Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5463

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
13/701564-16 en 13/702602-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De deskundigen concluderen dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis, te weten een Bipolaire I Stoornis en adviseren oplegging van de ISD-maatregel of BOPZ-maatregel. De ovj eist TBS. De rechtbank acht het, mede gelet op de conclusies van de deskundigen, uit veiligheidsoogpunt niet noodzakelijk om verdachte de TBS maatregel op te leggen.

De rechtbank heeft, gezien bovenstaande adviezen van de deskundigen, in overweging genomen dat het opleggen van de ISD-maatregel een ultieme poging zou kunnen zijn om de recidive van verdachte te beëindigen en om een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn problematiek en voorts ter bescherming van de maatschappij. De rechtbank ziet zich echter in een situatie geplaatst waarin de officier van justitie geen vordering tot oplegging van de ISD-maatregel heeft gedaan, zodat zij gezien het bepaalde in artikel 38, eerste lid, Sr tot oplegging van deze maatregel niet kan beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701564-16 en 13/702602-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

Op tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Ganzeboom, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij,

1.

hij op of omstreeks 26 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een blikje frisdrank (Monster energydrink) en/of een (chocolade)broodje en/of een verpakking snoep (Chocotoff), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation BP [locatie 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik zou liever die pen in je ogen steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (hierbij) een dreigende houding aangenomen en/of een of meer prikkende beweging(en) gemaakt in de richting van voornoemde [verbalisant 1] ;

3.

(gevoegde zaak 13/701379-16)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer levensmiddelen/boodschappen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [persoon 1] , althans een medewerker van het winkelbedrijf Albert Heijn, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, opzettelijk dreigend en/of gewelddadig (zeer) dicht bij voornoemde [persoon 1] is gaan staan en/of tegen voornoemde [persoon 1] heeft geschreeuwd en/of voornoemde [persoon 1] heeft (weg)geduwd en/of aan voornoemde [persoon 1] heeft getrokken en/of gerukt en/of voornoemde [persoon 1] eenmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestompt, althans met voornoemde [persoon 1] heeft geworsteld;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer pakjes sigaretten en/of levensmiddelen/boodschappen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

(gevoegde zaak 13/701379-16)

hij op of omstreeks 27 februari 2106 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten (de in uniform geklede) [verbalisant 2] (dienstdoende als brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten werkzaam als Chef van Dienst aan het politiebureau [locatie 2] , eenmaal of meermalen in zijn gezicht/gelaat en/of op zijn

kleding heeft gespuugd, althans feitelijkheden van een gelijke beledigende aard en/of strekking;

5.

(gevoegde zaak 13/701379-16)

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een dagverblijf in het Politiebureau [locatie 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door ontlasting tegen een of meer muren van voornoemd dagverblijf te smeren en/of te gooien en/of te werpen en/of een of meer muren van voornoemd dagverblijf te bekrassen;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs feit 1 en 2

(diefstal BP en bedreiging [verbalisant 1] op 26 maart 2016)

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en heeft daarbij verwezen naar haar ter terechtzitting aan de rechtbank overgelegde pleitnotities.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de feiten 1 en 2 dient te worden vrijgesproken. Zij heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat – samengevat – de aangifte van [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) onbetrouwbaar is en verder niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. [persoon 2] weet niet zeker of hij verdachte iets heeft zien wegpakken. Daarnaast wordt zijn verklaring niet door de camerabeelden bevestigd. Verdachte ontkent dat hij de in de tenlastelegging opgenomen goederen heeft weggenomen: de goederen waren al in zijn bezit, hij had deze op een eerder moment in een andere winkel gekocht.

