeling Forensic Services van PWC) met mr. Van Rijswijk en zijn kantoorgenote [naam kantoorgenote] .

2 De feiten

2.1.

In de periode van april 2010 tot 1 december 2012 is [eiser] in dienst geweest bij Linx Telecommunications B.V. (hierna: Linx), aanvankelijk in de functie van Director Customer Operations en later als Vice-President Operations. [eiser] heeft zijn werkzaamheden voor Linx destijds beëindigd op grond van een beëindigingsovereenkomst.

2.2.

Na zijn vertrek bij Linx is [eiser] in onderhandeling getreden met de Franse onderneming [naam Franse onderneimng] (hierna: [naam Franse onderneimng] ) over een functie bij dat bedrijf. [naam Franse onderneimng] heeft [eiser] aangenomen en [eiser] zou per januari 2013 met zijn nieuwe baan starten.

2.3.

In december 2012 hebben twee (toenmalige) leden van de Raad van Commissarissen van Linx, te weten [naam voorzitter] (voorzitter) en [naam informant] , [eiser] gevraagd of hij bereid was terug te keren bij Linx in de functie van Chief Executive Officer (CEO). [eiser] heeft hierover in persoon en via de e-mail overleg gevoerd met [naam voorzitter] en [naam informant] en ook eenmaal, eind december 2012, met een derde (oud) commissaris, [naam commissaris] . [eiser] heeft tijdens een bijeenkomst met de commissarissen op 28 december 2012 een presentatie gegeven over zijn visie op de bedrijfsvoering. Tijdens die bijeenkomst heeft hij ook de handtekeningenpagina van het contract met [naam Franse onderneimng] getoond.

2.4.

In een e-mail, op of omstreeks 29 december 2012 verzonden, heeft [naam voorzitter] [eiser] het volgende aanbod gedaan:

“With pleasure we offer you the role of Chief Executive Officer, on an ad interim basis, of Linx (…) The position will be rewarded at € 309.000 gross per month based on payrolling, augmented with a bonus ceiling of 60% of base salary per annum. This bonus and confirmation of CEO is awarded upon reaching certain pre-defined and agreed performance criteria. These will be based on your presentation as given to the Supervisory Board on December 28, 2012.

Further the package will include sports membership, a pension plan against the same conditions as all employees of Linx, a health insurance for you and your family, life insurance which covers maximum 4x gross salary paid in case of invalidity or death during your employment at Linx, a company car at the rate of € 1600 per month plus fuel. Should you decide to accept the role via your own BV, the benefits will be transferred into the cash sums of the entitlements and the position is offered then for an initial period of 5 years.

Review period: 12 months – i.e. during the months of January 2014.

Notice Period: 6 months; during which the employee will work and perform as expected from a Chief Executive Officer.”

De tekst voor dit aanbod was aangeleverd door [eiser] , zoals ook blijkt uit het navolgende onder 2.5. [eiser] wilde snel schakelen omdat hij [naam Franse onderneimng] moest afzeggen.

2.5.

Het aanbod is op 29 december 2012 gevolgd door de volgende e-mail conversatie tussen [eiser] en [naam voorzitter] :

[eiser] : “I (…) have taken the liberty to make the changes that we agreed upon. (…) Please also find my Resume attached.”

[naam voorzitter] : “ [eiser] , In responce of your letter below I confirm and agree hereby our understanding. (…)”

[eiser] : “Many thanks for your confirmation. I herby confirm my acceptance of the position of CEO at Linx (…)”

[eiser] : “A Typo from me in the letter, it should be per annum not per month, just (…) mail as coverage so we have no misunderstanding. Sorry.

[naam voorzitter] : “ [eiser] , you almost became to expensive! Thanks for your mail. Lets make it a succes.”

2.6.

Als productie 2 hebben gedaagden een document getiteld “ [eiser] ” overgelegd, waarin onder meer staat:

“ Today (…)

  • -

    Vice President international Data Center Business [naam Franse onderneimng] Electric

  • -

    Permanent Contract

  • -

    Base Salary of € 309,000 per annum with a 30% bonus paid up to 200%

  • -

    (…)

  • -

    Starting on the 2nd January 2013.”

2.7.

