Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5206

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
13.751.400-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering. Prejudiciële vragen naar aanleiding van ECLI:EU:C:2016:385 (Bob-Dogi) over de uitleg van de uitdrukkingen ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2016, afl. 11, p. 490

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.400-16

RK nummer: 16/3497

Datum uitspraak: 16 augustus 2016

TUSSENUITSPRAAK

(zoals hersteld bij beslissing van 17 augustus 2016)

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 mei 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2014 door the Swedish National Police Board (Zweden) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1976,

zonder woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Detentiecentrum te Alphen aan den Rijn,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juli 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De raadsman heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd om de verdediging te voeren.

Op de zitting van 26 juli 2016 heeft de rechtbank:

- besloten om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over de betekenis van de begrippen ‘rechterlijke beslissing’ (artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ) en ‘rechterlijke autoriteit’ (artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ),

- geoordeeld dat deze beslissing de opschorting van de beslistermijnen van artikel 22 OLW meebrengt en

- het onderzoek onderbroken tot de zitting van 4 augustus 2016 om 11.30 uur, teneinde de officier in de gelegenheid te stellen om - ten behoeve van een zo efficiënt mogelijke prejudiciële procedure - de volgende vragen aan de Zweedse autoriteiten voor te leggen:

1. Zijn sinds het evaluatieverslag van 2008 1 en de Zweedse reactie daarop van 2011 2 de positionering, structuur en aansturing van the National Police Board en the International Police Cooperation Division gewijzigd en, zo ja, in welk opzicht?

2. Zijn the National Police Board en the International Police Cooperation Division onafhankelijk van de uitvoerende macht bij de uitvaardiging van EAB’s?

3. Op basis van welke criteria en volgens welke procedure beslissen the National Police Board en the International Police Cooperation Division over de uitvaardiging van EAB’s ter tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen?

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft op 2 augustus 2016 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van het volgende enforceable judgement: sentence pronounced by the Göteborg City Court in Sweden on 21 Dec. 2012, reference B 9380/12.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB, kort gezegd zware mishandeling. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht.

4 Prejudiciële vragen

4.1

Inleiding

De rechtbank heeft de relevante regelgeving opgenomen in de aan deze tussenuitspraak gehechte bijlage II.

Het EAB is uitgevaardigd door the Swedish National Police Board (Rikspolisstyrelsen) en strekt – onder meer – tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

Zweden heeft op 29 mei 2009 de volgende kennisgeving aan het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie gedaan:3

Updated information from Sweden

An update of the Swedish notifications and statements in accordance with Articles 6(3), 7, 8(2), 13(4), 25(2), 27(1) and 28(1) of the Framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedure between Member States is herewith forwarded.

Article 6(3)

The following authorities in Sweden are competent to issue and execute a European arrest warrant.

Issuing judicial authority

(…)

A European arrest warrant for the enforcement of a custodial sentence or other form of detention is issued by the National Police Board (Rikspolisstyrelsen).

(…)

Het Evaluation Report on the Fourth Round of Mutual Evaluations “Practical Application of the European Arrest Warrant and Corresponding Surrender Procedures between Member States”: Report on Sweden houdt ten aanzien van the National Police Board het volgende in:4

The National Police Board

In Sweden the national police service is responsible to the Ministry of Justice. The National Police Board is the central administrative and supervisory authority for this service. It is headed by the National Police Commissioner, who is appointed by the government. The National Police Board is responsible for international police work and the central police records.

The National Police Board is responsible for issuing EAWs in conviction cases. This task has been delegated to the International Police Cooperation Division (IPO). The IPO includes the Europol National Unit, the Interpol National Central Bureau, the Sirene National Office and the Police and Customs Cooperation in Nordic Countries Desk.

(…)

An EAW for the purpose of execution of a custodial sentence or detention order is issued by the National Police Board, at the request of:

- the National Prison and Probation Service, for the execution of a prison sentence,

- the National Board of Health and Welfare, for the execution of forensic psychiatric care, and

- the National Board of Institutional Care, for the execution of institutional care of a minor (…).

The National Police Board has delegated this task to the IPO.

In issuing an EAW the Swedish authorities apply a proportionality test; an EAW may only be issued if it is justified considering the nature and seriousness of the crime and the circumstances in general, thereby taking into account the harm to the individual and the estimated time and costs that may follow. (…)

(…)

In conviction cases, the institutions involved have no specific guidelines regarding when to request that an EAW be issued. According to the information provided, however, the National Board of Health and Welfare has a list of questions to consider before making a decision to request the IPO to issue an EAW.