Met betrekking tot feit 2 is er geen sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), van een redelijke vrees was geen sprake. De bedreiging is nimmer reëel geweest en verbalisant [verbalisant 1] had hier wetenschap van. De woorden vormen eerder een hypothetische mogelijkheid. Daar komt bij dat verdachte de pen niet eens in zijn bezit had.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een chocolade broodje. [persoon 2] heeft immers verklaard dat verdachte op 26 maart 2016 omstreeks 05:30 uur, nadat hij een zakje chips had afgerekend, een broodje uit de schappen pakte en hiermee naar buiten liep. Kort daarna wordt verdachte aangehouden (volgens het proces-verbaal van aanhouding omstreeks 05:30 uur) en in zijn jaszak wordt een verpakt chocolade broodje aangetroffen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. Verdachte wordt partieel vrijgesproken van de diefstal van een blikje frisdrank en een verpakking Chocotoff. Het enkele aantreffen van een geopend blikje frisdrank en 16 Chocotoffees bij de insluitingsfouillering van verdachte en de in het proces verbaal van aanhouding vermelde verklaring van [persoon 2] dat hij verdachte bij het snoepgoed iets had zien pakken en zien wegsteken, is voor een bewezenverklaring van de diefstal van deze goederen onvoldoende.

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten Van Bekkum en [verbalisant 1] was verdachte tijdens het overbrengen naar het politiebureau nog zeer meewerkend en humoristisch. Maar als verbalisant [verbalisant 1] verdachte vraagt te tekenen voor zijn fouillering, slaat verdachte als een blad aan de boom om en horen verbalisanten hem zeggen: “Ik zou liever die pen in je ogen steken”. Ook wordt door voornoemde verbalisanten geverbaliseerd dat verdachte prikkende bewegingen maakt, op stond en zich groot maakte en met zijn armen wilde armgebaren maakte. Daarnaast verhief hij zijn stem, schreeuwde en dreigde te spugen en de ‘hele boel te verbouwen’ toen hij werd aangesproken op zijn gedrag. Zijn ogen stonden wijd open en zijn gezichtsuitdrukking was boos, aldus de verbalisanten. De bedreiging is daarmee onder zulke omstandigheden geschied, dat bij [verbalisant 1] redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Dat een collega verbalisant tussen verdachte en [verbalisant 1] in stond, doet hieraan niet af. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is er dan ook sprake van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw en acht bewezen dat verdachte verbalisant [verbalisant 1] heeft bedreigd, zoals hierna in rubriek 6 bewezen verklaard.

5 Waardering van het bewijs feit 3 tot en met 5

(diefstal met geweld, belediging en vernieling op 27 februari 2016)

5.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 3 tot en met 5 en heeft daarbij verwezen naar haar ter terechtzitting aan de rechtbank overgelegde pleitnotities.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde, kort gezegd: de diefstal met geweld, dient te worden vrijgesproken. Uit de aangifte van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en de camerabeelden kan niet worden afgeleid dat verdachte iets wilde stelen; er was slechts sprake van een chaotische situatie waarbij verdachte zijn boodschappen voorbij de kassa neerzette. Het feit dat verdachte wel degelijk een product heeft afgerekend, vormt tevens een contra-indicatie dat verdachte het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening had. Verder is er bij het zichtbaar passeren met producten langs de kassa, nog geen sprake van een strafbare wegnemingshandeling. Tot slot heeft de raadsvrouw bestreden dat er sprake is geweest van geweld.

Ten aanzien van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 3 primair

Uit de bewijsmiddelen kan het volgende chronologische verloop van de gebeurtenissen worden afgeleid. Nadat verdachte in de Albert Heijn in een krat bier een aantal andere producten had gelegd, liep hij met dit krat langs kassa 6 met wachtende mensen en zette het krat met producten op het achterste deel van de kassaband. [persoon 1] , die verdachte in de winkel al enige tijd in de gaten hield, sprak verdachte vervolgens aan op het feit dat hij niet had afgerekend. Verdachte liet [persoon 1] vervolgens een kassabon zien, waarvan [persoon 1] vaststelde dat hierop, hoewel het een bon van de Albert Heijn betrof, niet de producten stonden die verdachte bij zich had. Verdachte liet daarop een aantal producten op de kassaband achter en liep, met het krat bier en een hamburger, naar een andere kassa en bood deze daar ter betaling aan. Toen verdachte erachter kwam dat hij te weinig geld bij zich had voor beide producten, rekende hij alleen de hamburger af. [persoon 1] heeft ondertussen de op kassaband 6 achterlaten producten gepakt en ergens anders neergelegd. Na het afrekenen van de hamburger is verdachte terug gelopen naar kassa 6, is vlak voor [persoon 1] gaan staan en heeft hem gevraagd: ‘Waar zijn mijn producten?’