Op 8 januari 2013 hebben DC World B.V. (de werkmaatschappij van [eiser] ) en Linx de gemaakte afspraken vastgelegd in een consultancy agreement (hierna ook wel: de CA, vzr.) en is [eiser] in het Handelsregister ingeschreven als statutair bestuurder van Linx. In een resolution van 24 januari 2013, ondertekend door [naam voorzitter] en [naam informant] , is [eiser] aangewezen als tijdelijk bestuurder van Linx.

2.8.

Op 8 februari 2013 heeft [naam commissaris] een brief aan [naam voorzitter] en [naam informant] geschreven waarin hij laat weten geen toestemming te zullen geven voor de benoeming van [eiser] tot directeur van Linx en waarin hij het terugtreden van [eiser] met onmiddellijke ingang eist. [naam commissaris] maakt in deze brief melding van een aantal concrete bedenkingen tegen [eiser] en hij licht ook toe waarop hij die bedenkingen baseert. In de brief staat – naast een verdenking van betrokkenheid bij smeergelden (kickbacks) en opmerkingen over ongerijmdheden/tegenstrijdigheden in de verschillende door [eiser] verstrekte cv’s – onder meer het volgende:

“(…) Volgens de bewering van [eiser] in zijn “ [eiser] today” zou hij “een permanent contract” hebben als Vice President Business bij [naam Franse onderneimng] electric. Het contract dat door [eiser] aan ons getoond is, is echter een eenzijdig door hem getekend contract en de CEO van [naam Franse onderneimng] Electric in Hoofddorp, de heer [naam CEO] , ontkent dat hij aan [eiser] ooit een dergelijk contract heeft aangeboden. Hij kent [eiser] niet eens. De heer [naam CEO] deelde mij eerder mede, dat een deal van € 309.000 binnen [naam Franse onderneimng] hem irreëel voorkomt, dat hij zelf veel minder verdient en dat bij [naam Franse onderneimng] geen sprake is van bonuspercentages zoals door [eiser] wordt beweerd. (…)”

2.9.

Het benoemingsbesluit van 24 januari 2013 is bekrachtigd in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 12 februari 2013 met twee stemmen vóór ( [naam voorzitter] en [naam informant] ), één stem tegen ( [naam commissaris] ) en één onthouding.

2.10.

Vanwege de bedenkingen van [naam commissaris] en mede op verzoek van [eiser] en

[naam bedrijfsjurist] , bedrijfsjurist bij Linx, heeft [naam voorzitter] PWC namens de Raad van Commissarissen opdracht gegeven onderzoek naar [eiser] te verrichten. PWC was al door Linx ingeschakeld om mogelijke misstanden in Rusland te onderzoeken waarbij onder andere de voorganger van [eiser] zou zijn betrokken. [eiser] en bedrijfsjurist [naam bedrijfsjurist] , tegen wie beschuldigingen in verband met kickbacks (smeergelden) waren geuit, hadden in een brief aan [naam voorzitter] van 11 maart 2013 al geschreven dat zij het op prijs zouden stellen als PWC onderzoek naar die beschuldigingen zou doen. Het onderzoek naar [eiser] is meegenomen in het kader van dat bredere onderzoek en uitgevoerd door M. [naam] en [naam uitvoerder onderzoek] , onder verantwoordelijkheid van gedaagde sub 2, de heer [gedaagde 1] (registeraccountant en partner bij PWC).

2.11.

Op 21 maart 2013 heeft [naam] een e-mail aan [eiser] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:

“Further to our telephone conversation of today, we ask you to prepare some documentation in preparation of our meeting of tomorrow morning.

As you are aware, Mr [naam commissaris] has listed a number of remarks relating to your CV and other matters, that have been made subject to investigation (by PWC) by the Supervisory Board. In order to either reject or conform the allegations made, we need to respond as factual as possible. We kindly ask for your cooperation in this respect and wish to discuss the following subjects (…):

(…)

7) [naam Franse onderneimng] Electric

We understand that confusion arose on the document that proves the offer made for employment by [naam Franse onderneimng] as of 1 january 2013. Several versions of the employment agreement may have been circulating.

7a: Can you please provide us with the original documentation received from [naam Franse onderneimng] , with original indication salary, remunerations and car allowance? (…)

7b: Can you provide us with names and address details of the persons involved in hiring you, for reference purposes?

7c: Can you prepare a timeline with sequence of events around your envisaged employment by [naam Franse onderneimng] ? (…)”

2.12.

