Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5094

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
C/13/600964 / HA ZA 16-67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van een franchise overeenkomst. Franchisenemer mocht bij eenzijdige beëindiging van de franchise overeenkomst de klanten niet zonder toestemming van de franchisegever behouden. Ex-franchisenemer veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en voorts tot het doen van rectificatie wegens het doen van onjuiste uitlatingen richtingen de klanten aangaande de relevante rechtsverhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/228
AR 2016/2502

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/600964 / HA ZA 16-67

Vonnis van 24 augustus 2016

in de zaak van

de vennootschap onder firma

B6 ADMINISTRATIE V.O.F.,

gevestigd te Nieuw-Vennep,

eiseres,

advocaat: mr. M.H. Hamberg te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. L.J. van Gastel te Amstelveen.

Partijen zullen hierna B6 en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 maart 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

B6 opereert als franchisegever van een formule op het gebied van administratieve dienstverlening en advisering. Vennoten van B6 zijn [naam 1] en [naam 2] .

2.2.

Op 17 oktober 2014 heeft [gedaagde] als franchisenemer schriftelijk een overeenkomst met B6 als fanchisegever gesloten. In deze Overeenkomst staat voor zover hier van belang het volgende:

Artikel 6 looptijd en beëindiging overeenkomst (zie ook artikelen 18 en 19)

6.1

De Overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd, ingaande op de datum dat deze door beide partijen is ondertekend.

(…)

6.3

Afgezien van de calamiteiten uit het voorgaande artikel kan de franchisenemer de franchiseovereenkomst ook eenzijdig opzeggen. De franchisenemer is in dat geval verplicht om alle omzet over te dragen aan de andere franchisenemers/franchisegever.

(in artikel 21 wordt de mogelijkheid besproken dat franchisenemer zelf een andere kandidaat heeft gevonden, die de omzetportefeuille wil overnemen. In dit artikel is het uitgangspunt dat die kandidaat er niet is.)

Aangezien er geen sprake is van een calamiteit zal er in overleg naar een goede timing worden gezocht. Indien de timing de overnemers wel gelegen komt, dan zal de overnamefactor eveneens 1x de jaaromzet bedragen. Mocht de timing zeer ongelegen komen, dan zal er onderhandeld worden over een lagere factor.

Tevens kan er onderling met klantenportefeuilles worden geschoven/geruild tussen franchisenemers/franchisegever, mits er in die gevallen altijd tegen eerder genoemde overnamefactor 1x de jaaromzet wordt afgerekend.

Voorafgaand aan de in deze paragraaf beschreven overdrachten zal er toestemming van de

franchisegever moeten worden verkregen.

De betaling van genoemde overname door elk van de overnemers, vindt plaats in 4 gelijke termijnen (…)

6.4

Om een startende franchisenemer op weg te helpen mogen de reeds gevestigde franchisenemers/

franchisegever een deel van hun omzet overdragen aan deze starter.

De starter dient hiervoor een overnamefactor van 1x de jaaromzet van de betreffende portefeuille te betalen.

Voorafgaand aan de in deze paragraaf beschreven overdracht zal er toestemming van de franchisegever moeten worden verkregen.

In dit geval dient de startende franchisenemer vooraf 1/3e deel van de berekende overnamesom te betalen. (…) Als de startende franchisenemer toch afziet van het franchisenemerschap dan zal de overgedragen omzet weer moeten worden terug gegeven aan de oorspronkelijke overdrager. (…) Let op: de aanbetaling van 1/3e deel zal niet worden gerestitueerd.

Nieuw verworven omzet van de startende franchisenemer zal volgens artikel 6.3 worden overgedragen aan de andere franchisenemers/franchisegever.

(…)

6.6

Inzake beëindiging overeenkomst wordt eveneens verwezen naar de volgende artikelen:

• Artikel 8. Einde gebruiksrechten etc.

• Artikel 11. Geheimbouding etc.

• Artikel 18. Beëindiging etc.

• Artikel 19. Wanprestatie etc.

• Artikel 21. Overdracht etc.

(…)

Artikel 11. Geheimhouding, non-concurrentiebeding en relatiebeding

(…)

11.4

Franchisenemer zal gedurende 2 jaar na beëindiging van de Overeenkomst geen relaties benaderen waarvoor hij binnen de B6 Administratie franchiseorganisatie werkzaamheden heeft verricht of waarmee hij in contact is geweest of gebracht, of waarvan franchisenemer de gegevens heeft ontvangen via franchisegever in het kader van het uitvoering van de Overeenkomst.

