Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5241

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
AMS 16/4651
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Onmiddellijke bestuursdwang. Sluiting woning voor de duur van drie maanden. Onder meer heroïne en vuurwapens aangetroffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheid heroïne veel meer is dan de hoeveelheid die – naar de criteria die het openbaar ministerie hanteert – bestemd is voor eigen gebruik, zodat aangenomen kan worden dat de aangetroffen heroïne is bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoekers hebben niets concreets aangevoerd waar het tegendeel uit blijkt. Hiermee is verweerders bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven. Verder heeft verweerder in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, een sluiting voor de duur van drie maanden heeft bevelen. Verweerder heeft in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de situatie in dit geval voldoende ernstig was dat een sluiting van drie maanden nodig is om het duurzame herstel van de openbare orde te bewerkstelligen. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7361

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4651

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2016 in de zaak tussen

[de persoon] en [de persoon] , te Amsterdam, verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Kilinç),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J.H. van der Linden).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de sluiting per 14 juli 2016 bevolen van de woning aan de [adres] voor de duur van drie maanden.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook is ter zitting verschenen: K. Manuelia, tolk in Turkse taal.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure.

2.1.

Verzoekers zijn huurders van de woning aan de [adres] te Amsterdam (hierna: de woning). Woningbouwvereniging De Key is eigenaar van de woning. Naar aanleiding van een melding dat er mogelijk verdovende middelen zouden worden versneden in de woning heeft de politie op [datum] 2016 een onderzoek ingesteld in de woning. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van [datum] 2016 en een bestuurlijke rapportage van [datum] 2016. Hieruit blijkt dat in de tweede woonlaag van de woning in beide slaapkamers op de grond lakens zijn aangetroffen met daarop [produkt] , nagenoeg volledig verspreid over de gehele vloeroppervlakte. Uit nader chemisch-forensisch onderzoek blijkt dat het gaat om [gewicht] heroïne en [gewicht] cafeïne en een op paracetamol gelijkende stof waarvan bekend is dat deze wordt gebruikt als versnijdingsmiddel. In de gangkast op de eerste etage werden een [voorwerp] en [aantal] patronen aangetroffen. In een personenauto van een van de in de woning aangehouden mannen is na onderzoek een [voorwerp] , een [voorwerp] , aangetroffen. Verder is geconstateerd dat het een niet feitelijke bewoonde woning betreft. De bewoners, verzoekers, verblijven in het buitenland en blijven daar ook langere tijd. Daarnaast hing er een penetrante chemische lucht waardoor bewoning onmogelijk is, waren de bedden niet gebruikt en waren de kamers leeg.

2.2.

Vervolgens heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Woningbouwvereniging De Key heeft zijn zienswijze gegeven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen.

3. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het bewerken, verwerken, verkopen, verstrekken, daartoe aanwezig hebben of vervaardigen van middelen die staan vermeld op lijst I of II behorende bij de Opiumwet, strafbaar is gesteld in die wet. Handel, gebruik en aanwezigheid van drugs hebben een nadelig effect op de openbare orde. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid drugs kan leiden tot onveiligheid voor de omwonenden vanwege overlast en de aanzuigende werking op criminele activiteiten. De aanwezigheid van een [voorwerp] vormt een gevaar voor de omwonenden. Dit wordt verstrekt door het vermoeden dat de woning was ingericht voor de verwerking van verdovende middelen. Verder stelt verweerder dat het zijn bestendige bestuurspraktijk is dat voor woningen bij dit soort ernstige overtredingen een feitelijk onbewoonde woning voor drie maanden wordt gesloten. De sluiting is gericht op het onmiddellijk duurzaam herstellen van de openbare orde. De gegeven zienswijze geeft geen aanleiding af te zien van het voornemen tot sluiting.

4.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.2.

Op grond van artikel 5:31, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

5.1.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat, gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, verweerder bij de uitoefening van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Dit brengt mee dat de bestuursrechter de uitoefening van die bevoegdheid terughoudend dient te toetsen.

5.2.

Verweerder hanteert ter uitoefening van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid een bestendige bestuurspraktijk. Die praktijk komt er in het kort op neer dat bij een constatering van een overtreding bij een feitelijk onbewoonde woning sluiting bevolen wordt voor de duur van drie maanden. Indien de woning feitelijk bewoond is, volstaat verweerder – gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – met een waarschuwing, tenzij sprake is van verzwarende omstandigheden. Of de woning feitelijk bewoond wordt, wordt vastgesteld op het moment van constatering van de overtreding door de politie.

6.1.

Verzoeker voert aan dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van onjuiste gegevens. Zo is de woning wel bewoond. Ook betoogt verzoeker dat verweerder niet bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan. Uit de wetgeschiedenis bij artikel 13b van de Opiumwet blijkt dat niet de bedoeling van de wetgever is geweest om bij het enkele aantreffen van drugs tot sluiting over te gaan. Er dient sprake te zijn van verkoop vanuit het pand zelf. Zij wijzen daarbij op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:2484). Ter zake zijn er in het geheel geen indicaties dat er vanuit de woning gehandeld werd. Verder is van overlast voor de buurt niet gebleken. De aangetroffen partij heroïne was onversneden en daarom niet direct geschikt voor gebruik of verkoop. Verder stellen verzoekers dat verweerder met betrekking tot sluiting van woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet geen specifiek beleid hanteert, maar wel beleid van 21 april 2005 dat ziet op sluiting van horecagelegenheden. Vanwege de toename van het aantal sluitingen van woningen op grond van de Opiumwet had het op de weg van verweerder gelegen daarover speciaal beleid te formuleren. Bij afwezigheid van beleid, moet gekeken worden naar de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet.