[eiser] heeft het originele contract met [naam Franse onderneimng] niet meegenomen naar de bespreking van 22 maart 2013. Hij verzette zich ertegen dat PWC contact met [naam Franse onderneimng] zou opnemen, stellende dat dit de commerciële belangen van Linx bij [naam Franse onderneimng] zou kunnen schaden en omdat [naam Franse onderneimng] toch al problemen met Linx/ [eiser] had omdat [eiser] op het laatste moment had afgezien van zijn aanstelling bij [naam Franse onderneimng] .

2.13.

In een brief van 28 maart 2013 aan Linx heeft PWC de haar gegeven opdracht bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende te lezen:

“In addition, the content of CV’s supplied to Supervisory Board is questioned by this Supervisory Board Member. Questions to be investigated:

  1. Do the allegations contain merit?

  2. (…)

  3. Is the content of the respective CV’s in accordance with reality?”

2.14.

In een e-mail van 16 april 2013 09:13 uur aan bedrijfsjurist [naam bedrijfsjurist] , met cc aan [eiser] en Van der Colk, heeft [naam] namens PWC geschreven:

“During our meeting with Mr [naam voorzitter] of last Friday we were told that the contract between [eiser] ( [eiser] , vzr.) and [naam Franse onderneimng] Electric would have been sent to a Mr. [naam 1] for purposes of making a new contract between Linxtelecom and [eiser] . We urgently need the [naam Franse onderneimng] contract in the framework of our investigations. I understood that you called Mr [naam 1] about this. Do you have the contract back already and can we urgently have a copy?”

2.15.

Op 16 april 2013 om 09:38 uur heeft [eiser] aan [naam] en [naam bedrijfsjurist] , met cc aan [naam uitvoerder onderzoek] , geschreven:

“I now have it, I will bring it to Russia so you can see it tomorrow. Hope that works for you.”

2.16.

Over de bijeenkomst in Rusland hebben [naam] en [naam uitvoerder onderzoek] op

11 respectievelijk 17 februari 2015 schriftelijke verklaringen afgelegd, waaruit hieronder zal worden geciteerd. In de verklaring van [naam] staat onder meer het volgende:

“(…)

Dit contract (waarover op 31 mei 2013 is gerapporteerd, vzr.) is door hem ( [eiser] , vzr.) op 17 april 2013 aan mij verstrekt en daarbij was ook aanwezig mijn collega, de heer [naam uitvoerder onderzoek] (…)

Die overhandiging op 17 april 2013 herinner ik mij goed. Wij hadden zoals gezegd relatief lang gewacht op dit document en het vormde een belangrijk stuk in de afronding van het onderzoek naar de credentials van de heer [eiser] . [naam uitvoerder onderzoek] en ik hebben meteen gekeken naar het salaris dat in het contract stond vermeld (namelijk ruim € 300.000,--) en wij constateerden dat dit in lijn was met de beweringen van de heer [eiser] hieromtrent. Daarmee zou een belangrijk vraagpunt uit het onderzoek naar de credentials van de heer [eiser] zijn afgerond.”

In de verklaring van [naam uitvoerder onderzoek] staat onder andere het volgende:

“(…) Aan het einde van de middag was ook [eiser] aanwezig op het kantoor (van Linxtelecom, vzr.) in Moskou en wij gaven hem zoals gebruikelijk een update van de zojuist gevoerde gesprekken en de voortgang van het onderzoek. Na deze update greep [eiser] in zijn tas en overhandigde hij ons het contract met [naam Franse onderneimng] Electric SA. Dit was het contract waar wij al vaker om hadden gevraagd. Dat hij dit contract op dat moment aan ons overhandigde, was overigens geen verrassing. Ik wist dat hij dit daags tevoren per e-mail had toegezegd. Na beiden ( [naam] en ik) door het contract te hebben gebladerd om te kijken of het salaris en de arbeidsduur hierin vermeld stonden heb ik het in mijn tas gestopt en meegenomen naar Amsterdam. (…)”

2.17.

[eiser] is per 29 april 2013 als ad interim CEO vervangen door een neef van [naam commissaris] . [eiser] heeft zijn werkzaamheden voor Linx gestaakt per diezelfde datum.

2.18.