De gedragingen van verdachte moeten naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van de goederen. Nadat verdachte langs kassa 6 was gelopen en op zijn gedrag werd aangesproken, stelde verdachte zich als heer en meester over de goederen op en liet een andere bon zien. Even later bleek dat verdachte ook niet genoeg geld bij zich had om al die producten te betalen. De rechtbank concludeert dat verdachte nimmer de bedoeling heeft gehad alle goederen af te rekenen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening en acht dat onderdeel van het ten laste gelegde bewezen op grond van genoemde bewijsmiddelen.

Voorts blijkt uit de aangifte van [persoon 1] dat verdachte, nadat hij naar [persoon 1] was toegelopen en vlak voor hem was gaan staan en hem op intimiderende toon vroeg waar zijn producten waren, agressief werd en tegen [persoon 1] begon te schreeuwen. Hierna ontstond er duw- en trekwerk tussen verdachte en [persoon 1] waarbij verdachte, blijkens de camerabeelden, [persoon 1] een flinke duw heeft gegeven. Voornoemde geweldshandelingen van verdachte tegen [persoon 1] - zo kort na de diefstal - moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gelet op de woorden van verdachte: “Waar zijn mijn producten?” worden aangemerkt als te zijn gericht op het verzekeren van het bezit van het gestolene, de achtergebleven producten bij kassa 6. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en acht bewezen dat verdachte een diefstal gevolgd van geweld heeft gepleegd, zoals hierna in rubriek 6 bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 4 en 5

Op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage zijn vervat, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 4 en 5 ten laste gelegde.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 26 maart 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een chocoladebroodje toebehorende aan tankstation BP [locatie 1] ;

ten aanzien van feit 2:

op 26 maart 2016 te Amsterdam [verbalisant 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik zou liever die pen in je ogen steken" en hierbij een dreigende houding aangenomen en prikkende bewegingen gemaakt in de richting van voornoemde [verbalisant 1] ;

ten aanzien van feit 3 primair:

op 27 februari 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen toebehorende aan het winkelbedrijf Albert Hein, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon 1] , een medewerker van het winkelbedrijf Albert Heijn, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, opzettelijk dreigend zeer dicht bij voornoemde [persoon 1] is gaan staan en tegen voornoemde [persoon 1] heeft geschreeuwd en welke geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [persoon 1] heeft weggeduwd;

ten aanzien van feit 4:

op 27 februari 2016 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de in uniform geklede [verbalisant 2] , dienstdoende als brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten werkzaam als Chef van Dienst aan het politiebureau [locatie 2] , in zijn gezicht en op zijn kleding heeft gespuugd;

ten aanzien van feit 5:

op 27 februari 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een dagverblijf in het Politiebureau [locatie 2] toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, heeft beschadigd door de muren van voornoemd dagverblijf te bekrassen en onbruikbaar gemaakt door ontlasting tegen de muren van voornoemd dagverblijf te smeren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten en verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar, met inachtneming van hetgeen hieronder in rubriek 8.3 wordt overwogen.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS) op te leggen, gemaximeerd tot vier jaar conform artikel 38 e Sr. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats is aan de wettelijke voorwaarden tot opleggen van TBS met dwangverpleging voldaan: de feiten betreffen misdrijven die ernstig genoeg zijn voor oplegging van de TBS maatregel, tijdens het begaan van de feiten bestond bij verdachte een psychische stoornis en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van de maatregel. In de tweede plaats is TBS met dwangverpleging de enige mogelijkheid om verder gevaar voor de samenleving en verdachte te voorkomen. Andere strafmodaliteiten zijn er naar de mening van de officier van justitie niet meer. Zij heeft haar aanvankelijke voornemen tot het eisen van de ISD-maatregel laten varen, omdat al twee maal eerder is gebleken dat de ISD-maatregel geen gewenst effect heeft gesorteerd. Bovendien is de ISD-maatregel voorbehouden aan daders waarbij sprake is van lichte vergrijpen. Ook plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr of een opname middels de Wet BOPZ zijn gelet op de (behandel)geschiedenis van verdachte een gepasseerd station. Het thans door de deskundigen geconstateerde ziektebeeld verschilt niet van het destijds gediagnosticeerde ziektebeeld, zodat bij deze gelijkblijvende omstandigheden niet valt in te zien dat de in het verleden opgelegde behandelingen nu wel een kans van slagen zouden hebben.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter zitting verklaard de eis van de officier van justitie onbegrijpelijk te vinden. Dit in de eerste plaats omdat die eis in strijd is met de goede procesorde; de verdediging wist niet beter dan dat het Openbaar Ministerie de ISD-maatregel zou vorderen. In de tweede plaats is de onderbouwing van de eis uitermate zwak en bovendien is er niet aan de voorwaarden tot opleggen van TBS voldaan. De raadsvrouw pleit voor een straf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, zodat verdachte op grond van de Wet BOPZ klinisch kan worden behandeld. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw aansluiting te zoeken bij de Pro Justitia rapportage van 2 januari 2014 waarin verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging, zodat verdachte ex artikel 37 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden geplaatst.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de straftoemeting allereerst gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van levensmiddelen toebehorende aan de Albert Heijn, gevolgd door geweld en een diefstal van een broodje bij een BP tankstation. Bij het plegen van de diefstallen heeft verdachte slechts oog gehad voor zijn gewin en heeft hij zich op geen enkel moment bekommerd om de financiële schade en overlast die hij door zijn handelen heeft veroorzaakt. De diefstal bij de Albert Heijn wordt hem des te kwalijker genomen, nu hij, ter verzekering van het bezit van de gestolen levensmiddelen, tegen een medewerker van de Albert Heijn heeft geschreeuwd en hem een duw heeft gegeven. Dit type feiten brengt, gezien het openlijke karakter daarvan, tevens gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging en een belediging van politieambtenaren in functie. Een bedreiging grijpt in de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, in dit geval een politieambtenaar, en kan psychische gevolgen met zich brengen. Belediging in de vorm van spugen naar een ambtenaar in functie geeft een gebrek aan respect jegens de betreffende agent aan en is een grof gebaar van minachting. Tot slot heeft verdachte, nadat hij ter zake van voornoemde met geweld was aangehouden en naar het politiebureau was overgebracht, zijn cel beschadigd en onbruikbaar gemaakt.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 8 juni 2016, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder diefstallen, vernieling en belediging. Daarbij zijn, soms in voorwaardelijke vorm, gevangenisstraffen opgelegd. Daarnaast is in 2007 en 2010 de ISD-maatregel aan verdachte opgelegd. Verder is verdachte in 2014 in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die onder meer zijn gebleken uit de Pro Justitia rapportage van 10 juli 2016, opgemaakt door N.A.J. van de Laar, psychiater en de Pro Justitie rapportage van 7 juli 2016, opgemaakt door Drs. M.L. de Groot, GZ-psycholoog over de persoon van verdachte en de toelichting die de psychiater en psycholoog als deskundigen ter zitting aan de rechtbank hebben gegeven. De rapportages zijn opgesteld met betrekking tot de feiten 1 en 2. Uit de rapportages en toelichting van de deskundigen ter zitting blijkt – samengevat – het volgende.

