Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:529

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
13/706695-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geneeskundige toepassing van cannabis. Art. 3 Opiumwet. Beroep op noodtoestand door HIV-geïnfecteerde patiënt. In dit geval is sprake van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in het arrest, HR 16-09-2008 ECLI:NL:HR:2008:BC7938. Ook voor zowel zelf telen als voorhanden hebben cannabis.

Verdachte heeft in 1992 tijdens zijn werk als verpleegkundige bij een prikincident een HIV-infectie opgelopen. De inname van de HIV-medicijnen leidt tot misselijkheid en braken, wat alleen met bepaalde soorten cannabis kan worden beperkt. Na legalisering van medicinale cannabis is de teelt gegund aan de firma Bedrocan, maar de door deze firma geleverde (6) variëteiten zijn voor verdachte niet werkzaam. Verdachte heeft 5 gram per dag nodig en ziet zich genoodzaakt zelf een specifieke soort cannabis te telen die wel afdoende werkt. Gelet op de door verdachte aangedragen medische stukken is de rechtbank van oordeel dat hij voldoende heeft aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat voor het gebruik van medicinale cannabis. Verder heeft verdachte met stukken voldoende aangetoond dat er geen redelijk legaal alternatief is om aan de benodigde cannabis te komen. Verdachte ziet zich gesteld voor een conflict van belangen: naleving van de wet enerzijds en anderzijds het voorkomen van een levensbedreigende situatie, veroorzaakt door het niet kunnen binnenhouden van medicijnen als gevolg van misselijkheid en braken. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 2008 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie waarin verdachte in redelijkheid de keuze heeft kunnen maken om zelf de door hem benodigde cannabissoort te kweken. Er is mitsdien sprake van een uitzonderlijke situatie waarin het beroep op overmacht-noodtoestand als bedoeld in artikel 40 Wetboek van Strafrecht slaagt. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de feiten in dit geval niet strafbaar zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 40
Opiumwet
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2016/155
NJFS 2016/85
GJ 2016/74 met annotatie van mr. J-P. van Barneveld
NBSTRAF 2016/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/706695-15 (Promis)

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres]
en aldaar verblijvend.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 december 2015 en 27 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. O.J.M. van der Bijl en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.G.M.C. Peters naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van

- 1 juni 2014 tot en met 3 december 2014 en/of

- 4 december 2014 tot en met 30 juni 2015 en/of

- 1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015

te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

- 24 hennepplanten en/of hennepstekjes (1 juni 2014 tot en met 3 december 2014) en/of

- 24 hennepplanten en/of hennepstekjes (4 december 2014 tot en met 30 juni 2015 en/of
1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015) en/of

- 3 potten henneptoppen (57,01 gram) (1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 3 december 2014 en/of 28 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer)

- 24 hennepplanten en/of hennepstekjes op 3 december 2014 en/of

- 24 hennepplanten en/of hennepstekjes en/of 3 potten henneptoppen (57,01 gram) op 28 augustus 2015, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigen bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte en het aantreffen van de planten, stekjes en plantdelen op 3 december 2014 en 28 augustus 2015.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft bekend dat hij hennep heeft geteeld en dat hij de hennepplanten en henneptoppen in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft echter niet gehandeld in strijd met de ratio van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 (hierna: Enkelvoudig Verdrag) of van de Opiumwet, te weten de bescherming van de volksgezondheid. Verdachte heeft immers de hennep geteeld om zijn eigen gezondheid te bevorderen, namelijk om de negatieve bijwerkingen van zijn HIV-medicatie te onderdrukken. Hij had niet het opzet om de volksgezondheid te schaden. Nu hij niet heeft gehandeld in strijd met de geest van de wet is zijn handelen niet strafbaar en dient hij van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat verdachte hennep heeft geteeld en dat hij hennepplanten en
-plantdelen, te weten de toppen, aanwezig heeft gehad. Verdachte ontkent dit niet. Hij heeft verklaard de hennep voor eigen medicinaal gebruik te telen en voorhanden te hebben.