Na het vertrek van [eiser] bij Linx heeft PWC alsnog contact gezocht met [naam Franse onderneimng] . In een e-mail aan [naam Franse onderneimng] heeft PWC gevraagd of [naam Franse onderneimng] kon bevestigen dat inderdaad een jaarsalaris van € 302.000,00 exclusief bonus werd aangeboden. [naam Franse onderneimng] heeft op 23 mei 2013 geantwoord dat [naam Franse onderneimng] [eiser] een jaarsalaris van € 172.000,00 exclusief vakantiegeld heeft aangeboden en dat [eiser] recht zou hebben op een jaarlijkse bonus van 30% van zijn jaarsalaris; in totaal

€ 223.600,00 inclusief bonus, maar exclusief vakantiegeld.

2.19.

Bij brief van 24 mei 2013 heeft Linx de CA met [eiser] – zou die al rechtsgeldig zijn gesloten en niet onder invloed van dwaling en/of bedrog tot stand zijn gekomen – met directe ingang beëindigd en, voor zover nog nodig, opgezegd met inachtneming van artikel 3 van de CA met als reden dat [eiser] zijn werkzaamheden voor Linx per 29 april 2013 abrupt heeft neergelegd.

2.20.

Op 27 mei 2013 is een concept-rapport aan [eiser] vrijgegeven waarop hij kon reageren, hetgeen hij heeft gedaan per e-mail van 30 mei 2013. Op 31 mei 2013 heeft PWC haar eindrapport uitgebracht in het bredere onderzoek. In dit rapport, dat door [gedaagde 1] is opgesteld, staat over [eiser] het volgende:

“(…)

5.7

[naam Franse onderneimng]

When negotiating re-joining Linxtelecom with Messrs [naam voorzitter] and [naam informant] late December 2012, Mr [eiser] informed the two representatives of the Supervisory Board that he in the meantime had negotiated a contract with [naam Franse onderneimng] Electric SA in France and accepted the offer to join [naam Franse onderneimng] .

(…)

Mr. [naam commissaris] doubted whether the contract with [naam Franse onderneimng] would indeed have been for an indefinite period of time and whether the salary offered by [naam Franse onderneimng] was indeed € 302.000, exclusive of a bonus of 30%.

Mr [eiser] informed us that he, before he re-joined Linxtelecom, negotiated employment at [naam Franse onderneimng] Electric SA in France and not in the Netherlands. Mr [eiser] would however, work for [naam Franse onderneimng] based in The Netherlands, reason why the contract offered to him was made out on the letterhead of [naam Franse onderneimng] in Hoofddorp, The Netherlands. Mr [eiser] would have been paid through the payroll system of [naam Franse onderneimng] in The Netherlands, as he informed us.

We have asked Mr [eiser] to provide us with an original copy of the contract he had negotiated with [naam Franse onderneimng] . (…) We have received an unsigned copy of the contract (…) We have initially not been in contact with [naam Franse onderneimng] on the subject, as Mr [eiser] felt that such contact could harm the business interests of Linxtelecom.

Mr [eiser] could not provide us with a signed copy of the contract with [naam Franse onderneimng] . (…)

Mr [eiser] salary at Linxtelecom is presently set at € 307.000, including holiday allowance, per year. According to Mr [naam voorzitter] , with whom we discussed the subject, it was not necessary for Mr [eiser] to convince him and Mr [naam informant] of the salary Mr [eiser] would have received from [naam Franse onderneimng] , as the salary of the former CEO of Linxtelecom was much higher as the salary agreed with Mr [eiser] .

After Mr [eiser] had left Linxtelecom in the meantime, we have contacted [naam Franse onderneimng] Electric. (…) when we asked [naam Franse onderneimng] to study the contract in detail and compare it with a retained copy in [naam Franse onderneimng] ’s administration (…) [naam Franse onderneimng] informed us that not a salary of € 302.000 and a bonus of 60% thereof (…) was offered to Mr [eiser] but a salary of € 172.000 and a yearly bonus of 30% thereof (…)

Mr. [eiser] responded to our findings in his e-mail of 30 May 2013 as follows: “The negotiations with [naam Franse onderneimng] have been a long-term process. There were, amongst others, discussions about the amount of salary and the amount of bonus. The draft employment contract as provided was my view on the negotiable amount of my salary. Linx, however, did not negotiate further in this respect but simply accepted the respective amount, mainly because the mentioned amount was much lower than the salary of the former CEO of Linx.”