Het rapport van N.A.J. van de Laar houdt - zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Bij verdachte is er sinds 2003 met enige regelmaat sprake geweest van periodes van ontremming. Tijdens deze periodes varieerde de stemming van eufoor tot dysfoor, was er sprake van zeer chaotisch gedrag, afgenomen slaapbehoefte, onsamenhangende gejaagde spraak en fysieke onrust. De psychiater concludeert dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis, te weten een Bipolaire I Stoornis. Omdat niet met zekerheid is te stellen of er manische episodes zijn geweest die niet vooraf zijn gegaan door misbruik van drugs of methylfenidaat wordt als differentiaal diagnose Bipolaire Stoornis N.A.O. gesteld. De manische episodes werden immers altijd aan het begin van een detentieperiode of opname in een kliniek geobserveerd en de symptomen verbleekten na enkele weken, veelal na instelling op anti psychotische (stemmingsstabiliserende) medicatie. Dit zou (mede) een verklaring kunnen zijn voor de langdurende periodes in klinieken waar betrokkene zonder stemmingsstabiliserende medicatie symptoomvrij is geweest. Hierbij dient overigens te worden vermeld dat de kans op een (manische) ontregeling sowieso is verminderd binnen de structuur en regelmaat van een kliniek. Ter terechtzitting heeft de psychiater nog verduidelijkt dat een Bipolaire Stoornis niet altijd betekent dat er ook sprake is van depressieve periodes, het belangrijkste criterium is de aanwezigheid van manische periodes. Het gaat bij een bipolaire stoornis vooral over stemmingswisselingen. De psychiater heeft, afgezien van de verklaringen van de vriendin van verdachte, geen aanwijzingen dat bij verdachte sprake van depressieve periodes is.

Verdachte onderkent deze diagnose niet. Hij is ervan overtuigd dat al zijn klachten en ontregelingen toegeschreven kunnen worden aan de diagnose ADHD. De psychiater kan, ondanks dat er symptomen zijn die passen bij een aandachtstekort stoornis, die diagnose niet stellen, omdat er onvoldoende aanwijzingen voor deze stoornis tijdens de kindertijd zijn. Bovendien zouden de eerder gerapporteerde aandachts- en concentratieproblemen worden verklaard als zijnde restsymptomen van de recente doorgemaakte manische episode. Desgevraagd heeft de psychiater ter terechtzitting aangegeven dat de symptomen behorende bij de diagnose ADHD bijna voortdurend aanwezig moeten zijn, maar dat er bij verdachte ook periodes zijn dat er geen sprake is van hyperactiviteit. Daarnaast heeft zij benadrukt dat wat er ook zij van het bestaan van ADHD bij verdachte, de andere problematiek meer op de voorgrond staat en prioriteit behoeft in behandeling. Een juiste diagnose is wel van belang bij het bepalen van de juiste medicatie: een Bipolaire Stoornis vormt een contra-indicatie voor het geven van Ritalin.

Naast de Bipolaire Stoornis stelt de psychiater misbruik van alcohol, cocaïne, cannabis en amfetamine vast en een persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk anti-sociale en enige borderline kenmerken.

Verband diagnose en delicten 1 en 2

De psychiater verondersteld dat verdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde onder 1 en 2 in een manische episode bevond waarbij het zeer wel mogelijk is dat excessief alcohol en cocaïne gebruik een luxerende rol hebben gespeeld. Het manische toestandsbeeld is een verklaring waarom de stemming ogenschijnlijk zonder duidelijke aanleiding “als een blad aan de boom kon omslaan”. De stemming van verdachte was dermate verhoogd en prikkelbaar dat een geringe provocatie een impulsieve verbaal agressieve en fysiek dreigende reactie kon uitlokken. De psychiater concludeert dat het gedrag van verdachte ten tijde van feit 2 in sterke mate werd beïnvloed door de manische ontremming en adviseert om verdachte ten aanzien van dit feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ten tijde van feit 1 leek verdachte nog enige controle te hebben en kan verondersteld worden dat zijn opportunisme en de anti-sociale cognities hebben bijgedragen aan de diefstal. Echter, gezien de gestoorde impulscontrole en algehele ontremming kan verondersteld worden dat de manie ook van invloed is geweest ten tijde van dit feit. Resumerend stelt de psychiater dat door invloed van de stoornissen verdachte in verminderde mate in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen en adviseert om hem ten aanzien van feit 1 verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Psycholoog De Groot komt in haar bovengenoemde rapportage in grote lijnen tot dezelfde conclusies als de psychiater. Echter ten aanzien van de toerekenbaarheid overweegt zij in haar rapport het volgende.