Artikel 12. Zelfstandig ondernemerschap van de franchisenemer

12.1

Franchisenemer zal zijn bedrijf geheel voor eigen rekening en risico exploiteren.

Artikel 15. Geldelijke vergoeding

15.1

De Franchisenemer is na ingang van deze overeenkomst aan franchisegever verschuldigd een omzetfee van 5-10% over de door franchisenemer onder de handelsnaam B6 Administratie gerealiseerde netto omzet, doch minimaal over 80% van de totale omzet van de franchisenemer (…).

Artikel 21. Overdracht rechten franchisenemer

21.1

De aan franchisenemer bij de Overeenkomst gegeven rechten zijn overdraagbaar aan derden.

Let wel, de andere franchisenemers/franchisegever hebben het eerste recht om tegen de in artikel 6 bepaalde factor 1x de jaaromzet (een deel van) de omzetportefeuille over te nemen. Dat deel van de omzetportefeuille dat daarna nog resteert kan aan een derde worden verkocht.

Mocht franchisenemer voornemens zijn om zijn omzetportefeuille op welke wijze dan ook geheel of gedeeltelijk aan een derde over te doen gaan, dan zal hij zulks niet doen dan na voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming daartoe van franchisegever.

2.3.

Op de voet van artikel 6.4 van de Overeenkomst heeft B6 als franchisegever een deel van haar omzet aan [gedaagde] overgedragen. Het ging hier om de klanten die bij partijen bekend staan als [klant 1] , [klant 2] en [klant 3] .

2.4.

In het najaar van 2015 zijn partijen gaan onderhandelen over een aparte beëindigingsovereenkomst nu [gedaagde] niet langer als franchisenemer van B6 verder wilde. De teneur van de onderhandelingen was dat [gedaagde] de klanten [klant 1] , [klant 2] en [klant 3] aan B6 zou teruggeven en dat [gedaagde] de andere klanten die hij inmiddels had verworven, zou behouden, een en ander met gesloten beurzen. Een concept van de afspraken langs deze lijnen is door B6 neergelegd in een e-mail van 12 oktober 2015 houdende “een voorstel tot ontbinding” en waarin B6 aan [gedaagde] verzoekt om nog een akkoord te geven. Nadien volgde een e-mail van B6 van 19 oktober 2015 waarin staat dat B6 nog een aanpassing op het concept wenst, namelijk (voor zover hier van belang) een uitruil van twee klanten; B6 verzoekt in deze e-mail wederom om een akkoord van B6. Nadien zijn partijen niet tot elkaar gekomen; [gedaagde] heeft het gevraagde akkoord niet gegeven.

2.5.

Bij e-mail van 5 november 2015 heeft [gedaagde] de Overeenkomst opgezegd:

(…)

Opzegging.

Gelet op het voorgaande beëindig ik hierbij dan ook de franchiseovereenkomst met onmiddellijke ingang. Er moet duidelijkheid voor mij komen en ook voor jou. De reden waarom ik opzeg is omdat ik geen toegevoegde waarde meer zie in onze samenwerking en in de formule. Ook heb ik te vaak een verschil van inzicht met jou over bepaalde zaken. Het is mijn goed recht om deze relatie met jou als Franchisegever dan ook eenzijdig te beëindigen.

(…)

Rechtsgevolgen van opzegging.

Het gevolg van de opzegging is dat ik morgen het gebruik van de franchiseformule zal staken en onder [bedrijf] als zelfstandig gevestigd accountantskantoor zal voortgaan. Ik heb een volkomen gerechtvaardigd belang om mijn eigen klanten te blijven bedienen en zal dat ook doen. De contractuele bepalingen waar jij je op beroept staan daar niet aan in de weg.

Morgen schrijf ik de handelsnaam B6 administratie uit het Handelsregister. Alles waar je als franchisegever recht op hebt, is reeds in jouw macht en bezit. Ik hoor het wel als er nog zaken ontbreken. Die zal ik dan onverwijld aan je doen toekomen.