Voor wat betreft de stelling van verdachte dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de geest van de wet, overweegt de rechtbank met een verwijzing naar het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 17 oktober 2006 (zaak [naam] : ECLI:NL:GHLEE:AZ0244) dat noch uit de wettekst van noch uit de toelichting op de Opiumwet valt af te leiden dat de ratio van de wetgever is geweest dat het verbod uitsluitend toeziet op (commerciële) hennepteelt met het oog op de handel in cannabisproducten waardoor mogelijk een gezondheidsrisico voor de gebruiker ontstaat. Gesteld noch gebleken is dat het Enkelvoudig Verdrag rechtstreeks werkende bepalingen bevat waaraan verdachte een aanspraak jegens de Staat kan ontlenen.

Verdachte heeft zijn eigen medicinale hennep geteeld. Dit heeft hij opzettelijk gedaan. Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt dat verdachte geen ontheffing heeft voor de teelt en deze onder de huidige wetgeving niet kan krijgen. Nu verdachte geen ontheffing heeft vallen de gedragingen van verdachte samen met wat de wetgever heeft bedoeld met de wettelijke termen van strafbaar telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Gelet op voorgaande en op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte vallen onder de verbodsbepalingen van artikel 3 onder B en onder C van de Opiumwet.

4.5

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 en 2

4.5.1.De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vanaf juli 2014 heb ik thuis medicinale cannabis gekweekt. Ik ben de hele tijd doorgegaan met telen. Anders kom ik niet aan de cannabis die ik dagelijks nodig heb.

4.5.2

Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1300-2014296661-7 d.d. 22 december 2014 opgemaakt door [verbalisant 1] , van de politie Eenheid Amsterdam, inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaar van de hennepkwekerij. Ik heb 12 volwassen planten en 12 stekjes voor de volgende fase. Ik heb één keer geoogst vanaf juli 2014. Dit was 312 gram droog gewicht aan hennep.

4.5.3

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2014296661-2 van 4 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 3 december (de rechtbank begrijpt: 2014) kregen wij van de meldkamer opdracht te gaan naar de [adres] , waar een bezoeker drugs zou hebben aangetroffen in een woning. In de woning roken wij een sterke henneplucht. Op ons verzoek toonde de hoofdbewoner, [verdachte] , ons een twaalftal hennepplanten. Tevens zagen wij een werkende assimilatielamp boven de planten. [verdachte] toonde ons tevens een slaapkamer waarin een kweektent stond. Deze was gevuld met twaalf hennepplanten met daarboven een werkende assimilatielamp. Wij zagen dat boven de tent een afvoerkanaal uit de tent kwam die lucht afvoerde naar de gang van de woning.

4.5.4

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015193804-1 van 28 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 28 augustus 2015 bevonden wij ons in de woning op de [adres] nadat door collega [verbalisant 6] een hennepplantage was aangetroffen. Op het adres staat [verdachte] ingeschreven.

Wij zien in de eerste kamer rechts naast de voordeur een zwarte kweekkast met 12 grote planten die wij ambtshalve herkenden als hennepplanten. Verder zagen wij kweekbenodigdheden: een assimilatielamp, een koolstoffilter, een aan- en afzuiginstallatie. In de toiletruimte troffen wij 12 planten aan die wij herkenden als stekjes van hennepplanten. Tevens zagen wij dat er diverse kweekbenodigdheden in de ruimte aanwezig waren. Wij constateerden op grond van onze kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren. In de meterkast troffen wij drie potten met ons ambtshalve bekende henneptoppen aan. In de potten zaten respectievelijk 22,11 gram, 13,2 gram en 21,7 gram henneptoppen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

in de periode van

- 1 juni 2014 tot en met 3 december 2014 en

- 4 december 2014 tot en met 30 juni 2015 en

- 1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015

te Amsterdam, telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

- 24 hennepplanten en hennepstekjes (1 juni 2014 tot en met 3 december 2014) en

- 24 hennepplanten en hennepstekjes (4 december 2014 tot en met 30 juni 2015 en 1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015) en

- 3 potten henneptoppen (57,01 gram) (1 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015),

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ten aanzien van feit 2

op 3 december 2014 en 28 augustus 2015 te Amsterdam, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 24 hennepplanten en hennepstekjes op 3 december 2014 en

- 24 hennepplanten en hennepstekjes en 3 potten henneptoppen (57,01 gram) op 28 augustus 2015.

6 De strafbaarheid van de feiten

6.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij hennep heeft geteeld en voorhanden heeft gehad. Vast staat dat verdachte uit medische noodzaak cannabis gebruikt en moet gebruiken.

Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, deze feiten ook strafbaar zijn, maar dat hij hiervoor geen straf of maatregel zal vragen. De officier van justitie vraagt om schuldigverklaring zonder straf als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Toetsingskader

Uit het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC7923, hierna het [naam] -arrest) volgt dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval mee kunnen brengen dat op grond van de Opiumwet strafbare gedragingen niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer in geval van een noodtoestand. Dat kan zich voordoen als de pleger van het feit bij de noodzakelijke keus uit onderling strijdige plichten de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Omdat er een bijzondere regeling van ontheffing mogelijk is zal een beroep op noodtoestand slechts bij hoge uitzondering worden aanvaard, zo valt in het arrest te lezen.

Nu het Openbaar Ministerie de stellingen van verdachte betwist dat hij alle verkrijgbare variëteiten heeft geprobeerd en dat verkrijging van andere bij de apotheek verkrijgbare variëteiten niet mogelijk is gebleken, kan de rechtbank niet zonder meer aannemen dat de door verdachte geteelde soort de enige is die voor hem soelaas biedt.

De vraag is of het zelf telen van cannabis door verdachte de enige oplossing is en of het onverkort toestaan van deze teelt, zonder bijzondere voorwaarden of bijzondere vorm van toezicht daarop, in dit geval de uitkomst van een belangenafweging zou moeten zijn.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen het aanwezig hebben van een betrekkelijk geringe hoeveelheid cannabis op een bepaald moment en het telen van cannabis in een appartement in een woonwijk in Amsterdam.

Vooropgesteld is dat de strafbaarstelling van de gedragingen primair als reden heeft dat cannabis schadelijk wordt geacht voor de volksgezondheid. Daarnaast is de openbare orde in het geding. De aanwezigheid van een hennepplantage, zoals die verdachte stelt nodig te hebben (51 planten), trekt andere vormen van criminaliteit aan, zoals inbraken. Daarnaast bestaan er een verhoogd brandrisico en overlast in de zin van geuroverlast.

Als het gaat om het afwegen van de rechtsplichten, zoals het [naam] -arrest dat voorschrijft, moet er een verschil worden aangenomen tussen teelt en aanwezig hebben, waarbij de verplichting om zich te onthouden van teelt zwaarder weegt dan die om zich te onthouden van het strafbaar aanwezig hebben van, bescheiden hoeveelheden cannabis, aldus de officier van justitie.

Zelf telen versus elders betrekken van cannabis

Niet is gebleken dat de thans verkrijgbare soorten cannabis voor verdachte niet werken. Het is aan verdachte om aannemelijk te maken dat de door hem geteelde soort cannabis aanzienlijk beter bij hem past dan de medicinaal verkrijgbare soorten. De overgelegde medische stukken (productie 5, 6 en 7 bij het kort geding) maken geen onderscheid tussen gekochte of zelf geteelde cannabis en leggen niet uit welke soort cannabis geschikt zou zijn voor verdachte. Kennelijk kan verdachte ook goede cannabis kopen bij de gedoogde coffeeshops. Hieruit volgt dat er voldoende redelijke alternatieven zijn voor verdachte, waardoor de teelt niet kan worden toegestaan. Dit ligt wellicht anders voor het aanwezig hebben, dat immers noodzakelijk samenhangt met het elders betrekken van de hennep.

Het zelf telen is kennelijk goedkoper dan het betrekken van de cannabis bij de coffeeshops. De financiële afweging kan geen grond opleveren voor een ontslag van alle rechtsvervolging. Het strafrecht is er niet om een oplossing te bieden voor het vastlopen of niet geheel doorlopen van civiele of bestuurlijke procedures. Een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging hoort alleen te slagen als al het andere redelijkerwijs is gedaan om te voorkomen dat een strafrechtelijke bepaling wordt geschonden.

De officier van justitie is subsidiair van mening dat ten aanzien van feit 2 ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Ten aanzien van feit 1, het zelf telen van de cannabis, blijft hij op het standpunt dat dit een strafbaar feit is, maar dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte beroept zich op overmacht dan wel noodtoestand. Zij voert onder meer het volgende aan.