Met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat verdachte manisch was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Tijdens manische episodes is de stemming van verdachte verhoogd, raakt hij snel geïrriteerd en vertoont hij druk, impulsief en soms bizar en onaangepast gedrag. De manische episodes gaan veelal samen en/of worden mede getriggerd door excessief alcohol- en druggebruik. De psycholoog neemt aan dat feit 1 hoofdzakelijk vanuit opportunistische motieven is gepleegd. Deze antisociale en opportunistische levensstijl houdt verband met de bij hem vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar niet in die mate dat hij door zijn persoonlijkheidsproblematiek wordt beperkt in zijn vrije wil en gedragskeuze. Echter, het manische toestandsbeeld waarin verdachte zich ten tijde van feit 1 bevond, heeft er vermoedelijk wel voor gezorgd dat verdachte impulsiever handelde dan normaal en minder werd gehinderd door gedragsremmingen en mogelijkheden om zijn gedrag te heroverwegen. Om deze reden wordt geadviseerd om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te houden voor feit 1. Met betrekking tot feit 2 concludeert de psycholoog dat de manische stemming van verdachte voor een groot deel heeft bijgedragen aan zijn prikkelbaarheid ten tijde van dit feit en aan zijn ontremming in gedrag. Om deze reden adviseert de psycholoog om verdachte ten aanzien van feit 2 verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de conclusies aangaande de toerekenbaarheid van de psychiater en de psycholoog verschillen. Ter terechtzitting hebben de psychiater en de psycholoog desgevraagd verklaard dat dit een nuanceverschil betreft. De psycholoog heeft daaraan toegevoegd dat zei zich wat feit 1 betreft bij nader inzien kan vinden in de conclusie van de psychiater.

De rechtbank neemt de door de psychiater geadviseerde conclusies van de toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van de feiten 1 en 2 over en maakt deze tot de hare. De psychiater heeft haar oordeel hierover duidelijk gemotiveerd en voor verdergaande conclusies in de zin van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, zoals door de raadsvrouw van verdachte bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank overweegt voorts dat zij de conclusies van de mate van toerekeningsvatbaarheid overneemt ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte door de rapporteurs is onderzocht nádat de onder 3 tot en met 5 ten laste gelegde feiten zijn gepleegd. De rapporteurs concludeerden toen tot het bestaan van voornoemde stoornis. De psychiater heeft gerapporteerd dat er vanaf 2003 met grote regelmaat periodes van manische ontremming zijn geobserveerd. Daarnaast heeft de psychiater ter terechtzitting verklaard dat de diagnose ten tijde van de gepleegde feiten 3 tot en met 5 hoogstwaarschijnlijk hetzelfde zal zijn. Daarbij komt dat de feiten 3 tot en met 5 hebben plaatsgevonden relatief kort vóór de feiten 1 en 2, namelijk één maand eerder. Tevens vertonen de waargenomen gedragingen van verdachte met betrekking tot de feiten 3 tot en met 5 grote gelijkenis met de feiten die door de rapporteurs wel zijn onderzocht: het betreft - kort gezegd - een diefstal en kort daarna (en ten gevolge daarvan) een belediging van een verbalisant en een vernieling. Beide rapporteurs hebben ten aanzien van de feiten als bedreiging, belediging en/of vernieling geconcludeerd dat juist dergelijke feiten door verdachte worden gepleegd in een manische episode. Er zijn, tot slot, geen omstandigheden die aanleiding geven om anders te oordelen. Gezien bovengenoemde omstandigheden acht de rechtbank verdachte dan ook ten aanzien van feit 3 verminderd toerekeningsvatbaar en ten aanzien van de feiten 4 en 5 sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Risicoprognose