Op mijn beurt verzoek ik jou uiterlijk morgen om 12.00 uur de exact administraties van mijn klanten over te zetten op mijn eigen exact licentie die ik heb afgesloten. Mijn licentienummer is (…).

Bij gebreke daarvan stel ik je nu voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die ik als zelfstandig ondernemer hierdoor lijdt, evenals voor de schade die al mijn klanten hierdoor lijden.

(…)

Buitengerechtelijke vernietiging etc.

Tot slot, zijn mijn klanten zoals je weet, mijn enige bron van inkomsten en geven ze mij bestaansrecht als zelfstandig ondernemer. Ik ontvang geen salaris, kan geen beroep doen op een WW-uitkering en heb geen enkele andere vorm van inkomenszekerheid behalve de inkomsten van mijn klanten. (…) Dat is dan ook de reden waarom ik dat artikel 6.3. wat betreft die passage van de verplichte overdracht en timing etc. bij deze buitengerechtelijk vernietig op grond van dwaling c.q. bedrog op grond van 3:44 BW. Voor zover dat verweer niet slaagt (in rechte) doe ik een beroep op de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid ex 6:248 lid 2 BW van 6.3. en van de andere bepalingen die jij zal inroepen om mij mijn broodwinning te ontnemen! Dit omdat jouw toepassing van die bepalingen naar een resultaat leidt die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, te weten een ondernemer zonder klanten en dus zonder inkomsten. Ik behoud mij ook het recht voor om ook nog andere grondslagen in te roepen om mezelf te beschermen.

(…)

2.6.

Na de opzegging heeft [gedaagde] zijn klanten geïnformeerd over de situatie en daarbij mededelingen gedaan over de rechtsposities van alle betrokkenen (B6, [gedaagde] en de klanten). Op verzoek van [gedaagde] hebben de klanten (althans de meesten van hen) aan B6 een door [gedaagde] opgestelde e-mail verzonden. Hier wordt geciteerd uit de e-mail die klant [klant 4] in dat kader op 14 december 2015 aan B6 zond:

Geachte [naam 1] ,

Van [gedaagde] , onze accountant, hebben wij vernomen dat onze administraties in Exact- Online onder uw licentie is opgenomen. Het betreffen de administraties (…). Dit betekent dat u, wanneer u maar wilt, inzage kunt krijgen in onze administraties en die zelf ook theoretisch gezien zou kunnen bewerken. Ook bent u de technisch beheerder van de licentie en kunt u onze mogelijkheden beperken van wat wij in Exact-Online met onze administraties kunnen doen. Dit zijn allemaal zaken die wij absoluut niet willen. Wij willen niet dat een derde, waar wij onze administraties niet aan uitbesteden en daarom dus niets in onze administraties te zoeken heeft, deze nog nimmer bewerkt heeft, toegang daarin verschaffen of de macht geven deze gegevens onder zich te houden. Ook willen wij dat [gedaagde] de enige persoon is die onze Exact-Online administraties kan bewerken en technisch kan beheren. Gelet hierop verzoeken wij u, sommeren wij u, om onze Exact-Online administraties uiterlijk op 16 december 2015 over te zetten naar de Exact licentie van [gedaagde] / [bedrijf] (…). Bij gebreke hiervan zullen wij u in kort geding dagvaarden op dit alsnog op straffe van een dwangsom af te dwingen.

Voor de goede orde: het enkele feit dat u stelt een vordering te hebben op [bedrijf] op grond van een beëindigde franchiseovereenkomst is geen enkele reden voor u om een retentierecht uit te oefenen op onze administraties. Naar wij aannemen bent u op de hoogte van de gebruikelijke jurisprudentie daaromtrent en dat een recht van retentie niet kan bestaan als de rententor de onder zich gehouden zaken niet heeft bewerkt noch een vordering heeft op de ander! Aangezien u nimmer onze administrateur bent geweest en er geen openstaande facturen van uw administratiekantoor op ons bedrijf zijn, heeft u geen enkel recht van retentie!

Graag vernemen wij per omgaande van u een verklaring dat u zult voldoen aan ons verzoek c.q. sommatie.

(…)

3 Het geschil

3.1.

