Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5375

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
AMS 16/4717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing vovo, schorsing zonder bezoldiging, onvoldoende gebleken dat strafvervolging is ingesteld als bedoeld in NRGA

De gemeente Amsterdam heeft verzoeker geschorst na verdenking van ambtelijke corruptie, in eerste instantie met behoud van salaris. Met het bestreden besluit is die schorsing omgezet in een schorsing zonder salaris. Dat mag volgens de regelgeving van de gemeente -NRGA- pas als er strafrechtelijke vervolging is. Daarvan is op dit moment nog geen sprake. Het besluit wordt daarom geschorst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4717

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Almere, verzoeker

(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Hauser).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft verweerder het dienstverband van verzoeker geschorst en hem de toegang tot de werkplek en het contact met collega’s verboden. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bestaande schorsing omgezet in een schorsing met inhouding van bezoldiging.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door [betrokkene] , [naam functie] van het Bureau integriteit van verweerder.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Hij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij hij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepszaak.

2.1

Verzoeker is werkzaam bij verweerder in de functie van [naam functie] bij de [naam afdeling] van stadsdeel [naam stadsdeel] . Hij is belast met het beheer van de [ruimte] . Begin maart 2016 heeft verweerder bericht gekregen van de rijksrecherche dat er een ernstig vermoeden bestaat dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke corruptie en plichtsverzuim. De rijksrecherche en het Bureau integriteit van verweerder hebben een nader onderzoek ingesteld. Op 7 maart 2016 heeft de rechter-commissaris een machtiging gegeven tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van verzoeker. Op 8 maart 2016 heeft het openbaar ministerie de woning en werkplek van verzoeker doorzocht. Die dag heeft verweerder verzoeker geschorst met behoud van bezoldiging. Sinds 11 april 2016 is er ook beslag gelegd op verzoekers loon.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de schorsing met behoud van bezoldiging omgezet in een schorsing met inhouding van bezoldiging. Gedurende de periode van zes weken na het nemen van het besluit wordt verzoekers salaris verminderd met een derde. Daarna wordt het helemaal stopgezet. De reden voor de omzetting is volgens het besluit een bericht van het openbaar ministerie dat verweerder inmiddels bereikt heeft, inhoudende dat tegen verzoeker strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens het plegen van een misdrijf.

3. Tussen partijen is ten eerste in geschil of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening, het schorsen van het bestreden besluit. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat in het kader van het strafrechtelijk onderzoek beslag is gelegd op al zijn gelden en goederen. Hij heeft een salarisspecificatie overgelegd van het maandinkomen van zijn echtgenote, te weten € 735,-- netto, waarvan verzoeker en zijn gezin nu moeten rondkomen. Dat is al onvoldoende om de woninghuur van € 943,94 van te betalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker hiermee genoegzaam heeft onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het schorsen van het bestreden besluit.

4. Verzoeker voert de volgende gronden tegen het bestreden besluit aan.

De omzetting is onterecht. Schorsing met inhouding van salaris kan volgens de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) alleen plaatsvinden als sprake is van strafvervolging. In de toelichting op die regeling staat uitgelegd in welke drie limitatief opgesomde situaties sprake is van strafrechtelijke vervolging als bedoeld in de NRGA. Die zijn hier alle drie niet van toepassing. Er bestond daarom geen rechtsgrond voor de omzetting.

5.1

Op grond van artikel 13.2, eerste lid, van de NRGA kan de ambtenaar worden geschorst met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) zolang nog geen oordeel is gevormd over de schorsing op grond van artikel 13.3, eerste lid, en het dienstbelang in overwegende mate eist dat hij zijn functie niet vervult.

5.2

Op grond van artikel 13.3, eerste lid, van de NRGA kan de ambtenaar worden geschorst, als:

a. hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor het plegen van een misdrijf;

b. hij is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens het plegen van een misdrijf;

c. het voornemen bestaat hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen;

d. het voornemen bestaat een aan hem voorwaardelijk opgelegd strafontslag ten uitvoer te leggen.

