Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5343

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
C/13/612591 / FA RK 16-5159
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv. Er is geen dringende noozaak om in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking

(bij vervroeging)

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team familie & jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/612591 / FA RK 16-5159 (Hho/ml)

Beschikking van 24 augustus 2016 betreffende voorlopige voorzieningen zoals bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. J.M. Wigman te `s-Gravenhage,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. van Wassenberg te Amstelveen.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

1.2.

Het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening en het verweer daartegen is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 18 augustus 2016.

Verschenen en gehoord zijn: partijen bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij de beschikking van deze rechtbank van

3 juni 2012 is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Door inschrijving van de echtscheiding is het huwelijk van partijen op 19 juni 2012 ontbonden. In een door partijen ondertekend echtscheidingsconvenant is afgesproken dat de man € 567,= per maand partneralimentatie ten behoeve van de vrouw zal voldoen.

2.2.

Bij de beschikking van 3 december 2014 is de vrouw in haar verzoek de door de man te betalen partneralimentatie te wijzigen niet-ontvankelijk verklaard. Bij de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 september 2015 is - met vernietiging van genoemde beschikking van 3 december 2014 en met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 13 juni 2012 - de door de man te betalen partneralimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 februari 2014 bepaald op € 1.288,= per maand en met ingang van 1 maart 2015 op € 1.099,= per maand.

2.3.

Bij het vonnis van 24 juni 2016 van de rechtbank Amsterdam is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken. Van de totale schuld van ongeveer € 30.000,- betreft een bedrag van ongeveer € 20.000,- achterstallige partneralimentatie ten behoeve van de vrouw.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De man verzoekt in de hoofdzaak met dienovereenkomstige wijziging van genoemde beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 september 2015 op grond van een wijziging van omstandigheden de door hem te betalen partneralimentatie ten behoeve van de vrouw te bepalen op nihil met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift, te weten 22 juli 2016.

3.2.

De man verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om bij afzonderlijk vooraf te wijzen en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, de door hem te betalen partneralimentatie alvast op nihil te bepalen met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift.

3.3.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en inzake het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en geconcludeerd het verzoek van de man af te wijzen.

3.4.

Partijen hebben op de zitting van 18 augustus 2016 hun standpunten nader toegelicht.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

Ingevolge artikel 223, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

4.2.

Bij de uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 e.v. Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen dan in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed, een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaald voor dagvaardingsprocedures.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat het algemene vereiste voor toewijsbaarheid van een voorlopige (provisionele) vordering is, dat de verzoekende partij bij haar vordering belang heeft, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een dergelijke voorziening op grond van artikel 223 Rv, ertoe leidt dat het belang bij de gevraagde voorziening zodanig dringend moet zijn dat van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht.

4.4.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot een voorlopige voorziening aangevoerd dat hij in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak nu al duidelijkheid wenst te verkrijgen of zijn verzoek tot nihilstelling wordt toegewezen.

4.5.

De vrouw heeft zich verweerd en aangevoerd dat de belangen van partijen dienen te worden afgewogen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij al een bedrag te kort kwam omdat de man te weinig alimentatie betaalde, dat de man nu een aanzienlijk bedrag overhoudt na berekening van het vrij te laten bedrag en dat zij daarom een bijdrage van de man dient te ontvangen. De vrouw heeft daarom een zwaarder belang dan de man bij nihilstelling voor de duur van het geding, aldus de vrouw.

4.6.

Anders dan de vrouw stelt gaat het in dit geval niet om een belangenafweging in de door haar aangevoerde zin. Het gaat immers om de vraag of de verzochte voorziening zodanig dringend is dat niet kan worden gevergd dat de man de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. De rechtbank acht hetgeen de man ter zake heeft aangevoerd onvoldoende om dat aan te nemen. De man zit immers in de schuldsanering en beschikt over een minimale vrij te laten bedrag van € 45,= per week, waarvan hij geen alimentatie aan de vrouw kan betalen. Voorts kan er geen beslag bij hem worden gelegd omdat hij niet aan zijn alimentatieplicht voldoet. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd over de berekening van het vrij te laten bedrag leidt niet tot een andere beslissing. Het is aan de rechtercommissaris in de schuldsaneringsregeling en niet aan de rechtbank om beslissingen te nemen over de hoogte van het vrij te laten bedrag en de vraag of er in dit specifieke geval aanleiding is om wel rekening te houden met de alimentatieplicht.

4.7.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat hetgeen de man heeft gesteld onvoldoende aanwijzingen oplevert om te concluderen dat de man een dringend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening.

4.8.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de man in het incident afwijzen en de behandeling/beslissing in de hoofdzaak aanhouden tot een nader te bepalen terechtzitting. Zoals ter zitting ook besproken kan de rechtbank zich voorstellen dat (de meest gerede) partij(en) zich wendt/en tot de rechtercommissaris met het verzoek om een beslissing op de vraag of in deze specifieke situatie de alimentatie in de berekening van het vrij te laten bedrag op nihil blijft gesteld. Achtergrond daarvan is immers dat hetgeen gespaard wordt uit de inkomsten boven het vrij te laten bedrag verdeeld wordt onder alle schuldeisers. Nu de vrouw onweersproken de grootste schuldeiser is en de man maandelijks een fors bedrag afdraagt aan de boedel, zodanig dat het er op lijkt dat binnen de looptijd van de schuldsaneringsregeling alle schuldeisers kunnen worden voldaan, zou een andere beslissing van de rechtercommissaris in dit geval voorstelbaar kunnen zijn.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

- wijst het verzoek af;

in de hoofdzaak

- houdt de behandeling aan tot een nog nader te bepalen terechtzitting.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M. Langereis, griffier, op 24 augustus 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.