Medische noodsituatie:

Verdachte is voor zijn bestaan afhankelijk van het gebruik van 5 gram cannabis per dag. Zonder cannabis kan hij zijn medicijnen niet binnen houden, wordt zijn HIV-infectie levensbedreigend en ontstaat er voor hem een medische noodsituatie. Professor E. Danner schrijft in zijn brief van 21 december 2015 onder meer dat verdachte van de oude HIV medicatie een ontsteking aan de lange zenuwbanen heeft opgelopen, die hem veel pijn bezorgt. De huidige anti-HIV-medicatie bezorgt verdachte veel klachten in de zin van misselijkheid en braken. Professor Danner heeft verklaard dat het enige dat helpt tegen de misselijkheid, het eetlustgebrek en de polyneuropathie-pijn, cannabis is. De medicinale cannabis die bij de apotheek verkrijgbaar is, werkt niet goed bij verdachte. De huisarts heeft verklaard dat cannabis voor verdachte werkt als pijnbestrijding en ter bestrijding van de misselijkheid. Ook de internist-infectioloog dr. F.J. Nellen onderschrijft het gebruik van 5 gram cannabis per dag om de klachten van misselijkheid, braken, pijn en verminderde eetlust te bestrijden, nu andere anti-emetica in het verleden ineffectief zijn gebleken. Reeds in 2008 is door de GGD-arts, de heer Timmermans, in een procedure over de vergoeding van medicinale cannabis, vastgesteld dat sprake was van een noodtoestand. Ook de Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 26 januari 2010 overwogen dat “het gebruik van cannabis voorkomt dat er voor betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat”. Vast staat derhalve dat sprake is van een acute, objectiveerbare noodtoestand.

Adequatie vereiste, effectief middel om de noodtoestand op te heffen

Professor Danner schrijft in zijn brief van 21 december 2015 dat er verschillende variëteiten van de cannabisplant bestaan die alle een verschillend spectrum aan werking vertonen, afhankelijk van de individuele gevoeligheid, de hoogte van bloedspiegels aan actieve stoffen die bereikt worden, de wijze van toediening en eventuele co-medicatie. Het is niet eenvoudig om de gewenste dosering aan te geven. Mevrouw drs. K. Höner Snoeken, apotheker van het BMC, schrijft in haar brief van 28 augustus 2008 dat de dosering zeer verschillend kan zijn per individuele patiënt en dat het aan de voorschrijvende arts is om samen met de patiënt de optimale dosering te bepalen.

Dr. A. Hazekamp heeft ter terechtzitting van het gerechtshof Leeuwarden van 3 oktober 2006 in de zaak tegen [naam] verklaard dat er veel verschillen zijn in de planten cannabis en dat het effect wordt bereikt door de gezamenlijke werking van de verschillende stoffen in de plant. Er is vergelijkend onderzoek gedaan naar de kwaliteit van cannabis van de apotheek en de coffeeshop, waarbij is gebleken dat de cannabis van de apotheek veilig was en die van de coffeeshop in alle (elf) gevallen vervuild was met schimmels en bacteriën. Voorts verklaarde hij dat de werkzaamheid niet alleen is af te meten aan het THC-gehalte, maar dat er ook andere werkzame stoffen zijn, met name de groep terpenen, die werkingen hebben als ontstekings-remmende en antibacteriële activiteiten. Er zijn al meer dan 700 types van de cannabisplant beschreven. In de zaak van mevrouw [naam 1] schrijft Hazekamp (brief van 1 juni 2011) onder meer dat er een groot aantal zogenoemde variëteiten bekend is onder recreatieve gebruikers, meer dan 700, en dat het zeer waarschijnlijk is dat de huidige vier in de apotheek verkrijgbare cannabis variëteiten niet het gehele scala van medicinale effecten bestrijkt.

Het is, aldus de raadsvrouw, zeer aannemelijk, gezien de hoeveelheid variëteiten, dat de door de apotheek verstrekte variëteiten niet werken bij verdachte. Alle bij de behandeling van verdachte betrokken artsen ondersteunen het zelf kweken van cannabis omdat de gezondheid van verdachte hier aantoonbaar baat bij heeft, het middel is effectief.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Verdachte moet een afweging maken tussen het voldoen aan de vereisten van de Opiumwet en sterven of het niet voldoen aan de Opiumwet en blijven leven. Het belang om in leven te blijven weegt voor verdachte evident zwaarder dan het voldoen aan de (strikte) interpretatie van de Opiumwet. Het kweken van de eigen cannabis is proportioneel, nu hij kweekt in een eenvoudige kweektent met 51 planten (stekken, jonge planten en planten in bloei). Hiermee kan hij voorzien in zijn behoefte.