The information provided to the members of the Supervisory Board of Linxtelecom when negotiating Mr [eiser] ’ contract with Linxtelecom was therefore not correct. The document provided by Mr [eiser] to the Supervisory Board and later to PWC must therefore be assumed to be falsified.

(…)

7. Concluding remarks

(...)

Mr. [eiser] ’ credentials show deficiencies in the providing of evidence as to two subjects:

(...)

 [naam Franse onderneimng] : from the documents provided to us and our subsequent contact with [naam Franse onderneimng] it appeared that the document provided to us by Mr [eiser] was falsified and that the information given to the Supervisory Board of Linxtelecom was not correct. (…)”

2.21.

PWC heeft Linx toestemming gegeven om het rapport te gebruiken in een civiele procedure en voor het doen van strafrechtelijke aangifte.

2.22.

[eiser] heeft een tuchtklacht tegen [gedaagde 1] ingediend bij de Accountantskamer. Die heeft de klacht bij beslissing van 30 oktober 2014 gedeeltelijke gegrond verklaard en aan [gedaagde 1] de maatregel van berisping opgelegd. De Accountantskamer heeft geoordeeld:

(1) dat de vérgaande en voor [eiser] zeer schadelijke conclusie van [gedaagde 1] , luidende:

“The information provided to the members of the Supervisory Board of Linxtelecom when negotiating Mr [eiser] ’ contract with Linxtelecom was therefore not correct. The document provided by Mr [eiser] to the Supervisory Board and later to PWC must therefore be assumed to be falsified.”

niet slechts mocht worden gebaseerd op de gegevens die waren verkregen uit het contact met [naam Franse onderneimng] , maar dat ook de leden van de Raad van Commissarissen daarover hadden moeten worden gehoord; en

(2) dat [gedaagde 1] , nu hij niet wist welke informatie door [eiser] was verstrekt aan de Commissarissen, reeds omdat hij daarnaar geen onderzoek had gedaan, onmogelijk de conclusie kon trekken dat dit dezelfde informatie was als die [eiser] aan hem en zijn onderzoeksteam had verstrekt.

Deze conclusies ontberen naar het oordeel van de Accountantskamer een deugdelijke grondslag en leveren daarom schendingen op van het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoel in artikel A-100.4 onder c van de VGC. Dit oordeel is in hoger beroep bekrachtigd, bij uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 26 mei 2016.

2.23.

[eiser] , DC World B.V. en Linx hebben geprocedeerd over – kort gezegd – de afwikkeling van de CA. In die procedure heeft het rapport van PWC een rol gespeeld, evenals het document getiteld “ [eiser] (Today)”. Daarover staat in een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 juli 2016 voor zover hier van belang het volgende:

“(…)

3.12

Met betrekking tot de door [eiser] gegeven informatie over zijn reeds met [naam Franse onderneimng] gesloten contract geldt het volgende.

3.13

[naam informant] zegt in zijn onder 3.11 bedoelde verklaring over dit onderwerp het volgende:

“Mr [naam voorzitter] asked him what he would need in terms of remuneration to come back to Linx. [eiser] informed him of what he would be looking for, we agreed without deliberation. [naam voorzitter] informed him that it was a saving in comparison to the existing CEO.”

[naam voorzitter] schrijft in zijn brief van 10 juni 2013 (productie Linx HB 17, laatste pagina) onder meer:

“Tijdens de besprekingen die wij in december 2012/januari 2013 met de heer [eiser] voerden zagen wij, mede gezien de eerdere aannameprocedure van hem, geen aanleiding om aan de door hem aan ons verstrekte stukken te twijfelen en zijn wij met de management BV van de heer [eiser] een consultancy fee overeengekomen die gelijk was aan het door hem beweerde salaris dat hij bij [naam Franse onderneimng] zou ontvangen. Temeer omdat dit aanmerkelijk lager was dan het salaris van zijn voorganger bij Linx (..).”

[eiser] zegt in zijn onder 3.11 aangeduide verklaring over deze materie het volgende:

“ I was informed that they had agreed that I would come back to run the company. (…) I was asked what kind of package I would like in order to return. I informed [naam voorzitter] en [eiser] of my demands and [naam voorzitter] replied “You are cheaper than Delahaije” he informed that I should ask [naam 2] and [naam bedrijfsjurist] to prepare a contract (..)”