(…)

7.2.1.1. The IPO as issuing authority

The fact that in conviction cases the IPO is - at the request of the National Prison and Probation Service, the National Board of Health and Welfare or the National Board of Institutional Care – the authority competent to issue EAWs is not in line with the definition of the EAW as a ‘judicial decision’ in the Framework Decision.

The Swedish authorities explained that their national rules are not so strict in describing the concept of judicial authority. They also explained that, in implementing the Framework Decision, they adopted a pragmatic approach in the sense that they preferred making the EAW procedure as close to their national system as possible (judicial authorities does not play any role in these matters at domestic level, where enforcement of sentences is handled by the Prison Service and the Police).

However, the expert team question the validity of these arguments in the light of the clear letter and principles of the Framework Decision, and stress that in such cases the EAW is issued and the form completed - including the summary of the judgment that serves as the basis for the EAW - by IPO officers, with no judicial control being provided by the domestic legislation. It should be a relatively simple matter to arrange for EAWs issued by the IPO to be checked by a prosecutor.

7.2.1.2. Requests for issuing EAWs in conviction cases

There is no regulation or even written guidance governing the decision of the competent administrative authorities in requesting the IPO to issue an EAW. This adds to the absence of judicial control on the issue of EAWs in conviction cases.

In that connection, the expert team would also like to point out that, according to the information provided, one person at the IPO is basically in charge of completing the EAW forms, which makes the system quite vulnerable in this respect.

Zweden heeft als volgt op dit rapport gereageerd:5

Recommendation 3 - Consider taking appropriate measures to ensure that EAW’s

in conviction cases are issued either by a judicial authority or under the supervision of a judicial authority, in line with the provisions of the framework Decision

Sweden would like to stress that when a judgment is final all subsequent decisions concerning the enforcement of the sentence in our legal system are taken by other authorities than the court. When implementing the Framework Decision on the EAW, we were of the opinion that the new legislation should be in line with the national system, i.e. it should be up to the enforcement authorities to decide if an EAW should be issued or not. In Sweden we have three different enforcement authorities and in order to coordinate the issuing of the EAW’s in these cases, the International Police Cooperation Division (IPO) was designated as the issuing authority.

When examining the role of the IPO as issuing authority, we have found no complaints, either from Swedish or other authorities. It should also be emphasized that IPO is staffed with qualified lawyers. Furthermore, the National Police Board has produced written guidelines to assist IPO when issuing an EAW.

To conclude, the existing system is the most effective and in line with our national procedure and no complaints has been put forward. Thus, Sweden has not found any convincing reason to change the current system

Bij brief van 1 augustus 2016 heeft the Swedish Police Authority de vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:

1. Has the positioning, structure and control (management) of the National Police Board and the International Police Cooperation Division been changed since the Evaluation Report and the Swedish follow-up to the Report?

No, the only change since 2011 is that currently a designated group of legal officers officials (lawyers), instead of a single officer, have been tasked to work with the preparation of the files leading to the issuing of the EAWs at the Division and that the Swedish Police Authority has been re-organized. The National Police Board does not exist anymore and our Division has been re-named International Affairs Division, see enclosed organizational chart in English, Annex 1.

The Swedish Police Authority use lawyers, which belong to an administrative and support Section, the International Office Section, within the International Division, to prepare the files and verify if the conditions for issuing an EAW for the enforcement of a sentence are met 6 based on the original documentation from the Court. This task has been given to this designated group with the relevant expertise to carry out these tasks. These employees do not work with national operational police investigations.

2. Are the National Police Board and the international police cooperation Division independent of the executive bodies when issuing and EAW?

The International Affairs Division is part of the National Operations Department and is therefore an integrated part of the Police Authority, which is a law enforcement authority and has general executive powers. The Police Authority, however, is not dependent of the Swedish Prison and Probation Service, whose task is a.o. to ensure that subjects condemned to a prison sentence are brought to prison to serve their sentence and requests the issuing of the EAW, since these are two separate authorities with different missions and separate management.

The Division will not receive any instructions from the Ministry of Justice in these matters.

The Division has no direct or indirect links to the Court that has passed the sentence, ensuring independence from the Court having heard the criminal case leading to the prison sentence.