6.2.

Hoewel verzoekers enkele feiten in het bestreden besluit betwisten, staat vast dat in de woning [gewicht] heroïne, [gewicht] cafeïne, een op paracetamol gelijkende stof waarvan bekend is dat deze wordt gebruikt als versnijdingsmiddel en een [voorwerp] en [aantal] patronen is aangetroffen. Heroïne wordt vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Dit feit is relevant voor de beoordeling of verweerder tot sluiting over kan gaan. Naar bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden “daartoe aanwezig” moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn. Uit de tekst van het artikellid volgt dat het woord “daartoe” allereerst ziet op verkoop, maar tevens op aflevering en verstrekking. Dit betekent dat het artikellid ook van toepassing is als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1676).

6.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheid heroïne veel meer is dan de hoeveelheid die – naar de criteria die het openbaar ministerie hanteert – bestemd is voor eigen gebruik, zodat aangenomen kan worden dat de aangetroffen heroïne is bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoekers hebben niets concreets aangevoerd waar het tegendeel uit blijkt. Hiermee is verweerders bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven. De door verzoekers aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2016 wordt, gelet op de rechtspraak van de Afdeling, niet gevolgd. Dat verweerder geen specifiek beleid heeft met betrekking tot de uitoefening van zijn bevoegdheid als neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en dat daarom moet worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever wordt ook niet gevolgd. Verweerder hanteert immers een bestendige gedragslijn, weergegeven onder punt 5.2. Dat de heroïne onversneden was en daarom kennelijk niet geschikt voor onmiddellijke verkoop, doet niet ter zake. Verder is het de voorzieningenrechter, gezien op wat is vastgesteld, voldoende aannemelijk geworden dat de woning op het moment van het aantreffen van de heroïne feitelijk niet bewoond werd. Dit wordt verder onderstreept door de omstandigheid dat verzoekers, de huurders, op dat moment voor langere tijd in Turkije verbleven. Dat de woning geschikt was voor bewoning, maakt dit niet anders. Dat verzoekers er na terugkeer weer zijn gaan wonen, evenmin. Verweerder heeft de bestendige bestuurspraktijk op juiste wijze toegepast.

7.1.

Verzoekers betogen verder dat tussen het aantreffen van de verdovende middelen en de sluiting een periode van één maand ligt. Daarom kan het argument van verweerder dat niet langer gewacht kan worden met de sluiting niet opgaan. Ook stellen verzoekers dat verweerder ten onrechte verzoekers niet in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze op de voorgenomen sluiting te geven. De eigenaar van de woning is wel gevraagd om een zienswijze. Verzoekers waren op [datum] 2016 al teruggekeerd uit Turkije, zodat verweerder hen om een zienswijze had kunnen vragen.

7.2.

Anders dan verzoekers hebben betoogd, acht de voorzieningenrechter het enkele tijdsverloop tussen de constatering van de heroïne, het uiten van het voornemen tot sluiten en het daadwerkelijk uitvaardigen van het sluitingsbevel niet zo onredelijk lang dat geoordeeld moet worden dat verweerder in redelijkheid niet langer bevoegd is over te gaan tot sluiting. In dit licht is mede van belang dat verweerder in die periode ook heeft getracht verzoekers om hun zienswijze (via een familielid) met betrekking tot de sluiting te vragen. Dat getuigt juist van zorgvuldige besluitvorming. Dat die poging niet is gelukt, dient in de risicosfeer van verzoekers te blijven. Daar komt bij dat dit gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.

8.1.

Ten slotte voeren verzoekers aan dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. De belangen van verzoekers, die beide gepensioneerd zijn en [leeftijd] en [leeftijd] jaar oud, zijn niet meegewogen bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Verzoekers hebben de woning als eerste bewoners betrokken en hebben nooit voor problemen gezorgd. Er is ook nooit over hen geklaagd. Verzoekers zijn eerzame en gezagsgetrouwe burgers en voelen zich bezwaard dat zij en de woning in verband wordt gebracht met strafbare feiten. De inval in de woning heeft publiciteit gegenereerd op de website van de gemeente en lokale media. Ook kampen verzoekers met gezondheidsproblemen. Zij worden op dit moment opgevangen door één van hun kinderen. Dat is verre van ideaal. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 4:84 van de Awb, aldus verzoekers.

8.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, een sluiting voor de duur van drie maanden heeft kunnen bevelen. Verweerder heeft in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de situatie in dit geval voldoende ernstig was dat een sluiting van drie maanden nodig is om het duurzame herstel van de openbare orde te bewerkstelligen. Daarbij heeft verweerder onder andere de hoeveelheid aangetroffen heroïne, de bijbehorende aangetroffen attributen en het aangetroffen [voorwerp] met patronen kunnen betrekken. De voorzieningenrechter begrijpt dat de sluiting voor verzoekers ingrijpend is, maar de aangevoerde omstandigheden van verzoekers zijn niet zo bijzonder dat ze nopen tot afwijken van de bestendige bestuurspraktijk.

9.1.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het bestreden besluit in bezwaar hoogstwaarschijnlijk zal standhouden. In wat verzoekers aan belangen hebben gesteld, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende rechtvaardiging een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

9.2.

Voor een proceskostenveroordeling of een bepaling dat het griffierecht wordt vergoed, bestaat geen grond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2016.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: NV

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.