In zijn als productie 12 HB door Linx overgelegde verklaring schrijft toenmalig commissaris [naam commissaris] dat hij in de ochtend van 28 december 2012 samen met [naam voorzitter] met [eiser] heeft gesproken en dat [eiser] hem toen een notitie genaamd “ -Today” heeft overhandigd.

Bij e-mail van 7 januari 2013 heeft [eiser] onder meer aan voornoemde [naam bedrijfsjurist] een stuk toegezonden met als opschrift “[eiser] (Current terms of employment from [naam Franse onderneimng] ), met daaronder “Today”, gevolgd door de volgende bullets:

Permanent Contract.

Base salary of € 309,000 per annum with a 60% Bonus.

Company Car to a value of 1600 Euro per month plus fuel.

30 Days vacation a year, plus public holidays

Life Insurance at 4x annual salary

Health Plan for me and family

Pension with company contribution of 7,5%

Sports Membership

Starting on the 1st January 2013.

3.14

Gelet op de inhoud van de brief van [naam voorzitter] aan [eiser] van 1 januari 2013 (zie hiervoor onder 3.1 sub (iii)), de onder 3.13 genoemde verklaring van [naam commissaris] en de inhoud van het stuk dat [eiser] bij zijn onder 3.13 genoemde e-mail verzond, een en ander in onderling verband beschouwd, gaat het hof ervan uit dat [eiser] laatstbedoeld stuk zowel aan [naam voorzitter] als aan [naam commissaris] heeft overhandigd tijdens de besprekingen in december 2012 en dat [naam voorzitter] op basis daarvan zijn brief van 1 januari 2013 heeft opgesteld. De gelijkenis tussen de inhoud van die brief en de inhoud van dat stuk is te groot voor een andere conclusie. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van hem van een bedrag van € 750.000,00 bij wijze van voorschot op schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. [eiser] vordert verder gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van

€ 25.000,00 boven de normale proceskostenveroordeling, althans van de proceskosten conform het liquidatietarief, en in de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.

4.2.

[eiser] stelt dat gedaagden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door in het rapport van 31 mei 2013 zonder deugdelijke grondslag uiterst schadelijke conclusies over hem te trekken. [eiser] stelt dat dat de opzegging van de CA is gebaseerd op het rapport en dat hij door de reputatieschade die van het rapport het gevolg is geweest ook vermogensschade heeft geleden, doordat hij vanaf het einde van de CA lange tijd geen werk heeft kunnen vinden en niet langer bemiddelbaar is voor een vergelijkbare functie als hij had bij Linx. Bovendien heeft hij vele kostbare (tucht)procedures moeten voeren om de conclusies uit het rapport van tafel te krijgen. [eiser] is van mening dat gedaagden gehouden zijn de door hem geleden schade te vergoeden.

4.3.

[eiser] spitst zijn verwijt aan PWC toe op de conclusie dat het aan PWC verstrekte document vervalst lijkt te zijn en dat hij de Raad van Commissarissen verkeerd heeft geïnformeerd over het salaris dat hij bij [naam Franse onderneimng] zou gaan verdienen. Anders dan gedaagden is [eiser] niet ingegaan op de conclusie in het rapport met betrekking tot de vermelding op het curriculum vitae van [eiser] dat hij een studie aan de universiteit van Portsmouth heeft gevolgd, terwijl hij die studie niet heeft gevolgd. In het navolgende zal de kwestie “Portsmouth” buiten beschouwing worden gelaten.

4.4.

De beschuldiging van vervalsing van een document en van het opzettelijk onjuist informeren van de Raad van Commissarissen is een zeer ernstige, met mogelijke zeer schadelijke gevolgen. Opname van zo’n zware beschuldiging in een rapport is alleen gerechtvaardigd – zeker als voorzienbaar is dat dat rapport met derden zal worden gedeeld – als daarvoor voldoende bewijs is.

4.5.

[eiser] stelt, onder verwijzing naar de tuchtrechtelijke uitspraken, dat de conclusie van vervalsing en bedrog onzorgvuldig en ondeugdelijk is. De tuchtrechters hebben geoordeeld dat [gedaagde 1] zijn conclusies niet had mogen trekken zonder eerst navraag te doen bij de leden van de Raad van Commissarissen. Dit procedurele nalaten wordt [gedaagde 1] door de tuchtrechters aangerekend. Tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag leidt echter niet zonder meer tot civiele aansprakelijkheid, omdat de civiele rechter toetst aan andere normen dan de tuchtrechter. De civiele rechter zal zich zelf een oordeel moeten vormen over de vraag of gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld en of zij verplicht zijn tot vergoeding van de gestelde schade van [eiser] .