There are only three named officials that are allowed to undersign the Swedish EAW for the enforcement of a sentence, namely our Head of Unit, who is both a police officer and a lawyer, and two other designated senior officials that could replace her for this task. This allows for continuity and ensures that the specific expertise in the field of the European Arrest Warrant that the Division’s staff has acquired is used and can be upheld at the Division and that the document is signed at a senior level within the Swedish Police Authority.

3. On the basis of which criteria and which procedure do the National Police Board and the International Police Cooperation Division decide to issue an EAW for the purpose of execution of a custodial sentence or detention order

Firstly we would like to clarify that our Division is the competent issuing authority for the purpose of the execution of a custodial sentence or similar [penalty consisting in institutional forensic psychiatric care or institutional youth care that has been imposed after a judgement in a criminal court] and not for detention orders, which is the remit of the Swedish Prosecution Authority.

As regards the issuing of a European Arrest Warrant Sweden for the enforcement of a prison sentence from a criminal court, there are two different public authorities involved, the Swedish Prison and Probation Service, which is the requesting authority and the Swedish Police Authority, which is the issuing authority.

The issuing of an European Arrest Warrant is always based on a judgement passed by a Swedish Court that has gained legal force and after proceedings where the offender has been defended by a legal counsel and has had possibilities to lodge an appeal against the sentence in accordance with the Swedish Code of Judicial Procedure.

The Swedish Prison and Probation Service has a specific central unit (“Centrala klientärenden”) at their legal service at their headquarters in Norrköping handling information about subjects that have been sentenced to a prison sentence but have not appeared for the enforcement of the sentence and this unit initiates the requests for European Arrest Warrants. These case handlers are also lawyers and do a first vetting of cases to verify if the conditions for requesting an EAW are met. They will send a request electronically to our Division with all the data concerning the wanted person’s identity, the sentence passed and the full documentation (full Court sentence) in which you could find the criminal acts that have been committed by the offender – and if applicable – those that the offender has been acquitted of. A request for an EAW should only be made after having had the person inserted as wanted in our national wanted persons’ system.

Thresholds – The Swedish police authority applies the threshold of a penalty of a minimum of 4 months as set out in the Framework Decision 2002/584/JHA of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States (in respect of the sentence meted out, not in view of the remaining sentence to be served).

Sweden has also opted for including other accessory judgements where the penalty could be shorter than 4 months if there is already a judgement condemning the same offender to a minimum of 4 months as a basis for the EAW.

Quality assessment – verification of the fact that all information needed for filling in all compulsory field of the EAW have been filled and all formalities are correct and that the criteria for issuing an EAW for the enforcement of a sentence have been met.

Below you will find the steps that are taken at our office by designated employees, who are lawyers, to verify that the conditions for issuing an EAW are met in accordance with The Swedish Ordinance (2003:1178) on surrender to Sweden according to the European Arrest Warrant. The ordinance refers back to the general provisions that are to be found in the Act on surrender from Sweden in accordance with an EAW (2003:1156).

The designated employees at the International Affairs Division check that the subject for which the National Prison and Probation Service would like to issue an EAW has the same identity as the subject that was sentenced by Court and that the subject has been inserted as a wanted person on a national level in the Swedish register for wanted persons. This is done in order both to ensure that data about the subject is correct, including information about the offences committed and the penalty, and to allow for having undertaken a national search before using the possibility of widening the search to a European Arrest Warrant (proportionality).

The designated employees verify both the existence of a judgement from a Swedish Criminal Court, which is usually enclosed to the request or can otherwise be ordered swiftly from the Court, that it has gained legal force, as well as the penalty imposed and that the penalty has not become statute-barred. They also determine if the offence falls under of one of the 32 categories of offences for which the double criminality is not requested to be verified and marks that on the EAW if that is the case. The employees also verify if the wanted person was present during court proceedings or if there are other equivalent guarantees in accordance with section d. of the EAW for sentences handed down without the subject being physically present at the hearing.

The designated employees will examine the Court judgement(s) from both the first instance court and the Court of appeal, if there has been an appeal, and read the description of the prosecutor’s charges against the subject and the Court’s decision as regards each of the offences committed.

The designated employees also have direct access to the national criminal register to double-check the reference to the judgements, to verify if they have gained legal force and are also able to see whether any new judgements could have been handed down since the first judgement was passed, which may have to be added to the European Arrest Warrant.