De psychiater vermeldt in haar rapportage dat de voorgeschiedenis van verdachte met een zeer groot aantal soortgelijke feiten een aanwijzing is voor een hoog recidiverisico. Bij de kans op herhaling spelen zowel de Bipolaire Stoornis als het middelengebruik en de persoonlijkheidsproblematiek een belangrijke rol. Tijdens episodes van manische ontremming, vaak voorafgegaan door of gepaard gaand met excessief middelengebruik, is het gedrag ontremd en de kans op verbaal agressieve impulsdoorbraken aanzienlijk verhoogd. Ook de persoonlijkheidspathologie, met sterke antisociale cognities, kleurt het gedrag. Dit staat mogelijk meer op de voorgrond bij de vermogensdelicten. Deze zogenaamde historische risico-indicatoren spelen een belangrijke rol bij de inschatting van het recidiverisico. In dit kader kunnen ook de moeizame hulpverleningsvoorgeschiedenis, het beperkte arbeidsverleden en de traumatische ervaringen in de kindertijd worden genoemd. Bij de klinische en dynamische indicatoren springt met name het gebrekkige ziekte-inzicht in het oog: omdat verdachte zijn stoornis niet onderkent, staakt hij zijn medicatie en komt hij zijn behandelafspraken niet na, met alle gevolgen van dien. Hij toont zich niet bewust van de risico’s van (overmatig) gebruik van alcohol, drugs en methylfenidaat. De kans op maniforme ontregeling neemt bovendien aanzienlijk toe bij het ontbreken van een vaste structuur en stabiele woonomgeving. De ontbrekende dagbesteding en ontbrekende huisvesting kunnen daarom ook als risico-indicatoren worden genoemd. De kans op herhaling van soortgelijke feiten bij gelijkblijvende omstandigheden is groot, aldus steeds de psychiater. De psycholoog sluit zich hierbij aan en heeft in haar advies ten aanzien van het risico op de herhaling in verbale geweldsdelicten nog vermeldt dat verdachtes stemming tijdens manische episodes verhoogd is en slaat snel om in agitatie wanneer hem bijvoorbeeld een grens wordt gesteld of wanneer hij zich onheus of autoritair bejegend voelt. Door de ontremming in zijn gedrag, is er een groot risico op verbaal agressieve uitingen. Doordat spanning bij hem ongemerkt en snel hoog oploopt, zonder dat hij hier voeling mee heeft, is er eveneens een groot risico op woede-uitbarstingen, waarin hij zich, vooralsnog, alleen uit ageert op spullen door ze te vernielen.

Behandeladvies

De psychiater en ook de psycholoog concluderen dat de behandeling van verdachte in eerste instantie gericht dient te worden op het creëren van ziektebesef en ziekte-inzicht. Dit omdat verdachte de diagnose Bipolaire Stoornis verwerpt. Pas na acceptatie van deze stoornis is er een basis voor psycho-educatie, waarbij hij passende medicatie accepteert, risicofactoren voor ontregeling leert kennen en de eerste signalen van ontregeling herkent. Naar verwachting van de psychiater is een langer durende klinische behandeling noodzakelijk om de behandeldoelen te bereiken. Hoewel verdachte zich thans gemotiveerd toont voor een klinische behandeling, is het onwaarschijnlijk dat deze motivatie in vrijwilligheid lang zal standhouden. Verder is het van groot belang om na de opname in te zetten op een stevig nazorgtraject. Een dergelijke klinische behandeling zou geboden kunnen worden binnen het kader van een ISD-maatregel of binnen de Wet BOPZ. Ter terechtzitting heeft de psychiater toegelicht dat bij beide behandelkaders eenzelfde behandeling binnen een FPA of FPK zal plaatsvinden, waarvan in het verleden is gebleken dat verdachte in een dergelijke setting goed functioneerde. Het verschil zit hem hierin dat de ISD-maatregel voor een vooraf vaststaande periode van kracht is en pas op een later moment in het traject getoetst wordt. Van de BOPZ-maatregel staat niet vast voor hoe lang deze van kracht is. Daarnaast is de procedure om in aanmerking te komen voor een opname BOPZ anders. De psychiater verwacht dat op grond van de achtergrondinformatie van verdachte er voldoende grond is om een rechtelijke machtiging af te geven.