4.6.

Eerst zal worden ingegaan op de conclusie, in het rapport, dat [eiser] tijdens de bespreking van 28 december 2012 over zijn aanstelling en salaris leden van de Raad van Commissarissen verkeerd heeft geïnformeerd over het salaris dat hij bij [naam Franse onderneimng] zou gaan verdienen. [eiser] heeft niet betwist dat hij “een” contract met [naam Franse onderneimng] heeft getoond tijdens die bespreking. Ook is niet betwist dat hij op

7 januari 2013 aan de bedrijfsjurist een document heeft gezonden getiteld “ [eiser] (Current terms of employment from [naam Franse onderneimng] met daaronder “Today”. Voorshands wordt aannemelijk geacht dat hij, zoals PWC en [gedaagde 1] stellen, een – mogelijk iets afwijkende versie – van [eiser] Today heeft meegenomen in de presentatie die hij op verzoek van de commissarissen op 28 december 2012 heeft gegeven aangaande zijn visie op het leiden van Linx (r.o. 2.3). Dat lijkt ook logisch: [eiser] wist dat de commissarissen van plan waren hem te gaan benoemen als CEO en dat daarover snel een beslissing zou worden genomen. Hij had er (dus) belang bij ook zijn salaris en overige arbeidsvoorwaarden mee te nemen in de bespreking en duidelijk te maken wat hij zou opgeven bij [naam Franse onderneimng] indien hij zou kiezen voor Linx. Op 29 december 2012, dus één dag na de presentatie, heeft hij ten behoeve van [naam voorzitter] de onder 2.4 genoemde tekst opgesteld, die – zoals ook het Hof heeft geconstateerd – zeer veel overeenstemming vertoont met het “ [eiser] Today” document. In de brief van [naam commissaris] van 8 februari 2013 wordt ook gerefereerd aan het document “ [eiser] Today”. Onder deze omstandigheden komt de conclusie van PWC/ [gedaagde 1] in het rapport dat [eiser] de Raad van commissarissen verkeerd heeft voorgelicht (immers de afspraken met [naam Franse onderneimng] waren anders dan [eiser] vertelde), gerechtvaardigd voor.

4.7.

In het navolgende zal worden ingegaan op de conclusie dat het door [eiser] aan PWC verstrekte document vervalst lijkt te zijn. Het gaat dan om een contract met [naam Franse onderneimng] waarin een jaarsalaris van € 302.000,00 exclusief bonus staat vermeld, welk contract [eiser] volgens gedaagden in Rusland aan het onderzoeksteam van PWC heeft overhandigd. [eiser] betwist dat hij überhaupt een contract met [naam Franse onderneimng] aan het onderzoeksteam heeft verstrekt. Hij vermoedt dat medewerkers van Linx of PWC zonder zijn medeweten of toestemming hebben gezocht in een doos met persoonlijke goederen die nog bij Linx stond. In die doos bevonden zich meerdere concept overeenkomsten met [naam Franse onderneimng] , met daarin verschillende voorwaarden en daardoor ook verschillende salarissen, aldus [eiser] . PWC betwist de persoonlijke goederen van [eiser] te hebben doorzocht.

4.8.

Overwogen wordt als volgt. Beide onderzoekers van PWC hebben verklaard, en [naam] heeft ter zitting nogmaals bevestigd dat [eiser] hen in Rusland een contract tussen hem en [naam Franse onderneimng] heeft overhandigd. Vooralsnog is er geen reden om hun verklaringen in twijfel te trekken, mede gelet op de

e-mail van [eiser] van 16 april 2013, waarin hij schrijft “I now have it (…)”. Aannemelijk is dat [eiser] met het woordje “it” doelde op de overeenkomst met [naam Franse onderneimng] , omdat zijn e-mail is gestuurd kort na het verzoek van de onderzoekers om afgifte van een exemplaar van de overeenkomst die [eiser] met [naam Franse onderneimng] zou hebben gesloten. Gedaagden hebben ter zitting aangeboden desgewenst de gehele

e-mail string over te leggen waaruit blijkt dat de e-mail van [eiser] een direct antwoord is op het verzoek om overlegging van het contract. Ten slotte schrijft [eiser] in zijn reactie op het conceptrapport “The draft employment contract as provided…”. Dit kan moeilijk anders worden begrepen dan dat [eiser] een conceptovereenkomst met [naam Franse onderneimng] aan PWC heeft overgelegd. Voorshands is al met al voldoende aannemelijk dat [eiser] in Rusland een versie van het [naam Franse onderneimng] -contract aan de onderzoekers van PWC heeft overhandigd.