The designated employees also have access to photographs and fingerprints of the wanted subject, if available, and can add them to the file.

Formal issuing of the Swedish European Arrest Warrant:

The head of the Division and two designated subordinate Heads of Section substituting the head of Division in her absence, are entitled to issue and sign the European Arrest Warrant.

Bij e-mailbericht van 2 augustus 2016 heeft the Swedish Police Authority desgevraagd meegedeeld dat the Swedish National Police Board met ingang van 1 januari 2015 – derhalve na de uitvaardiging van het EAB – is opgeheven en dat the International Police Cooperation Division met ingang van diezelfde datum the International Affairs Division heet.

Hoewel het EAB is uitgevaardigd door the Swedish National Police Board en de brief van 1 augustus 2016 betrekking heeft op the Swedish Police authority die – zo begrijpt de rechtbank the Swedish National Police Board heeft opgevolgd –, leidt de rechtbank uit deze antwoorden af dat de bevoegdheden, positie en rol van the Swedish Police Authority en de procedures en besliscriteria op basis waarvan deze autoriteit over de uitvaardiging van EAB’s beslist dezelfde zijn als die van de inmiddels opgeheven Swedish National Police Board.

Uit het evaluatieverslag en uit de brief van 1 augustus 2016 leidt de rechtbank af dat the Swedish National Police Board:

- het bestuurlijke en toezichthoudende gezag was voor de Zweedse nationale politie;

- de naar Zweeds recht bevoegde autoriteit was tot uitvaardiging van een EAB ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf;

- deze bevoegdheid had gemandateerd aan één of meer bij de politie werkzame medewerkers van the International Police Cooperation Division;

- onafhankelijk was van het Zweedse Gevangenis- en Reclasseringswezen;

- onafhankelijk was van het Zweedse Ministerie van Justitie;

- onafhankelijk was van het gerecht dat de veroordeling had uitgesproken;

- alleen op verzoek van het Zweedse Gevangenis- en Reclasseringswezen een EAB uitvaardigde;

- daartoe naging of:

 een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier maanden is opgelegd en

 alle informatie die nodig is om een EAB in te vullen aanwezig was, alle formaliteiten waren verricht en alle voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf waren vervuld (waaronder de omstandigheid dat de opgeëiste persoon op nationaal niveau was gesignaleerd als gezochte persoon, teneinde de proportionaliteit van de uitvaardiging van het EAB te verzekeren);

- haar bevoegdheid uitoefende zonder enige controle door een rechter of een vergelijkbare functionaris.

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het EAB is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus of het EAB een ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ oplevert. Deze vraag komt in het bijzonder op door hetgeen het Hof van Justitie recent heeft overwogen in zijn hierna nog te noemen arrest in de zaak Bob-Dogi.

4.2

Context van de bepalingen

Zoals uit overweging 5 van de preambule van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en uit artikel 31 Kaderbesluit 2002/584/JBZ volgt, strekt dit kaderbesluit tot vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op onder meer het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV).

Artikel 1 EUV verplicht de partijen, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden die in dat verdrag zijn bepaald, tot uitlevering van ‘all persons against whom the competent authorities of the requesting Party are proceeding for an offence or who are wanted by the said authorities for the carrying out of a sentence or detention order’/‘les individus qui sont poursuivis pour une infraction ou recherchés aux fins d'exécution d'une peine ou d'une mesure de sûreté par les autorités judiciaires de la Partie requérante’. Het Explanatory report houdt hierover het volgende in:7

The term "competent authorities" in the English text corresponds to autorités judiciaires in the French text. These expressions cover the judiciary and the Office of the Public Prosecutor but exclude the police authorities.

De Franse taalversie van Kaderbesluit 2002/584/JBZ bezigt in artikel 6, eerste lid, de uitdrukking ‘autorité judiciaire’ en (sommige) andere taalversies bezigen een equivalent daarvan.8

Het Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees arrestatiebevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie9 bevatte aanvankelijk in artikel 3, met het opschrift ‘Definitions’, de volgende definitie van het begrip ‘issuing judicial authority’:

"issuing judicial authority" means the judge or the public prosecutor of a Member

State, who has issued a European arrest warrant.