B6 vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens B6 is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als gevolg waarvan hij aansprakelijk is voor de door B6 geleden en nog te lijden schade, en dat [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting dient te betalen een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet dan wel een in dit geding in goede justitie vast te stellen bedrag, te betalen binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis;

II veroordeling van [gedaagde] tot het versturen van een rectificatie aan alle B6 relaties die [gedaagde] is blijven bedienen, met de hierna te noemen tekst dan wel een in goede justitie te bepalen tekst, te versturen binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis:

“In mijn communicatie richting u heb ik een onvolledig beeld gegeven van mijn vertrek bij de franchiseorganisatie B6 Administratie en daarbij onder meer gesuggereerd dat het geen probleem zou zijn als ik na beëindiging van de franchiserelatie voor u onder de naam van mijn eenmanszaak [bedrijf] diensten zou blijven verlenen. Verder heb ik richting u aangegeven dat B6 Administratie en/of [naam 1] vanwege een vordering op mij een beroep zou hebben gedaan op een retentierecht op uw administratie die onder de Exact-Online licentie van B6 Administratie was opgenomen. In dat kader heb ik u ook verzocht om een door mij voor gedicteerde e-mail aan B6 Administratie te versturen.

De rechter van de rechtbank Amsterdam heeft inmiddels bij vonnis van < > geoordeeld dat ik gehouden was aan een overeengekomen relatiebeding in de franchiseovereenkomst en het mij om die reden niet vrij stond om na beëindiging van de franchiserelatie zonder toestemming van B6 Administratie diensten voor u te blijven verlenen. Daarnaast was ik verplicht om bij beëindiging van de franchiserelatie mijn B6-klantenportefeuille aan B6 Administratie dan wel één van haar andere franchisenemers over te dragen. Nu ik mij niet aan deze contractuele verplichtingen heb gehouden, ben ik door de rechter veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan B6 Administratie alsmede het plaatsen van een rectificatie. Mijn gedane suggesties over B6 Administratie en/of een door haar gedaan beroep op een retentierecht vinden geen steun in de feiten. Mijn onjuiste berichtgeving over B6 Administratie en/of [naam 1] persoonlijk vormt derhalve een onaanvaardbare inbreuk op hun eer, goede naam en reputatie. De rechter heeft mij om die reden veroordeeld tot het versturen van deze rectificatie om het een en ander recht te zetten.”

III veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis.

3.2.

Aan vordering I legt B6 ten grondslag dat [gedaagde] de Overeenkomst heeft beëindigd met schending van de artikelen 6.3 (overdracht omzet) en 11.4 (relatiebeding), als gevolg waarvan B6 schade heeft geleden. Aan vordering II legt B6 ten grondslag dat [gedaagde] na de beëindiging van de Overeenkomst B6 in een kwaad daglicht heeft gesteld bij klanten, wat reputatieschade voor B6 oplevert.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

afwikkeling van de relatie

4.1.

De in het najaar van 2015 tussen partijen gevoerde onderhandelingen hebben niet geleid tot overeenstemming over de wijze van beëindiging van de lopende Overeenkomst. Dit blijkt uit de bewoordingen van de e-mail van 12 oktober 2015 waarin B6 spreekt van een voorstel tot ontbinding waarop B6 nog een expliciet akkoord van [gedaagde] vraagt, waarna, onder uitblijven van een akkoord van [gedaagde] , de e-mail van 19 oktober 2015 volgt, welke e-mail tot verdere discussie leidt en in elk geval niet tot overeenstemming ter zake van de beëindiging van de Overeenkomst. Het verweer van [gedaagde] inhoudende dat wél een akkoord was bereikt, wordt derhalve gepasseerd.

4.2.