Verdachte heeft alle mogelijke alternatieven zonder succes beproefd. Hij kweekt liever niet zelf, maar kan niet anders. Verdachte heeft niet alleen alle medische alternatieven geprobeerd, hij heeft ook de politiek benaderd alsmede de media, om een legale basis te krijgen voor het kweken van cannabis door patiënten, zonder de dreiging van een strafrechtelijke vervolging.

Veiligheid/overlast

Op 3 december 2014 heeft de politie hennepplanten bij verdachte aangetroffen. Na overleg met de officier van justitie zijn 19 planten in beslag genomen. Vijf planten mocht hij houden, evenals de kweekbenodigdheden. De politie heeft alles veilig bevonden.

Ondanks dat op 13 juni 2015 bekend was dat verdachte meer dan vijf planten had heeft hij op 30 juni 2015 van de officier van justitie de toezegging gekregen dat niet tot inbeslagname zou worden overgegaan dan nadat de zaak voor de rechter is gebracht. Op 28 augustus 2015 werden de hennepplanten en de kweekbenodigdheden desalniettemin inbeslaggenomen en vernietigd. In een kort geding werd dit handelen onrechtmatig geoordeeld en moest de staat een nieuwe kweekinrichting betalen en moest de gederfde oogst gecompenseerd worden.

Er is vanaf 14 juni 2014 tot heden geen sprake geweest van een gevaarlijke situatie noch van dreigend gevaar voor een gevaarlijke situatie of overlast. Dit blijkt ook uit het optreden van de woningbouwvereniging Eigen Haard, die via een civiele procedure aan de rechter zal vragen een kweekverbod op te leggen en de uitkomst van deze procedure zal bepalend zijn of er een ontruimingsprocedure wordt gestart. Uit de wijze van optreden van de politie en van de woningbouwvereniging kan worden afgeleid dat er geen gevaar is voor verdachte of omwonenden.

Tenslotte

In onderhavige zaak is sprake van een conflict van plichten. Enerzijds het maatschappelijk belang bij naleving van de Opiumwet en anderzijds het bestrijden van bijwerkingen van HIV-medicatie, pijnbestrijding en het behoud van leven.

Verdachte teelt een cannabisplant waarvan de werkzame stoffen precies bij zijn cannabinoïd-receptoren passen en die daarom een bijzonder positieve uitwerking op zijn ziekteverloop hebben. Nu er geen redelijke alternatieven zijn moet geconcludeerd worden dat onder alle voornoemde bijzondere omstandigheden, de belangen van het bestrijden van de bijwerkingen van de verplichte medicatie, bestrijden van de pijn en het behoud van leven zwaarder moeten wegen dan het maatschappelijk belang bij handhaving van de Opiumwet.

Verdachte heeft bij de afweging van de belangen de juiste keuze gemaakt die, objectief beschouwd en gelet op de zich in dit geval voordoende bijzondere omstandigheid, gerechtvaardigd is en blijft voor de toekomst. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Medische noodzaak voor het gebruik van cannabis

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken het volgende blijkt. Verdachte heeft in 1992 tijdens zijn werk als verpleegkundige bij een prikincident een HIV-infectie opgelopen. In de loop der tijd heeft hij veel anti-HIV middelen gebruikt, waarvan hij ernstige bijwerkingen kreeg. In maart 1998 is door D.W. Notermans, arts-assistent interne geneeskunde, verklaard dat de op dat moment gebruikte anti-HIV medicijnen het virus onderdrukken. Deze middelen hebben veel bijwerkingen, waaronder misselijkheid en braken. De bestrijding hiervan met reguliere middelen is niet succesvol gebleken. Alleen met gebruik van marihuana kan hij de misselijkheid sterk beperken. Notermans verklaart ook, samengevat, dat zolang er geen alternatieven zijn voor de HIV-medicatie geprobeerd moet worden de bijwerkingen palliatief te behandelen, waarbij medicinaal gebruik van marihuana een belangrijke rol kan spelen.