5.3

Uit de Toelichting op artikel 13.3, eerste lid, onder a, van de NRGA blijkt voor zover van belang het volgende. Er is sprake van een strafrechtelijke vervolging als:

a. een strafzaak wordt voorgelegd door het Openbaar Ministerie aan de rechter;

b. de verdachte ambtenaar in verzekering is gesteld; [..]

c. de verdachte ambtenaar in voorlopige hechtenis is gesteld. [..]

Als een ambtenaar bijvoorbeeld voor verhoor een aantal uren naar het politiebureau wordt meegenomen is er geen sprake van een strafrechtelijke vervolging. Bij een inbewaringstelling en een strafrechtelijke dagvaarding uiteraard wel.

6. Verweerder voert aan dat sprake is van strafrechtelijke vervolging. Daarbij verwijst verweerder naar een arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU8744) waaruit blijkt dat een vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris van een doorzoeking ter inbeslagname moet worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Bij zowel de doorzoeking op 8 maart 2016 van verzoekers woning en werkplek als bij de machtiging tot conservatoir beslag op 7 maart 2016 is de rechter-commissaris betrokken. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat voldaan is aan de onder sub a. genoemde situatie in de Toelichting op de NRGA, dat de strafzaak is voorgelegd aan de rechter.

7.1

In het bestreden besluit is het volgende opgenomen: ‘Inmiddels heeft mij via het openbaar ministerie het bericht bereikt dat tegen u een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens het plegen van een misdrijf.’ Dat bericht bevindt zich niet in het dossier. De voorzieningenrechter heeft verweerder voorafgaand aan de zitting gevraagd dat bericht over te leggen. Verweerder heeft daarop een stuk overgelegd van Bureau Integriteit waaruit blijkt dat op 7 maart 2016 conservatoir beslag is gelegd en op 8 maart 2016 een doorzoeking heeft plaatsgevonden, feiten die uit het dossier al bekend waren. Er is geen nieuwe informatie overgelegd over eventuele vervolgingsbeslissingen van het openbaar ministerie. Ter zitting is gebleken dat verzoeker (thans) niet is gedagvaard.

7.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom niet gebleken van een strafzaak die door het openbaar ministerie wordt voorgelegd aan de rechter, als bedoeld in sub a. van de Toelichting op de NRGA. Dat de doorzoeking en de machtiging tot conservatoir beslag op grond van strafrechtelijke rechtspraak moeten worden aangemerkt als daden van vervolging in de zin van artikel 72, eerste lid, van het WvSr mist hier relevantie. Dat artikel ziet op de stuiting van de verjaring van een strafbaar feit. Hier ligt ter toetsing voor of sprake is van strafrechtelijke vervolging als bedoeld in artikel 13.3, eerste lid, onder a van de NRGA. Die Toelichting op de NRGA definieert wanneer dat het geval is, namelijk als sprake is van voorarrest (sub b en c) of als de strafzaak wordt voorgelegd aan de rechter (sub a). Niet in geschil is dat sub b en c niet aan de orde zijn. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat van sub a. alleen sprake is als de betrokkene is gedagvaard. Dat, zoals verweerder heeft betoogd, de betrokkenheid van de rechter-commissaris bij de doorzoeking en het conservatoir beslag ook moet worden gekwalificeerd als ‘de strafzaak voorleggen aan de rechter’ volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat voor de toepassing van artikel 13.3, eerste lid, onder a, van de NRGA vereist is dat sprake is van een substantiële mate van verdenking. Dat kan blijken uit een dagvaarding of voorarrest. Het mogelijk maken van een doorzoeking of inbeslagname vereist een minder hoge mate van verdenking en is onvoldoende om als ‘de strafzaak voorleggen aan de rechter’ gekwalificeerd te worden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat, zolang verzoeker niet is gedagvaard, niet is voldaan aan het in artikel 13.3, eerste lid, onder a, van het NRGA neergelegde vereiste om hem te schorsen met inhouding van bezoldiging.

8. Vooralsnog is daarom niet zeker of het bestreden besluit in bezwaar zal standhouden. Verzoeker heeft een zwaarwegend belang bij toewijzing van de voorziening. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,--, en een wegingsfactor 1). Ook draagt de voorzieningenrechter verweerder op het door verzoeker betaalde griffierecht van € 168,-- te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.