Nu geen aparte beëindigingsovereenkomst is bereikt, zijn partijen gebonden aan de Overeenkomst inclusief de daaruit voortvloeiende modaliteiten van beëindiging ervan. De vraag is of de beëindiging van de Overeenkomst door [gedaagde] op 5 november 2015 daaraan voldoet.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag hoe in de Overeenkomst, voor zover hier van belang, de verhouding van partijen is geregeld en of deze een leemte laat die moet worden aangevuld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de Overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit de tekst van artikel 6.3 van de Overeenkomst volgt onmiskenbaar dat [gedaagde] als franchisenemer bevoegd was tot opzegging en dat hij bij gebruikmaking van die bevoegdheid de verplichting had om alle omzet over te dragen aan de andere franchisenemers of B6 als franchisegever. Met ‘omzet’ wordt in dit verband bedoeld ‘de klantenportefeuille’, zo is in confesso. Uit de tekst van artikel 11.4 van de Overeenkomst volgt verder duidelijk dat de franchisenemer gedurende twee jaar na beëindiging van de Overeenkomst geen (potentiële) klanten mag benaderen en – zo vloeit daaruit voort – dus ook niet mag bedienen, voor zover de franchisenemer daarvoor binnen de B6 Administratie franchiseorganisatie werkzaamheden heeft verricht of waarmee hij in contact is geweest of gebracht, of waarvan hij de gegevens heeft ontvangen via franchisegever in het kader van de uitvoering van de Overeenkomst. In de Overeenkomst wordt verder geen voor dit geding relevant onderscheid gemaakt tussen enerzijds klanten die de franchisenemer bij de start van de franchise van de franchisegever overneemt en anderzijds klanten die lopende de franchise worden geworven; een onderscheid tussen die twee groepen klanten is slechts relevant voor de wijze waarop zij bij beëindiging van de franchise moeten worden overgedragen, zo volgt uit artikel 6.4 van de Overeenkomst.

Er bestaat geen aanleiding om aan de artikelen 6.3 en 11.4 van de Overeenkomst een andere uitleg te geven dan de tekstuele uitleg, nu de tekst aan duidelijkheid niet te wensen overlaat en partijen overigens niet gemotiveerd hebben gesteld dat desondanks een andere uitleg aan de bepalingen moet worden gegeven. [gedaagde] heeft in dit kader wel naar voren gebracht dat hij bij het aangaan van de Overeenkomst in de veronderstelling verkeerde dat hij bij beëindiging van de Overeenkomst slechts de van de franchisegever overgenomen klanten moest teruggeven, maar die betekenis kan zonder nadere toelichting niet redelijkerwijs aan de bepalingen worden gegeven terwijl die betekenis zonder nadere toelichting ook niet redelijkerwijs door [gedaagde] mocht worden verwacht. Een nadere toelichting is door [gedaagde] niet gegeven, behoudens de stelling dat B6 tijdens de beëindigingsonderhandelingen eenzelfde uitleg van de Overeenkomst als [gedaagde] hanteerde (immers een onderscheid maakte tussen, kort gezegd, de ‘startklanten’ en de overige klanten). Die stelling is op zichzelf wel juist, maar [gedaagde] verliest daarbij uit het oog dat de beëindigingsonderhandelingen uiteraard wel plaatsvonden tegen de achtergrond van het bestaan van de Overeenkomst, maar dat die onderhandelingen waren bedoeld om te komen tot een aparte beëindigingsovereenkomst, die dus ook een eigen totstandkomingsgeschiedenis had (aparte onderhandelingen immers). Wél motiveert [gedaagde] dat aan de voornoemde bepalingen van de Overeenkomst geen toepassing mag worden gegeven dan wel dat die bepalingen vernietigbaar zijn, waarover het volgende.

4.3.1.

[gedaagde] doet aangaande artikel 6.3 van de Overeenkomst een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en voert daartoe aan dat het moeten overdragen van zijn omzet aan B6 erop neerkomt dat aan [gedaagde] zijn broodwinning wordt ontnomen; de door [gedaagde] bediende klanten zijn zijn eigen klanten en behoren niet toe aan B6, aldus [gedaagde] . Dit beroep wordt niet gehonoreerd. Artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt immers dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [gedaagde] bepleit echter dat de regel van artikel 6.3 in zijn algemeenheid geen toepassing kan vinden. Daarbij komt dat het argument van [gedaagde] , dat zijn broodwinning wordt ontnomen niet helemaal zuiver is: toepassing van artikel 6.3 leidt wel tot het verlies van de klanten die [gedaagde] gedurende de franchise bediende (waartegenover een vergoeding voor [gedaagde] staat), maar laat onverlet dat [gedaagde] als accountant zijn brood kan blijven verdienen, ook in dezelfde regio, maar dan wel met nieuwe klanten.

4.3.2.