In 2009 heeft dr. F.J.B. Nellen, internist-infectioloog geschreven dat verdachte zeer stipt zijn medicatie moet innemen en dat een bijwerking misselijkheid en eventueel braken is. Anti-emetica hadden geen effect. Met medicinale marihuana is er momenteel sprake van een stabiele situatie. Falen van de voorgeschreven therapie leidt tot het ontstaan van een noodsituatie. Op 12 juni 2015 schrijft zij als volgt: “inmiddels is de medicatie gewijzigd en is patiënt in staat deze te nemen. Hij heeft vijf gram cannabis per dag nodig om de klachten van misselijkheid, braken, pijn passend bij de geconstateerde polyneuropathie en verminderde eetlust te bestrijden. Andere anti-emetica zijn in het verleden reeds ineffectief gebleken. Onderbreken van de medicatie, ook door braken, kan leiden tot het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn.” (aanvullende stukken overgelegd door de raadsvrouw, bijlage 7, productie 7).

Ook de huisarts van verdachte, [naam huisarts] , schrijft op 30 april 2015 onder meer dat verdachte steeds aangeeft baat te hebben bij de voorgeschreven cannabis (5 gram daags) en dat hij zich de afgelopen jaren stabiel toonde. Tevens schrijft hij: “Wat betreft de klachten ter bestrijding van misselijkheid zijn alternatieve middelen uitgeprobeerd en niet effectief gebleken (tevens de thans verschillende typen medicinale cannabis zoals voorradig via de farmaceutische industrie)”(aanvullende stukken overgelegd door de raadsvrouw, bijlage 7, productie 6).

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat er voor verdachte een medische noodzaak bestaat voor het gebruik van medicinale cannabis.

De rechtbank heeft voorts te beoordelen of het verdachte vrijstaat om voor dat doel zelf cannabis te kweken en deze derhalve niet te betrekken van een apotheek, zoals in de Opiumwet – ter uitvoering van het Enkelvoudig Verdrag – is voorzien.

Terzijde merkt de rechtbank op dat nu uit onderzoek is gebleken dat cannabis uit de coffeeshop in alle onderzochte gevallen is besmet met groei- of bestrijdingsmiddelen dan wel schimmels bevat, het kopen van cannabis uit de coffeeshop voor verdachte, gelet op zijn gezondheidssituatie, geen redelijk alternatief is.

De Hoge Raad heeft in het [naam] -arrest onder meer het volgende vooropgesteld:

  1. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen zoals de in artikel 3 Opiumwet genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling tegenstrijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

  2. In een geval als het onderhavige, waarin de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen – in casu in de vorm van de mogelijke verlening van een ontheffing in verband met een geneeskundige toepassing van cannabis – is een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, maar een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.

Is er sprake van uitzonderlijke omstandigheden?

In een schriftelijke verklaring, gevoegd bij het verhoor, schrijft verdachte dat hij sinds 1994 cannabis gebruikt op doktersvoorschrift. Aanvankelijk verkreeg hij zijn cannabis via Maripharm. Deze cannabis werkte voor hem. Na de legalisering van medicinale cannabis in 2003 is de teelt gegund aan de firma Bedrocan, maar de door deze firma geleverde variëteiten waren voor verdachte niet werkzaam en tweemaal zo duur.

Verdachte heeft gesteld en nader gemotiveerd dat noch cannabis uit de coffeeshop, noch de door de apotheek geleverde cannabis bij hem voldoende goed werkt, zodat hij genoodzaakt is zelf een specifieke soort cannabis te telen, die wel afdoende werkt. Verdachte heeft deze soort cannabis gevonden door zaden te verkrijgen van andere patiënten en door het telen, kruisen en uitproberen van diverse soorten.

Ter terechtzitting van 30 december 2015 heeft verdachte nog het volgende verklaard: “De reguliere medicatie tegen misselijkheid helpt niet en de medicinale cannabis die bij de apotheek verkrijgbaar is, slaat niet aan. Naast de medicinale cannabis die bij de apotheek verkrijgbaar is, heb ik ook cannabis van de coffeeshops betrokken. Het nadeel hiervan is dat de kwaliteit wisselt en niet bekend is wat er in zit en welke chemische bewerkingen de planten hebben ondergaan.