De toelichting op deze bepaling luidde als volgt:

The procedure of the European arrest warrant is based on the principle of mutual recognition of court judgments. State-to-State relations are therefore substantially

replaced by court-to-court relations between judicial authorities. The term “judicial

authority” corresponds, as in the 1957 Convention (cf. Explanatory Report, Article 1), to

the judicial authorities as such and the prosecution services, but not to the authorities of

police force. The issuing judicial authority will be the judicial authority which has

authority to issue the European arrest warrant in the procedural system of the

Member State (Article 4).

Artikel 4 van het Voorstel, met het opschrift “Competent judicial authorities’, regelde de aanwijzing van de bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit als volgt:

Each Member State shall designate according to its national law the judicial authorities that are competent to

(a) issue a European arrest warrant

(…).

De toelichting op deze bepaling hield onder meer het volgende in:

The judicial authority having the power to issue a European arrest warrant is designated in accordance with the national legislation of the Member States. They will be able to entrust the decision either to the same authority as gave the judgment or the judgment referred to in Article 2 or to another authority.

Artikel 2 van het Voorstel, met het opschrift ‘Scope’, luidde als volgt:

A European arrest warrant may be issued for:

(a) final judgements in criminal proceedings, and judgements in absentia, which

involve deprivation of liberty or a detention order of at least four months in the

issuing Member State;

(b) other enforceable judicial decisions in criminal proceedings which involve

deprivation of liberty and relate to an offence, which is punishable by deprivation of

liberty or a detention order for a maximum period of at least twelve months in the

issuing Member State.

4.3

Doelstellingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ

Volgens overweging 6 van de preambule van Kaderbesluit 2002/584/JBZ vormt het EAB de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de hoeksteen vormt van de gerechtelijke samenwerking.

Kaderbesluit 2002/584/JBZ beoogt met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen aan de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (HvJ EU 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 76).

Het stelsel van het EAB berust op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat beginsel is weer gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau erkende grondrechten, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HvJ EU 1 juni 2016, C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385 (Bob-Dogi), punt 33).

De gehele procedure van overlevering – van de uitvaardiging van het EAB tot en met de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB – wordt gevoerd onder rechterlijk toezicht (HvJ EU 30 mei 2013, C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F., punt 46). Daaruit volgt dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ voorziet in een procedure die in overeenstemming is met de vereisten van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte (Jeremy F., punt 47).

Voor wat betreft dat rechterlijke toezicht in de uitvaardigende lidstaat, biedt de regeling van het EAB op twee niveaus rechterlijke bescherming van de procedurele waarborgen en grondrechten die de opgeëiste persoon moet genieten. Bij de rechterlijke bescherming op het niveau van de vaststelling van de nationale beslissing komt de rechterlijke bescherming die gewaarborgd moet zijn op het niveau van de uitvaardiging van het EAB (Bob-Dogi, punt 56).

Het ontbreken van rechterlijke bescherming op één van deze twee niveaus kan dus nadelig inwerken op de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen die aan de regeling van het EAB ten grondslag liggen (Bob-Dogi, punt 56).

4.4

Niet-autonome begrippen?

Artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan zo worden gelezen, dat het aan (het recht van) de uitvaardigende lidstaat wordt overgelaten om te bepalen wat een rechterlijke autoriteit is. Bij deze lezing is de uitdrukking ‘rechterlijke autoriteit’ niet een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht. Omdat de uitdrukking ‘rechterlijke autoriteit’ in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ nauw samenhangt met de uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, ligt het bij deze lezing voor de hand om aan te nemen dat deze laatste uitdrukking evenmin een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht oplevert, ook al verwijst artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet naar het recht van de lidstaten.

Bij de lezing dat de uitdrukkingen ‘rechterlijke beslissing’ en ‘rechterlijke autoriteit’ geen autonoom en uniform uit te leggen begrippen van Unierecht zijn, brengt de aanwijzing door Zweden van the National Police Board als uitvaardigende rechterlijke autoriteit10 in beginsel mee, dat deze autoriteit een ‘rechterlijke autoriteit’ is zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dat het door haar uitgevaardigde EAB een ‘rechterlijke beslissing’ is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

In beginsel, omdat bij de lezing dat geen sprake is van autonoom en uniform uit te leggen begrippen van Unierecht de uitvaardigende lidstaat bij de aanwijzing van de naar zijn recht bevoegde autoriteiten naar het oordeel van de rechtbank niet volledig de vrije hand heeft. Die aanwijzing zal immers niet in strijd mogen zijn met het Unierecht. Bij die aanwijzing geeft de uitvaardigende lidstaat immers gevolg aan de in artikel 6 Kaderbesluit 2002/584/JBZ besloten liggende verplichting om de bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan te wijzen en brengt hij dus het recht van de Unie ten uitvoer.