[gedaagde] doet verder een beroep op dwaling dan wel bedrog ingeval de artikelen 6.3 en 11.4 moeten worden uitgelegd in de door B6 bepleite zin. Op het moment dat [gedaagde] de Overeenkomst aanging, verkeerde hij immers in de gerechtvaardigde veronderstelling dat voornoemde artikelen slechts betrekking hadden op de klanten die [gedaagde] aan het begin van B6 had overgenomen, aldus [gedaagde] . Dienaangaande wordt overwogen dat de strekking van voornoemde artikelen, oftewel de strekking van de door partijen afgelegde verklaringen, een kwestie is van uitleg en toepasbaarheid van de Overeenkomst (waarover 4.3 en 4.3.1) maar niet een kwestie van het al dan niet hebben gedwaald over een eigenschap van het voorwerp van de Overeenkomst.

Voor een geslaagd beroep op bedrog is noodzakelijk dat [gedaagde] door een kunstgreep van B6 is bewogen tot het aangaan van de Overeenkomst. Dat hiervan sprake is geweest is niet door [gedaagde] gesteld, laat staan dat hij daarvoor een afdoende onderbouwing heeft gegeven.

4.3.3.

[gedaagde] doet ten slotte een beroep op vernietigbaarheid van artikel 11.4 van de Overeenkomst vanwege het onredelijk bezwarende karakter ervan (artikel 6:233 lid 1 sub a BW). Dit beroep is ingegeven door de omstandigheid dat [gedaagde] zijn klanten (behoudens de ‘startklanten’ [klant 2] , [klant 1] en [klant 3] ) zelf heeft benaderd, gecontracteerd en bediend, terwijl B6 feitelijk niets heeft gedaan om die relaties tot stand te brengen, aldus [gedaagde] .

Ook indien veronderstellenderwijs met [gedaagde] wordt aangenomen dat artikel 11.4 als een algemene voorwaarde kan worden aangemerkt, slaagt het beroep van [gedaagde] niet. Gegeven immers de geldigheid van artikel 6.3 en de toepassing van dat artikel in het normale geval (klanten van [gedaagde] worden bij het einde van de Overeenkomst overgedragen aan B6 dan wel een andere franchisenemer, zulks tegen een vergoeding voor [gedaagde] ), is het geenszins onredelijk bezwarend maar juist goed te begrijpen dat [gedaagde] die klanten niet meer mag benaderen gedurende een zekere periode. Artikel 6.3, zo volgt uit de hiervoor onder 4.3 gegeven uitleg, maakt geen onderscheid tussen enerzijds klanten die de franchisenemer bij de start van de franchise van de franchisegever overneemt en anderzijds klanten die lopende de franchise worden geworven; het gaat om alle klanten gedurende de franchise.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de Overeenkomst door [gedaagde] op 5 november 2015 een schending oplevert van de artikelen 6.3 en 11.4 van de Overeenkomst. [gedaagde] heeft immers opgezegd zonder dat hij heeft voldaan aan de verplichting ex artikel 6.3 om zijn omzet over te dragen, waaruit een schending van het relatiebeding van artikel 11.4 voortvloeit. Voor de vraag of B6 hiervan schade heeft ondervonden is van belang dat in de situatie waarin [gedaagde] correct was nagekomen, B6 als overnemende partij een vergoeding aan [gedaagde] zou hebben moeten betalen, terwijl bovendien nog mogelijk is dat niet B6 maar een andere franchisenemer of een derde (artikel 21 van de Overeenkomst) de omzet zou hebben overgenomen. Met deze kanttekeningen is het echter nog steeds wel voldoende aannemelijk dat B6 als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] , welke tekortkoming aan [gedaagde] kan worden toegerekend, mogelijkerwijs schade heeft geleden, zodat de gevraagde verwijzing naar de schadestaatprocedure kan worden toegewezen.

rectificatie

4.5.

