Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5294

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4557
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting horecabedrijf voor vier weken. Mishandeling door exploitant in de horecagelegenheid. Verdwenen camera beelden. Cameratoezicht en bewaartermijn van twee weken van de opnamen vormt een van de pijlers om de openbare orde te waarborgen rondom de horeca gelegenheid en is daarom ook opgenomen in het veiligheidsplan. De exploitant is bij uitstek verantwoordelijk voor een goed beheer van het camerasysteem

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2774
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7386

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4557

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2016 in de zaak tussen

[de man] h.o.d.n. [bedrijf] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: F.D.J.A. Pieters),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Boermans).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 13 juli 2016 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek heeft betrekking op het door verzoeker ingediende bezwaar van 1 juli 2016 tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2016. Het besluit betreft de intrekking van de exploitatievergunning voor de duur van vier weken en de last onder bestuursdwang het horecabedrijf [bedrijf] aan de [straatnaam] te Amsterdam gedurende die tijd gesloten te houden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2016.

Verzoeker heeft zich laten bijstaan door mr. M. Houben kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Aan de zijde van verzoeker is nog verschenen zijn adviseur [betrokkene] Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is voorts nog verschenen, mr. A.K.E. de Vries.

Overwegingen

1.1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de exploitatievergunning van het horecabedrijf [bedrijf] (hierna: ook het horecabedrijf) voor de duur van vier weken ingetrokken en onder last van bestuursdwang bevolen het horecabedrijf te sluiten voor die periode. Verweerder heeft het besluit nog niet geëffectueerd. Zoals verweerder schriftelijk heeft meegedeeld, zal de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om schorsing van dit besluit worden afgewacht.

De aanleiding

2. Verzoeker is eigenaar en exploitant van het horecabedrijf [bedrijf] . Uit het het proces-verbaal van de politie van 29 april 2016 blijkt dat verzoeker zijn medewerkster tevens zijn vriendin in de horecagelegenheid heeft geslagen. In het proces-verbaal staat daarover dat de medewerkster en verzoeker al vijf jaar een relatie hebben, samen een zoon hebben van 20 maanden en sinds enkele maanden samenwonen. Volgens de aangifte van de medewerkster heeft verzoeker haar al wel eens eerder geslagen. Verder staat in het proces-verbaal dat de aangeefster op [datum] 2016 om [tijdstip 2] begonnen is met werken en verzoeker toen hij de bar binnen kwam haar begon uit te schelden voor hoer en met vlakke hand op haar heeft ingeslagen op haar gezicht hoofd en armen, tot wel tien keer. Toen de medewerkster op de grond lag, trok verzoeker haar aan de haren over de grond. Toen een portier schreeuwde heeft verzoeker haar losgelaten. Vervolgens kreeg de medewerkster toen zij opstond en de zaak wilde verlaten, nog twee klappen op haar hoofd. Verzoeker werd toen vastgepakt door de portier en tegengehouden. De medewerkster werd toen door een andere portier opgetild en uit de zaak gezet, zo staat in het proces-verbaal van aangifte. De vrouw heeft tevens aangegeven dat zichtbaar letsel in haar gezicht is ontstaan.

In het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker van 29 april 2016 staat dat hij had gehoord dat zijn vriendin vreemd ging met een medewerker van het naastgelegen horecabedrijf van zijn broer. Verzoeker heeft tegen de politie gezegd rustig te zijn gebleven en hij niks tegen zijn vriendin heeft gezegd. Maar toen zijn vriendin drie keer werd gebeld en zij vertelde dat het de medewerker was, werd het zwart voor zijn ogen en heeft hij haar één keer voor de bar en één keer achter de bar geslagen.

In een rapport van het Horecateam van de politie staat dat de politie naar de camerabeelden van de bewuste avond heeft gevraagd, maar verzoeker die niet direct heeft gegeven. De advocaat van verzoeker heeft op een later moment meegedeeld dat die niet meer aanwezig zijn omdat deze maar tot drie dagen terug bekeken kunnen worden.