In de lezing dat sprake is van niet-autonome begrippen zou men in hetgeen het Hof van Justitie heeft overwogen over het rechterlijk toezicht op de gehele overleveringsprocedure in verband met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte (Jeremy. F., punten 46-47) en over de rechterlijke bescherming die op het niveau van de uitvaardiging van het EAB moet zijn gewaarborgd (Bob-Dogi, punt 56) Unierechtelijke grenzen kunnen zien waarbinnen de aanwijzing van een autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit dient te blijven. Het Hof van Justitie heeft nog niet geëxpliciteerd waar deze grenzen lopen.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het kaderbesluit kan een aanwijzing worden gehaald voor de lezing dat de lidstaten wel een rechter of een officier van justitie kunnen aanwijzen als de ‘rechterlijke autoriteit’ die bevoegd is tot uitvaardiging van een EAB, maar niet een politieautoriteit (zie artikel 3 van het Voorstel van de Europese Commissie, zoals weergegeven onder 4.2). In deze lezing overschrijdt de aanwijzing van een politieautoriteit dus de grenzen van het Unierecht.

De lezing dat de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ en ‘rechterlijke beslissing’ niet-autonome begrippen zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet ‘clair’. Het Hof van Justitie heeft zich hierover nog niet uitgelaten, zodat geen sprake is van een ‘acte eclairé’. Als sprake is van niet-autonome begrippen, dan is het niet ‘clair’ of ‘eclairé’ of het Unierecht grenzen stelt aan de aanwijzing van een autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit en, zo ja, of de aanwijzing van een nationale politieautoriteit zoals the Swedish National Police Board in overeenstemming is met het Unierecht.

4.5

Autonome begrippen?

Artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan daarentegen ook zo worden gelezen, dat het alleen aan het recht van de uitvaardigende lidstaat wordt overgelaten om, met inachtneming van het autonoom en uniform uit te leggen begrip ‘rechterlijke autoriteit’, de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen. In deze lezing bevat deze bepaling weliswaar een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de uitvaardigende lidstaat, maar heeft deze verwijzing geen betrekking op de betekenis en draagwijdte van de uitdrukking ‘rechterlijke autoriteit’. De verwijzing ziet enkel op de wijze waarop de aanwijzing plaatsvindt. Deze uitdrukking vormt in deze lezing een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht, bij welke uitleg rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (vgl. HvJ EU 24 mei 2014, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punten 28-30).

Artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten. Nu de in deze bepaling gebezigde uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ bovendien nauw samenhangt met de uitdrukking ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, ligt het bij de lezing dat deze laatste uitdrukking een autonoom begrip van Unierecht is voor de hand om aan te nemen dat ook de uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht vormt.

In de lezing dat de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ en ‘rechterlijke beslissing’ autonome begrippen van Unierecht opleveren, strekt de eis dat het EAB is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ tot bevordering van de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen. Is het EAB uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ dan kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslissen over de tenuitvoerlegging van het EAB in het vertrouwen dat de opgeëiste persoon in de uitvaardigende lidstaat al de rechterlijke bescherming heeft genoten die op het niveau van de uitvaardiging van het EAB moet zijn gewaarborgd.

In de lezing dat sprake is van autonome begrippen van Unierecht, veronderstelt hetgeen het Hof van Justitie heeft overwogen over het rechterlijk toezicht op de overleveringsprocedure en over de rechterlijke bescherming die op het niveau van de uitvaardiging van het EAB moet zijn gewaarborgd dat een ‘rechterlijke autoriteit’ een zodanige positie binnen de nationale rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat heeft en over zodanige bevoegdheden beschikt, dat zij de bescherming kan bieden die op het niveau van de uitvaardiging van het EAB gewaarborgd moet zijn.