Wat betreft de gevraagde rectificatie wordt als volgt overwogen. [gedaagde] heeft vanuit zijn visie op zijn contractuele verhoudingen met B6 en de klanten mededelingen gedaan aan zijn klanten (te weten de onder 2.3 genoemden en de bij partijen bekende [klant 5] , [klant 4] , [klant 6] , [klant 7] , [klant 8] en [klant 9] ). Wat die mededelingen zijn geweest, blijkt uit de e-mail van klant [klant 4] . Andere mededelingen van [gedaagde] aan zijn klanten, bijvoorbeeld over de persoon van [naam 1] , zijn door B6 niet concreet gemaakt en ook niet gebleken. Gelet op dit een en ander wordt geoordeeld dat [gedaagde] bij de klanten ten onrechte de indruk heeft gewekt dat B6 op oneigenlijke wijze, en mede ten nadele van de klanten, een retentierecht op de verschillende administraties uitoefende. Die mededelingen van [gedaagde] aan zijn klanten hebben daarmee schade gedaan aan de goede naam van B6. Dit levert een onrechtmatige daad op die aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Die toerekening geschiedt niet zozeer op de basis dat [gedaagde] met het doen van de mededelingen jegens B6 opzettelijk schadelijk of achteloos heeft gehandeld als wel op basis van de in het verkeer geldende opvattingen: [gedaagde] heeft op basis van zijn eigen juridische visie op de franchise-relatie mededelingen aan de klanten gedaan, welke mededelingen evenwel onjuist zijn gebleken en schade aan de reputatie van B6 hebben veroorzaakt. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot het versturen van de rectificatie conform de opzet van B6, zij het dat de passages over schending van de eer en over de persoon van [naam 1] eruit worden gehaald.

overig

4.6.

Ten slotte wordt nog het volgende opgemerkt. [gedaagde] heeft in zijn verweer opmerkingen gemaakt over de sterkte van de franchiseformule van B6, aangevoerd dat [gedaagde] medebedenker van de franchiseformule is, gewezen op het feit dat [gedaagde] reeds een franchise fee van 5% aan B6 heeft moeten betalen en aangevoerd dat B6 als franchisegever op diverse manieren is tekortgeschoten in zijn verplichtingen. Dit een en ander laat de contractuele verplichtingen van [gedaagde] zoals in dit geding aan de orde echter onverlet.

proceskosten

4.7.

Nu [gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van B6 tot heden begroot op:

€ 84,26 aan explootkosten en bijkomende verschotten

€ 619,00 aan griffierecht

€ 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, liquidatietarief II)

€ 1.607,26 totaal, terwijl de nakosten worden begroot en toewijsbaar zijn op de wijze als bij de beslissing vermeld. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens B6 is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als gevolg waarvan hij aansprakelijk is voor de door B6 mogelijkerwijs geleden en nog te lijden schade, en dat [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting dient te betalen een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot het versturen van een rectificatie aan de onder 4.5 bedoelde B6 relaties, die [gedaagde] is blijven bedienen, met de hierna te noemen tekst, te versturen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis:

“In mijn communicatie richting u heb ik een beeld gegeven van mijn vertrek bij de franchiseorganisatie B6 Administratie en daarbij onder meer gesuggereerd dat het geen probleem zou zijn als ik na beëindiging van de franchiserelatie u onder de naam van mijn eenmanszaak [bedrijf] diensten zou blijven verlenen. Verder heb ik richting u aangegeven dat B6 Administratie vanwege een vordering op mij een beroep zou hebben gedaan op een retentierecht op uw administratie die onder de Exact-Online licentie van B6 Administratie was opgenomen. In dat kader heb ik u ook verzocht om een door mij voor gedicteerde e-mail aan B6 Administratie te versturen.

De rechter van de rechtbank Amsterdam heeft inmiddels bij vonnis van 10 augustus 2016 geoordeeld dat ik gehouden was aan een overeengekomen relatiebeding in de franchiseovereenkomst en dat het mij om die reden niet vrij stond om na beëindiging van de franchiserelatie zonder toestemming van B6 Administratie diensten voor u te blijven verlenen. Daarnaast was ik verplicht om bij beëindiging van de franchiserelatie mijn B6-klantenportefeuille aan B6 Administratie dan wel één van haar andere franchisenemers over te dragen. Nu ik mij niet aan deze contractuele verplichtingen heb gehouden, ben ik door de rechter veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat aan B6 Administratie alsmede tot rectificatie. Mijn suggesties over B6 Administratie en/of een door haar gedaan beroep op een retentierecht vinden geen steun in de feiten. Mijn onjuiste berichtgeving over B6 Administratie vormt derhalve een onaanvaardbare inbreuk op haar reputatie. De rechter heeft mij om die reden veroordeeld tot het versturen van deze rectificatie om het een en ander recht te zetten.”;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van B6 tot heden begroot op € 1.607,26 voor zover van toepassing inclusief btw, te vermeerderen met nasalaris begroot op een bedrag van € 131,00, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, alle voornoemde (na)kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.1

1 type: BvB coll: *