Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5472

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Awb 8:86, Awb 4:5. De hersteltermijn van twee weken is gegeven, omdat het op dat moment al bekend was dat het nog een tijd zou duren voordat de benodigde onderzoeken zouden zijn afgerond en een langere termijn daardoor niet in de rede lag. Verweerder wist bij het stellen van de termijn dat deze niet gehaald zou worden. Verweerder had ook onder die omstandigheid en omdat gekozen is voor buitenbehandelingstelling en niet voor afwijzing van de aanvraag een redelijke termijn moeten bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/5132 (beroep) en AMS 16/5130 (verzoek)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 augustus 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijf] , gevestigd te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: mr. B.A.J. Haagen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K.H. Klaver).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 24 maart 2016 voor een ontheffing voor een ruimtelijke ingreep niet in behandeling genomen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit op 4 augustus 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen doorgezonden naar de rechtbank te Amsterdam.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van verzoekster is nog verschenen [betrokkene] , werkzaam bij [bedrijf] .

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

Verzoekster heeft op 24 maart 2016 een aanvraag ingediend voor een op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) te verlenen ontheffing van een ruimtelijke ingreep voor het project “ [naam project] ”. Er is ontheffing gevraagd voor het beschadigen, vernielen dan wel verstoren van nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen, als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, van [het dier] alsmede voor de gewone [dier/dieren] en [het dier] . Bij de aanvraag heeft verzoekster een rapportage van de Natuurtoets van het advies- en ingenieursbureau Tauw (de rapportage) van 24 maart 2016 en het “Projectplan ruimtelijke ingrepen” (het projectplan) ingediend.

2.2

Bij brief van 4 april 2016 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat de aanvraag niet volledig is en verzoekster verzocht om gegevens aan te vullen en een nadere toelichting te verstrekken. In deze brief heeft verweerder hiervoor een termijn gesteld van twee weken en meegedeeld dat met tijdige inzending buiten behandelingstelling van de aanvraag wordt voorkomen. Bij brief van 15 april 2016 heeft verzoekster daarop gereageerd.

3.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag niet in behandeling genomen omdat, na de gegeven hersteltermijn van twee weken en de reactie van verzoekster, de aanvraag niet volledig was. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar daartegen heeft verweerder ongegrond verklaard.

3.2

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat in de rapportage meerdere malen staat vermeld dat nader onderzoek noodzakelijk is, omdat de werkzaamheden mogelijk een negatief effect hebben op verblijfplaatsen van [het dier] , de gewone [dier/dieren] en [het dier] . Ook in het projectplan staat vermeld dat er vanuit wordt gegaan dat de verbodsbepalingen worden overtreden als het gaat om de verblijfplaats van de drie eerder genoemde dieren en dat daar nog nader onderzoek naar moet worden uitgevoerd.

Verweerder heeft overwogen dat uit het [protocol] , alsmede uit de soortenstandaard volgt dat de onderzoeken in ieder geval ook nog in september 2016 zullen plaatsvinden. Omdat de benodigde informatie om de aanvraag voor ontheffing te kunnen beoordelen niet eerder dan in september 2016 voorhanden is, kan de ontheffing voor die datum niet worden beoordeeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat van een bestuursorgaan niet kan worden verwacht dat de aanvraag in afwachting van de onderzoeksresultaten, die tot verplichte rapporten dan wel bescheiden moeten leiden, voor zes maanden of langer zal worden aangehouden. In dat geval kan niet meer van een redelijke termijn worden gesproken, aldus verweerder.

4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij er nadrukkelijk voor heeft gekozen om de procedure over de ontheffing niet te laten aanhaken bij de procedure over de omgevingsvergunning bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Indien de onderhavige procedure over de ontheffing door de buiten behandelingstelling zou moeten aanhaken, zou dit volgens verzoekster een onaanvaardbare vertraging opleveren in de beoogde herontwikkeling van het [gebouw] in Utrecht met grote financiële schade tot gevolg. Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van verzoekster alvorens het besluit op bezwaar te nemen. Dit had volgens verzoekster gelet op de grote belangen wel gemoeten. Verzoekster heeft ook aangevoerd dat haar, gelet op de aard van de zaak, geen redelijke hersteltermijn is gegeven. Er waren immers onderzoeken die ten tijde van de aanvraag nog niet konden worden uitgevoerd. Verder heeft verzoekster - net als in bezwaar - aangevoerd dat de buitenbehandelingstelling in strijd is met de bestendige gedragslijn van verweerder om meerdere aanvullingen van aanvragen toe te staan.

5.1

Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

5.2

Niet in geschil is dat de aanvraag zoals deze is ingediend nog moet worden aangevuld met de resultaten van een onderzoek naar aanwezige [dier/dieren] , welke resultaten in september 2016 beschikbaar zullen zijn. Verweerder heeft gekozen voor het traject van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Daarom moet beoordeeld worden of verweerder verzoekster voldoende gelegenheid heeft geboden de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen.

5.3

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3213) dient een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd te zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden gesteld alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.

5.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de aard en de omvang van de nog te verrichten onderzoeken, de geboden hersteltermijn van twee weken na ontvangst van de aanvraag onredelijk kort is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de hersteltermijn van twee weken is gegeven, omdat het op dat moment al bekend was dat het nog een tijd zou duren voordat de benodigde onderzoeken zouden zijn afgerond en een langere termijn daardoor niet in de rede lag, mede ook gelet op de beslistermijn. Uit deze verklaring volgt dat verweerder bij het stellen van de termijn al wist dat deze niet gehaald zou worden. Dit neemt niet weg dat verweerder ook onder die omstandigheid en indien gekozen wordt voor buitenbehandelingstelling en niet voor afwijzing van de aanvraag een redelijke termijn had moeten bieden.

5.5

De conclusie is dan ook dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag, na een hersteltermijn van twee weken, buiten behandeling te stellen. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster ten onrechte buiten behandeling gesteld.

5.6

De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 4:5 van de Awb. De voorzieningenrechter zal, zelf in de zaak voorziend, ook het primaire besluit van 20 april 2016 herroepen. Dit betekent dat de aanvraag van verzoekster weer open valt.

5.7

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.488,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en het verzoekschrift samen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

5.8

Verweerder dient ook het betaalde griffierecht te vergoeden in zowel de beroepszaak als de voorlopige voorziening.

5.9

Nu in de hoofdzaak is beslist, is het belang voor het treffen van een voorlopige voorziening vervallen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 668,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.488,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift per fax verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.