Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5419

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
13/660232-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Vordering tot verlenging voorwaardelijke beëindiging plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Wettelijke onmogelijkheid tot terugplaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Dilemma. Toewijzing verzoek tot verlenging met 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/6.19

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/660232-12

BESCHIKKING

op de op 13 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 12 juli 2016 in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [PI] ,

tot aan zijn detentie verblijvende [adres] .

die bij vonnis van de rechtbank van 18 februari 2013 en bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 6 mei 2013 werd veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Bij beschikking van 3 november 2015 heeft de rechtbank de terugplaatsing van veroordeelde gelast voor de duur van twee maanden, met ingang van 16 oktober 2015.

Bij beschikking van deze rechtbank van 16 december 2015 zijn de voorwaarden bij de voorwaardelijke beëindiging als volgt komen te luiden:

“algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

-zich ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

-zich zal gedragen naar de aanwijzingen van een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling of bijzondere reclasseringsambtenaar, ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding inhouden;

-zich niet zal onttrekken aan het toezicht op de naleving van de voorwaarden.

Stelt, naast de hiervoor van rechtswege geldende algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

-zich in het kader van de meldplicht zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in andere bijzondere voorwaarden. Daartoe moet de veroordeelde zich gedurende de bepaalde periode blijven melden zo lang en frequent als de reclassering dit nodig acht;

-mee zal werken aan STP;

-geen drugs of alcohol zal innemen;

-zal meewerken aan urine controles;

-een dagbesteding, in de vorm van werk/opleiding zal hebben;

-zal meewerken aan inzet bewindvoering;

-zal meewerken aan inzet time-out;

-zal meewerken aan een ambulante behandeling door GGZ of een soortgelijke instelling.

-zal meewerken aan een ambulante behandeling door Inforsa of een soortgelijke instelling.

-zal meewerken aan een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang in die zin dat veroordeelde zal verblijven in de [stichting 1] , waarbij veroordeelde zal verblijven op de crisisopvang van de [stichting 1] , tot het moment dat hij (op 6 januari 2016) kan worden geplaatst bij [stichting 2] ;

-zal meewerken aan een opname in voornoemde woonbegeleidingsinstelling [stichting 2] ;

-mocht de plaatsing bij [stichting 2] mislukken, dat veroordeelde zal meewerken aan de intake en plaatsing bij [stichting 3] ;

-zich zal houden aan een avondklok voor de duur van 3 maanden, inhoudende dat veroordeelde iedere dag van 21.00 uur tot 06.00 uur zal zijn in de instelling waar hij (dan) zijn woonplek heeft dan wel, indien hij op (weekend)verlof is, van 21:00 uur tot 06:00 uur op de verlofplek.”

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2016 is de terugplaatsing van veroordeelde van 3 februari 2016 tot 25 februari 2016 gelast en is de vordering tot terugplaatsing voor het overige afgewezen. Tegen die beschikking is hoger beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie. Daarop is thans nog niet beslist.

De inhoud van de vordering.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging met 1 (één) jaar.

De procesgang.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

- het op 7 juni 2016 uitgebrachte advies, van JBRA, strekkende tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met één jaar, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen.

De rechtbank heeft op 16 augustus 2016 de officier van justitie, de tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde (hierna: veroordeelde), diens raadsvrouw mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, en [naam 1] , werkzaam bij Reclassering Nederland, in de raadkamer met gesloten deuren gehoord.

De standpunten

De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij haar vordering. Mocht het hof in hoger beroep ten aanzien van de vordering tot terugplaatsing anders beslissen dan de rechtbank, dan heeft het Openbaar Ministerie er belang bij dat de voorwaardelijke beëindiging met een jaar is verlengd. Na ommekomst van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging is het namelijk niet mogelijk terugplaatsing van verdachte te vorderen en opnieuw naar (voorwaardelijke) beëindiging van de maatregel toe te werken. Het huidige toezicht kan in deze vorm niet worden voorgezet. Mocht het hof het hoger beroep ongegrond verklaren, dan verandert daar niets aan.

De reclassering heeft ter zitting aangegeven dat moet worden toegewerkt naar terugplaatsing van verdachte, waarna opnieuw kan worden toegewerkt naar een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel via het scholings- en trainingsprogramma (STP). De reclassering ziet op dit moment geen mogelijkheden veroordeelde nog langer te begeleiden in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.

Veroordeelde heeft aangegeven dat hij niet bereid is zich aan enige te stellen voorwaarde te houden en dat hij geen heil ziet in verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, nu verlenging van de voorwaardelijke beëindiging niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde.

De beoordeling.

De rechtbank overweegt het volgende. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat voortzetting van het huidige toezicht niet (langer) mogelijk is. Sinds de beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2016 is veroordeelde alles behalve meewerkend en gemotiveerd geweest en daarin zal naar het zich laat aanzien geen verandering komen binnen het huidige toezicht. Afwijzing van de vordering van de officier van justitie zou echter tot de merkwaardige situatie leiden dat veroordeelde in zekere zin – zij het indirect – voor zijn slechte gedrag wordt beloond.

Het Openbaar Ministerie en de reclassering hebben aangegeven dat terugplaatsing van verdachte en het opnieuw toewerken naar voorwaardelijke beëindiging via een STP de enige mogelijkheid is die zij nog zien. Terugplaatsing van veroordeelde is op dit moment, mede gelet op voornoemde beschikking en het feit dat op het daartegen gerichte hoger beroep nog niet is beslist, echter evenmin een optie.

De rechtbank ziet zich – wederom – voor een dilemma gesteld. Zij moet in het licht van het bovenstaande beoordelen waar de maatschappij het meest bij gebaat is, in het licht van de ontwikkeling van veroordeelde. Het kan niet in het belang van veroordeelde, noch de maatschappij zijn om hem bij de huidige stand van zaken – onbehandeld en zonder structuur – in de maatschappij te laten terugkeren. Het einde van de voorwaardelijke beëindiging zal daar echter wel toe leiden. Hoewel het zeer de vraag is in hoeverre verlenging van de voorwaardelijke beëindiging, in afwachting van de beslissing van het gerechtshof in hoger beroep, tot een andere uitkomst zal leiden, zal de rechtbank daartoe toch beslissen.

Beslissing.

De rechtbank:

Wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de voorwaardelijke beëindiging met 1 (één) jaar.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.P.E. Has en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2016.