Het Hof van Justitie heeft nog niet geëxpliciteerd welke rechterlijke bescherming op het niveau van de uitvaardiging van het EAB gewaarborgd moet zijn. In dit verband is wellicht van belang dat, anders dan in geval van een EAB dat strekt tot strafvervolging waarin een autoriteit een nationaal aanhoudingsbevel heeft vastgesteld en dus heeft vastgesteld dat een redelijke verdenking van een strafbaar feit bestaat, in geval van een EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf een rechter van de uitvaardigende lidstaat heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon het feit waarvan hij werd verdacht daadwerkelijk heeft begaan.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het kaderbesluit kan een aanwijzing worden gehaald voor de lezing dat de lidstaten wel een rechter of een officier van justitie kunnen aanwijzen als de ‘rechterlijke autoriteit’ die bevoegd is tot uitvaardiging van een EAB, maar niet een politieautoriteit (zie artikel 3 van het Voorstel van de Europese Commissie, zoals weergegeven onder 4.2).

De lezing dat de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ en ‘rechterlijke beslissing’ autonome begrippen zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet ‘clair’. Het Hof van Justitie heeft zich hierover nog niet uitgelaten, zodat geen sprake is van een ‘acte eclairé’.

4.6

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet een ‘acte clair’ dat de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ autonome begrippen van Unierecht vormen of niet. Evenmin is sprake van een ‘acte eclairé’.

Afgezien van de vragen of the Swedish National Police Board een ‘rechterlijke autoriteit’ is in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en of het door deze autoriteit uitgevaardigde EAB een ‘rechterlijke beslissing’ is in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, ziet de rechtbank geen reden tot weigering van de overlevering. Het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen is dus noodzakelijk voor de door de rechtbank te nemen beslissing.

De beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van het EAB is niet vatbaar voor ‘hoger beroep’ in de zin van artikel 267 VWEU.

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde de volgende vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen:

1. Vormen de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ autonome begrippen van Unierecht?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: aan de hand van welke criteria kan worden vastgesteld of een autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een dergelijke ‘rechterlijke autoriteit’ is en het door haar uitgevaardigde EAB bijgevolg een dergelijke ‘rechterlijke beslissing’ is?

3. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: valt the Swedish National Police Board onder het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en is het door deze autoriteit uitgevaardigde EAB bijgevolg een ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

4. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt: is de aanduiding van een nationale politieautoriteit zoals the Swedish National Police Board als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in overeenstemming met het Unierecht?

6 Slotsom

Het onderzoek moet, na sluiting, worden heropend om de prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. De rechtbank zal bij afzonderlijke brief verzoeken om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure.

7 Beslissing

SLUIT het onderzoek ter zitting.

HEROPENT het onderzoek ter zitting.

VERZOEKT het Hof van Justitie een uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Vormen de uitdrukkingen ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ autonome begrippen van Unierecht?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: aan de hand van welke criteria kan worden vastgesteld of een autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een dergelijke ‘rechterlijke autoriteit’ is en het door haar uitgevaardigde EAB bijgevolg een dergelijke ‘rechterlijke beslissing is?

3. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt: valt the Swedish National Police Board onder het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en is het door deze autoriteit uitgevaardigde EAB bijgevolg een ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

4. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt: is de aanduiding van een nationale politieautoriteit zoals the Swedish National Police Board als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in overeenstemming met het Unierecht?

SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen de nog te bepalen datum en het nog te bepalen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 augustus 2016.

De jongste rechter is buiten staat de tussenuitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A

1 Evaluation Report on the Fourth Round of Mutual Evaluations “Practical Application of the European Arrest Warrant and Corresponding Surrender Procedures between Member States”:Report on Sweden, Council Document 9927/1/08 REV 1, p. 9-10.

2 Evaluation report on the fourth round of mutual evaluations “the practical application of the European Arrest Warrant and corresponding surrender procedures between Member States” - Follow-up to Report on Sweden, Council Document 14876/11, p. 2.

3 Council document 10400/09, p. 2.

4 Council Document 9927/1/08 REV 1, p. 6 en p. 9-10.

5 Council Document 14876/11, p. 2.

6 And older translation into English of the Swedish Ordinance (2003:1178) regarding the Surrender to Sweden based on a European Arrest Warrant is enclosed to this message for your convenience, in which the requesting and issuing authorities are mentioned.

7 https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=09000016800c92bc.

8 Engels: ‘judicial authority’; Italiaans: ‘autorità giudiziaria’; Nederlands: ‘rechterlijke autoriteit’; Spaans: ‘autoridad judicial’.

9 COM(2001) 522 final/2.

10 Council document 10400/09, p. 2.