Ik moet wel zelf kweken omdat er geen alternatieven zijn. Daarnaast zijn de kosten van cannabis zowel bij de apotheek als bij de coffeeshops hoog en worden deze kosten niet vergoed door de ziektekostenverzekering. Om in mijn behoefte te voorzien heb ik 17 planten nodig die in bloei staan, 17 planten die groeien en 17 stekjes, in totaal dus 51 planten. Dat is meer dan de vijf planten die ik volgens het gedoogbeleid mag hebben. Ik heb de planten betrokken van patiënten met soortgelijke klachten. Ik heb wisselende soorten uitgeprobeerd om uit te zoeken welke effect ze hebben en of ze helpen bij mijn klachten. In de loop der jaren hebben medepatiënten voor mij die soorten in stand gehouden. Ik beperk mij nu tot de planten die voor mij effectief zijn en heb nu een soort die voor mij prima voldoet. ”

Namens verdachte is door de raadsvrouw een aantal stukken aan het dossier gevoegd, waaronder een brief van dr. A. Hazekamp, cannabis-onderzoeker aan de Universiteit Leiden, werkgroep Farmacognosie van 1 juni 2011 met betrekking tot vragen in een zaak van mevrouw [naam 1] (bijlage 18) en een brief van prof. Dr. S.A. Danner , internist van 21 december 2015 (bijlage 20).

Met betrekking tot het medicinaal gebruik van cannabis schrijft dr. Hazekamp het volgende.

“Cannabinoïden worden algemeen gezien als de meest belangrijke actieve stoffen in de cannabisplant. Ze komen nergens anders voor in de natuur. (…) Om hun werking uit te voeren binden de endo-cannabinoïden aan cannabinoïd-receptoren. Sommige cannabinoïden uit de cannabisplant binden aan dezelfde receptoren, die met name voorkomen in het centraal zenuwstelsel en cellen van het immuunsysteem. (…) Naast de cannabinoïden spelen ook de zogenoemde terpenen een rol bij de effecten van cannabis. Deze stoffen geven cannabis zijn karakteristieke geur en smaak, maar vertonen daarnaast ook een reeks medicinale effecten, zoals ontstekingsremming, antibacteriële werking en pijnremming.

Gezien de vele stoffen die mogelijk een rol spelen (ten minste THC, CBD en diverse terpenen) en de vele mogelijke combinaties waarin ze kunnen voorkomen in een cannabisplant, moet er veel onderzoek worden verricht naar welke soort cannabis geschikt is voor welke medische aandoening. Het kan zo zijn dat patiënten die jarenlang verschillende variëteiten hebben geprobeerd, hierin ‘verder’ zijn dan veel huidige wetenschappers.

In het schrijven van de heer Danner wordt aangegeven dat mevrouw [naam 1] cannabis gebruikt met name voor pijnbestrijding, vermindering van spierspanning, vermindering van misselijkheid en eetlustopwekking. Daarnaast wordt de ontstekingsremmende werking van cannabis genoemd. Ik onderschrijf dat dit inderdaad goed wetenschappelijk onderbouwde effecten van cannabis zijn.

Er is een groot aantal zogenoemde variëteiten bekend onder de recreatieve gebruikers, momenteel ruim meer dan 700, onder diverse benamingen.”

Dr. Danner schrijft onder meer:

“De bloemtoppen van de vrouwelijke plant Cannabis sativa L. bevatten enkele stoffen (cannabinoïden) die diverse biologische activiteiten vertonen. Er bestaan verschillende variëteiten van de plant die alle een verschillend spectrum aan werking vertonen, waarbij sommige effecten versterkt en andere juist verzwakt worden. Daarbij komt dat er per patiënt zeer grote verschillen bestaan in individuele gevoeligheid voor de verschillende effecten. Patiënten ervaren vaak gunstige effecten van één bepaalde plantensoort, terwijl ze dat niet voelen bij een andere Cannabis sativa L, zelfs niet in hogere dosering. Voorts hangt het bereiken van de effecten af van de hoogte van de bloedspiegels aan actieve stoffen die bereikt worden, wat op zijn beurt afhangt van de toedieningswijze (inhaleren, of oraal opnemen, bijvoorbeeld) en de snelheid van eliminatie die weer bepaald kan worden door onder andere de eventuele co-medicatie. Alles bij elkaar maakt dat het niet eenvoudig is om gewenste doseringen aan te geven. In het algemeen is dit een proces van trial en error met hoogst variabele uitkomstern tussen verschillende patiënten. De belangrijkste effecten die gezocht worden zijn pijnbestrijding, vermindering van spierspanning, vermindering van misselijkheid en eetlustopwekking.”