Het besluit

3. Op grond van artikel 3.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester onder andere de vergunning tijdelijk intrekken als: a. de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde overtreedt en b. naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, een gevaar voor de openbare orde vormen of een bedreiging voor het woon- en leefklimaat vormen. De burgemeester is tot de intrekking van de vergunning overgegaan omdat verzoeker zijn medewerkster in het horecabedrijf heeft geslagen. Volgens de burgemeester blijkt daaruit slecht levensgedrag en vormt dit gedrag een gevaar voor de openbare orde en een bedreiging van het woon- en leefklimaat. De omstandigheid dat de beelden van de bewuste avond niet direct ter hand zijn gesteld aan de politie en evenmin de voorgeschreven twee weken zijn bewaard, wordt verzoeker eveneens tegengeworpen. Hierdoor heeft verzoeker volgens de burgemeester het strafrechtelijk onderzoek en het bestuurlijk onderzoek gefrustreerd en in strijd met de voorschriften van het veiligheidsplan gehandeld. Dit alles tezamen vormt volgens de burgemeester een ernstige inbreuk op de openbare orde en een bedreiging van het woon- en leefklimaat, zodat hij zich bevoegd acht om de exploitatievergunning tijdelijk in te trekken.

Voor het toepassen van de bestuursdwang is in het bestreden besluit verwezen naar artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht.

De inbreuk op de openbare orde

4.1

De voorzieningenrechter is het eens met het standpunt van de burgemeester dat verzoeker als leidinggevende verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan. Voorts getuigt verzoekers gedrag van slecht levensgedrag. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker erkent dat hij zijn vriendin, tevens medewerkster heeft geslagen. De burgemeester mocht dan ook de conclusie trekken dat sprake is van mishandeling. Verzoeker nuanceert weliswaar zijn gedragingen ten opzichte van de weergave in het proces-verbaal van aangifte, maar ook met de door verzoeker bepleitte nuance, blijft staan dat hij als exploitant/eigenaar van het horecabedrijf een werkneemster heeft geslagen. Een dergelijke gang van zaken verhoudt zich niet met de voorbeeldfunctie die de burgemeester van een horecaondernemer verwacht. Overigens stelt de voorzieningenrechter vast dat de door verzoeker beschreven gang van zaken van een paar klappen, wel erg afwijkt van wat in het proces-verbaal van de aangifte staat, over het aantal maal dat is geslagen, het aan de haren wegslepen en de tussenkomst van de portiers. Dit geeft een veel ernstiger beeld van verzoekers handelen dan hij kennelijk zelf heeft beleefd. Overigens kan verzoeker zijn nuancering niet onderbouwen nu hij niet meer beschikt over de camerabeelden.

4.2

Ten aanzien van de camerabeelden blijkt uit de zienswijze, die is ingediend voorafgaande aan het besluit van 23 juni 2014, dat de politie direct na het incident van vrijdag 29 april 2016 aan verzoeker heeft gevraagd de camerabeelden te verstrekken. Dit heeft verzoeker niet gedaan op advies van zijn (toenmalige) advocaat omdat laatstgenoemde de beelden eerst wilde bekijken teneinde verzoeker deugdelijk te adviseren. Volgens de zienswijze waren de beelden in het weekend van 30 april 2016 - 1 mei 2016 nog beschikbaar. Op maandag 2 mei 2016 bleken de beelden niet meer beschikbaar, omdat het nieuwe camerasysteem het op dat moment niet mogelijk maakte om langer dan 3,5 dag terug te kijken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester verzoeker eveneens mocht tegenwerpen dat de camerabeelden niet meer beschikbaar waren. In het veiligheidsplan van het horeca bedrijf staat immers dat verzoeker de camerabeelden twee weken moet bewaren. Verzoekers standpunt dat de beelden niet met opzet zijn gewist maar door een technisch mankement zijn verdwenen, acht de voorzieningenrechter irrelevant. Vast staat immers dat deze beelden er niet meer zijn. Verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij uitstek verantwoordelijk om zijn camerasysteem zo te beheren dat de beelden twee weken bewaard blijven, zodat deze op cruciale momenten, zoals geweldsincidenten in de horecazaak, voor politie en justitie beschikbaar zijn. Dat is de essentie van het cameratoezicht dat in het veiligheidsplan is opgenomen. Het cameratoezicht met de bewaartermijn van veertien dagen, vormt één van de pijlers om de openbare orde en veiligheid in en rondom het horecabedrijf te waarborgen. Dat het hier een net nieuwe installatie betreft maakt juist dat verzoeker extra alert had moeten zijn of deze installatie wel volgens het veiligheidsplan was geïnstalleerd. Ook de mail van het installatiebedrijf dat het systeem heeft geplaatst van 4 mei 2016 ontslaat verzoeker niet van zijn verantwoordelijkheid. Anders dan verzoeker meent mocht de burgemeester dan ook de mishandeling, het handelen in strijd met de regels en het frustreren van het politie onderzoek verzoeker volledig aanrekenen en bij zijn besluit betrekken. Dit betekent dat de burgemeester in het bestreden besluit tot de conclusie kon komen dat er een ernstig gevaar was voor de openbare orde en bedreiging van het woon- of leefklimaat en bevoegd was tot sluiting over te gaan.