4.9.

In het in Rusland overhandigde [naam Franse onderneimng] -contract was een jaarsalaris opgenomen van € 302.000,00. Niet uit te sluiten is dat dit salaris op enig moment in de onderhandelingen tussen [eiser] en [naam Franse onderneimng] is genoemd, maar het is in ieder geval niet het uiteindelijk tussen [eiser] en [naam Franse onderneimng] overeengekomen salaris en het bevreemdt dan ook minst genomen dat [eiser] – voor zover het ging om een concept met daarin een achterhaalde salarisbepaling – daarvan geen melding heeft gemaakt tegenover de onderzoekers. Zij hadden hem immers gevraagd originele documentatie over te leggen waaruit onder andere zou blijken welk salaris [eiser] van [naam Franse onderneimng] zou ontvangen, juist om een einde te maken aan de daarover ontstane twijfel. [eiser] heeft willens en wetens niet de daadwerkelijk met [naam Franse onderneimng] gesloten overeenkomst aan de onderzoekers gegeven en hen daarmee zand in de ogen gestrooid. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom de onderzoekers geen contact met [naam Franse onderneimng] mochten opnemen van [eiser] , zijn bedrog zou dan immers uitkomen.

4.10.

De slotsom van het voorgaande is dat niet geheel uit te sluiten valt dat [eiser] het overgelegde contract niet heeft vervalst, maar de in dit geding gepresenteerde feiten wijzen vooralsnog niet in die richting. Er is geen verklaring van [naam Franse onderneimng] overgelegd waarin zij bevestigt dat op enig moment in de onderhandelingen met [eiser] een salaris van € 302.000,00 (overigens een ander bedrag dan het bedrag van € 309.000,00 in het document “ [eiser] Today”) is genoemd en dat zulks in een conceptovereenkomst is opgenomen. Met een dergelijke verklaring had [eiser] op eenvoudige wijze de twijfel kunnen wegnemen over de vraag of het gaat om een vervalsing of om een concept. Dat [eiser] [naam Franse onderneimng] heeft verzocht om een verklaring af te leggen, is gesteld noch gebleken. Wat daar ook van zij, in ieder geval is voorshands aannemelijk dat [eiser] tegenover Linx en de onderzoekers van PWC niet zuiver op de graat is geweest over het salaris dat hij bij [naam Franse onderneimng] zou gaan verdienen en dat het rapport in zoverre geen onjuistheden bevat. Dat het door [eiser] genoemde salaris niet van invloed is geweest op zijn aanstelling bij Linx omdat dat sowieso lager lag dan het salaris van zijn voorganger, maakt dat niet anders. Er zit niet veel licht tussen het vervalsen van een overeenkomst en het bewust voorliegen van Linx en PWC. Aannemelijk is dat ook dat laatste potentiële werkgevers afschrikt.

4.11.

Door gedaagden een verwijt te maken van de opname in het rapport van de conclusies waar het in deze zaak om gaat, draait [eiser] de zaken om. Aannemelijk is dat hij de zaken bewust onjuist heeft voorgespiegeld tegenover Linx en PWC. Dat dit in het rapport is opgeschreven, heeft [eiser] dan ook aan zichzelf te wijten. Voor zover [eiser] na zijn vertrek bij Linx ten gevolge van het rapport van gedaagden niet aan het werk heeft kunnen komen, is ook dat een gevolg van zijn eigen handelen. Al met al is reeds op grond van het voorgaande onvoldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter het standpunt van [eiser] zal volgen. Daarmee is niet voldaan aan de criteria voor toewijzing van een geldvordering in kort geding, zodat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Bij deze uitkomst behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 4.719,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 4.719,00,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.1

1 type: eB coll: CB