TBS

Uit het voorgaande is gebleken dat sprake is van een diepgewortelde problematiek die een lange geschiedenis kent en dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is om de kans op recidive te verminderen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag welke straf of maatregel passend en geboden is. Verdachte heeft sedert 2003 al meerdere behandelingen en opnames ondergaan. Verdachte verleende aanvankelijk zijn medewerking, maar gaandeweg staakte hij zijn medicatie en kwam behandelafspraken niet na, mede veroorzaakt door het gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht. De psychiater heeft daaraan nog toegevoegd dat er in het verleden veel tijd verloren is gegaan door discussie omtrent de juiste diagnostiek. Indien in een eerder stadium wordt ingestoken op resocialisatie zou een hernieuwde behandeling een positief verloop kunnen hebben. Ook het feit dat verdachte nu de zorg voor een dochter heeft, kan hieraan positief bijdragen, aldus de psychiater.

Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op de adviezen van de deskundigen, de door de officier van justitie gevorderde maatregel van TBS niet passend en geboden. Deze maatregel is een uiterste middel om recidive te beperken, dat niet lichtvaardig ingezet moet worden. Deze maatregel wordt opgelegd als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist (artikel 37a, eerste lid sub 2, Sr). Uit de rapportages van de deskundigen volgt niet dat uit veiligheidsoogpunt het opleggen van de TBS maatregel noodzakelijk is. Het strafblad van verdachte biedt daarvoor evenmin aanknopingspunten. Zoals de officier van justitie zelf heeft aangegeven, gaat het om “vervelende” en “overlastgevende” feiten, die verdachte pleegt. Gelet op de relatief geringe ernst van de feiten en gelet op de conclusies van de deskundigen dat het risico op herhaling door de ISD-maatregel of een rechterlijke machtiging tot opname in het kader van de BOPZ kan worden afgewend, volgt de rechtbank de officier van justitie niet in haar standpunt dat het uit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is om verdachte de TBS maatregel op te leggen.

Straf

De rechtbank heeft, gezien bovenstaande adviezen van de deskundigen, in overweging genomen dat het opleggen van de ISD-maatregel een ultieme poging zou kunnen zijn om de recidive van verdachte te beëindigen en om een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn problematiek en voorts ter bescherming van de maatschappij. De rechtbank ziet zich echter in een situatie geplaatst waarin de officier van justitie geen vordering tot oplegging van de ISD-maatregel heeft gedaan, zodat zij gezien het bepaalde in artikel 38, eerste lid, Sr tot oplegging van deze maatregel niet kan beslissen.

De rechtbank zal dan ook een straf opleggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten zoals hierboven is gebleken en de mate van toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van de feiten.

De rechtbank zal in het kader van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden in de zaak met parketnummer 13/702602-15 een gedeelte groot, 1 maand, van de voorwaardelijk straf tenuitvoerleggen en de proeftijd met één jaar verlengen. Deze beslissing is in een aparte beschikking neergelegd. Deze maand gevangenisstraf kan benut worden om de benodigde hulpverlening (in het kader van de BOPZ of anderszins) op te starten aansluitend aan detentie. Door de voorwaardelijke straf niet volledig ten uitvoer te leggen, is er tevens het vangnet van de reclassering achter de hand.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 27 mei 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/702602-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 november 2015 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijke deel van deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Omdat de rechtbank echter bij afzonderlijke beschikking (deels) de tenuitvoerlegging zal gelasten in verband met de overtreding van de bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging in verband met de overtreding van de algemene voorwaarde afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 267, 285, 310, 312 en 350 Sr.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3 primair:

diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van feit 4:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken en beschadigen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor de bewezen verklaarde feiten strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 188 (honderdachtentachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijs de vordering tot tenuitvoerlegging (overtreding algemene voorwaarde) van de voorwaardelijke straf opgelegd bij genoemd vonnis van 13/702602-15, af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.C.M. Oude Hengel, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en M.A.E. Somsen, rechters

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2016.