Over verdachte schrijft dr. Danner :

“Hij heeft vele anti-HIV middelen gebruikt in de loop der tijd. Steeds kreeg hij ernstige bijwerkingen of ontstond resistentie. Eén van de bijwerkingen van de vroeger (1995-2005) veel gebruikte middelen, polyneuropathie (ontsteking van de lange zenuwbanen, die naar handen en voeten lopen), heeft hij helaas ook gekregen en die bezorgt hem veel pijn. Omdat er nogal wat resistentie is ontstaan bij de HIV-stam waarmee hij geïnfecteerd is, zijn er weinig opties over voor een werkzame anti-HIV geneesmiddel combinatie. De combinatie die hij momenteel gebruikt is goed werkzaam, want onderdrukt de virusvermenigvuldiging, getuige een onmeetbaar lage waarde aan HIV-deeltjes in het bloed, maar bezorgt hem veel klachten, vooral in de zin van misselijkheid met braakneigingen en eetlustgebrek. Het enige dat hem helpt, zowel tegen de misselijkheid en het eetlustgebrek als tegen de polyneuropathie-pijn, is cannabis. De medicinale cannabis die via de apotheek te verkrijgen is, werkt niet goed bij hem. Na veel experimenteren kweekt hij voor eigen gebruik een variant die wel helpt. Op die manier is hij in staat zijn medicatie te verdragen.

Voor [verdachte] is het gebruik van een matige hoeveelheid (bij hem werkzame) cannabis van levensbelang. Hij wordt nu meer dan 20 jaar behandeld voor een levensbedreigende ziekte die hij met twee middelen, de anti-HIV medicatie als oorzakelijke behandeling, en de cannabis als symptoombestrijding. Het zou hoogst onlogisch en medisch zowel als menselijk gezien onacceptabel zijn, hem nu opeens het gebruik van het tweede middel onmogelijk te maken, want de gevolgen zouden zeer goed op korte termijn desastreus kunnen zijn.”

De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is aangetoond dat er voor verdachte geen redelijk legaal alternatief is om aan de benodigde cannabis te komen. Uit de stukken blijkt verder dat als verdachte de HIV-medicatie niet tijdig neemt, er sprake kan zijn van levensgevaar.

Dit betekent dat verdachte zich in deze zaak ziet geconfronteerd met een conflict van belangen; enerzijds het maatschappelijk belang bij het naleven van de Opiumwet en anderzijds het belang dat verdachte heeft bij de bestrijding van pijn, misselijkheid en braken en dus het voorkomen van een levensbedreigende situatie, veroorzaakt door het niet (kunnen) voldoen aan de therapietrouw als gevolg van het braken.

Nu de bij de apotheek verkrijgbare cannabis niet werkt voor verdachte en er blijkens de schriftelijke verklaringen van de deskundigen geen redelijke alternatieven zijn om aan de benodigde cannabis te komen terwijl het gebruik van een specifieke soort cannabis voor verdachte van levensbelang is, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie waarin verdachte redelijkerwijs de keus heeft kunnen maken zelf de door hem benodigde cannabissoort te kweken. Dit betekent dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarin het beroep van verdachte op overmacht-noodtoestand dient te worden gehonoreerd. Verdachte zal mitsdien worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezen verklaarde in deze zaak geen strafbaar feit oplevert.

Veiligheid/overlast

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het telen van hennep in een woning in een drukke wijk in Amsterdam een gevaar oplevert voor de openbare orde in de zin van de veiligheid van de bewoners van de omliggende woningen en in de zin van overlast. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om beleidsregels aan te geven om aan dit probleem tegemoet te komen.

De rechtbank stelt voorop dat zowel op 3 december 2014 als op 28 augustus 2015 is geconstateerd dat verdachte voor zijn stroomvoorziening geen gebruik maakte van een illegale aansluiting. Verder heeft verdachte hooguit 2 x 17 planten in zijn kweektent staan, omdat hij steeds over een oogst van 17 planten moet beschikken. De rechtbank acht het veiligheidsrisico daarom te overzien. Met betrekking tot eventuele andere overlast, zoals stankoverlast, overweegt de rechtbank dat daarvan in dit geval niet is gebleken. Weliswaar is in zijn algemeenheid onwenselijk dat er in een woning in de stad hennepplanten worden gekweekt maar de rechtbank stelt ook vast dat hier geen alternatieven voor worden geboden door de overheid, bijvoorbeeld door, zoals de door verdachte opgerichte stichtingen BSEMC heeft verzocht, kweek van hennepplanten in geschikte locaties van de openbare ruimte toe te staan. Het is niet aan de rechtbank om beleidsregels op te stellen voor gevallen als deze.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte [verdachte] van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2016.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.