De hoogte van de sanctie

5.1

Ter zitting is besproken dat het sanctiebeleid zoals weergeven in de Handhavingsstrategie Horeca en Slijterijen, Amsterdam 2013 niet is toegepast, maar dat de burgemeester maatwerk heeft willen leveren met de onderhavige sanctie van vier weken sluiting. Volgens verzoeker moet desalniettemin ook in zo een geval worden aangesloten bij het sanctiebeleid. Verzoeker acht in dat geval een sanctie stap 1 uit categorie 2 redelijk (een bij een eerste ernstige overtreding, één week dicht).

De gemachtigde van de burgemeester heeft ter zitting naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht opgemerkt dat hier sprake is van mishandeling en het sanctie beleid daarin niet in voorziet. Zoals de gemachtigde ter zitting heeft toegelicht, zou zelfs al zou worden aangesloten bij het sanctiebeleid gelet op de mishandeling, het handelen in strijd met de voorschriften en de frustratie van het politie onderzoek een sanctie van vier weken sluiting bij een overtreding als deze niet onevenredig zijn. Daarbij komt bij dat de burgemeester de mishandeling zwaar tilt aan de situatie zoals weergeven in het proces-verbaal van aangifte.

5.2

Verweerder zal in de beslissing op bezwaar nader kunnen motiveren waarom naar zijn oordeel in dit geval vier weken sluiting als passend wordt geacht. Gelet op de hiervoor onder 5.1 genoemde toelichting ter zitting, acht de voorzieningenrechter geen aanleiding om een sluiting van vier weken onevenredig te achten.

De voorzieningenrechter volgt verder het standpunt van de burgemeester dat het hier een excessieve situatie betreft en daarom geen aanleiding is de coulanceregeling toe te passen, omdat dit beleid een dergelijke situatie uitsluit. Dat verzoeker in zijn bedrijfsvoering van onbesproken gedrag is geweest kan dan ook op grond van de coulanceregeling niet leiden tot een minder zware sanctie.

5.3

Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te menen dat verweerder gelet op de gestelde financiële situatie van verzoekers bedrijf had moeten afzien van de sanctie dan wel een lagere sanctie had moeten toepassen. Zoals ter zitting is toegelicht gaat de burgemeester bij het opleggen van een dergelijke sanctie uit van een gezonde onderneming. Wat verzoeker voorstaat is dat een financieel minder draagkrachtige onderneming een lagere sanctie zou krijgen voor een zelfde overtreding, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met het gelijkheidsbeginsel. Dat verzoekers bedrijf een dergelijke sanctie niet zou overleven is onvoldoende onderbouwd. De enkel mededeling van de boekhouder daarover is onvoldoende.

5.4

Evenmin ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat de vriendin van verzoeker in een verklaring van 1 mei 2016 heeft verklaard over de verbeterde situatie tussen haar en verzoeker en de inmiddels gestarte hulpverlening, geen grond het oordeel dat de getroffen maatregel niet gerechtvaardigd zou zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gewijzigde verklaring van de vriendin niet overtuigt en dat er meer waarde moet worden gehecht aan hetgeen zij direct na het incident op 29 april 2016 heeft verklaard. Voorts kan er niet aan worden voorbijgegaan dat het incident heeft plaatsgevonden in een horecagelegenheid waar de vriendin van verzoeker als medewerkster aanwezig was. Ook al zou de privésituatie tussen verzoeker en zijn vriendin zijn verbeterd, dan is dat niet van betekenis voor het antwoord op de vraag of het besluit tot sluiting van de horecagelegenheid wegens het geweldsincident en de bijkomende omstandigheden, gerechtvaardigd was.

Conclusie

6.1

Al met al ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om het besluit te schorsen. Naar alle waarschijnlijkheid zal het bestreden besluit in bezwaar stand kunnen houden. Het verzoek zal worden afgewezen.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht door verweerder bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Coll:WGS