Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:5088

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
KK 16-828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 843a Rv; Homburg-concern; akte inbreng ex artikel 2:94a BW; nominale waarde aandeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2366
RN 2016/96

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM KORT GEDING

rolnummer: KK16-828

11 augustus 2016

11

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam op de vordering in kort geding in de zaak van:

De Vereniging van Homburg- en Geneba-gedupeerden

gevestigd te Amersfoort

eiseres

gemachtigde: [gemachtigde]

t e g e n

de naamloze vennootschap Geneba Properties NV,

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

gemachtigde: mr.R.J.van Galen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 28 juni 2016 inhoudende de vordering van eiseres met bewijsstukken

- een akte met bijlagen van gedaagde

- een akte houdende wijziging eis met bijlagen.

De mondelinge behandeling vond plaats op 28 juli 2016. Verschenen zijn partijen en hun gemachtigden. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Vonnis is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Tot uitgangspunt dient het volgende:

1.1

Vanwege insolventie verkreeg het Homburg-concern in Canada desgevraagd

op 9 september 2011 bescherming tegen haar crediteuren onder de

(Canadese) Companies’ Creditors Arrangement Act.

1.2

In het kader van de afwikkeling van deze met een in Nederland met een

faillissement vergelijkbare fase waarin het Homburg-concern verkeerde is een

‘’Reorganization Plan’’ aangeboden aan de schuldeisers waarbij met

hypotheek belast onroerend goed, aangemerkt als kernbedrijfsmiddelen, van

het Homburg-concern ter waarde van ca Eur 152.000.000,-, aan een nieuw op

te richten vennootschap zou worden overgedragen waarin de schuldeisers

aandelen zouden verkrijgen.

1.3

Het “Reorganization Plan” is in 2013 door de schuldeisers aangenomen. Het is

vervolgens uitgevoerd. De onder 1.2 bedoelde vennootschap is in dat kader

opgericht, te weten gedaagde, en de onder 1.2 bedoelde bedrijfsmiddelen zijn

aan haar overgedragen.

Het geschil

2. Eiseres vordert primair, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, gedaagde te veroordelen om haar de volgende stukken te verstrekken, op straffe van een dwangsom:

-een afschrift van de akte van inbreng met betrekking tot het uit het Homburg faillissement verkregen onroerend goed in de Nederlandse taal;

-een afschrift van de notariële akte bedoeld in prod.7 bij dagvaarding inclusief de akte die met de monitor is opgemaakt naar aanleiding van zijn overdracht van de aandelen aan de NPEX alsmede alle bijlagen genoemd in de notariële akten die als prod. 6 t/m 9 door gedaagde zijn overgelegd (in het Nederlands).

Voorts vordert eiseres te bepalen dat alle aandeelhouders recht hebben op

dezelfde informatie in de Nederlandse taal en dat de kosten voor eventuele

vertaling voor rekening van gedaagde dienen te komen.

Subsidiair vordert eiseres om gedaagde te gelasten, op straffe van een

dwangsom, een akte van inbreng te laten opmaken door een deskundige en

deze akte inclusief de documenten waarop deze berust aan eiseres ter hand te

stellen.

3. Gedaagde voert verweer, formeel en materieel.

Beoordeling

4. Gedaagde heeft zich gerefereerd voor wat betreft de vraag of de kantonrechter bevoegd is deze zaak te behandelen of dat de zaak verwezen dient te worden naar de voorzieningenrechter. In dat verband is van belang dat het in deze zaak niet gaat om een z.g. aardvordering (bijv. een vordering inzake huur- of arbeidsrecht). In een dergelijk geval dient de kantonrechter te beoordelen of de waarde van de vordering de Eur 25.000,- niet te boven gaat. Eiseres stelt de waarde van de (oorspronkelijk ingestelde) vordering op ca Eur 250,- (tijd, papier, usb-stick, verpakking/portokosten). Hoewel de waarde van een stuk waarvan afgifte wordt gevorderd onder omstandigheden gerelateerd kan worden aan de waarde van het daarmee gediende belang is in dit geval

het achterliggend belang dermate onduidelijk dat de benadering van eiseres acceptabel wordt geoordeeld. Voor de gewijzigde eis is dat wel anders komen te liggen (te bepalen dat alle aandeelhouders recht hebben op dezelfde informatie of –subsidiair- te gelasten om een akte op te maken). Om proceseconomische redenen wordt echter niet verwezen.

5. Eiseres stelt, zakelijk weergegeven, dat rond de oprichting van gedaagde vele zaken niet op de juiste manier zijn verlopen. In dit geding spitst zich dat toe op de stelling dat de aandelen van gedaagde per maart 2014 bij NPEX zijn gedeponeerd voor een prijs van Eur 5,- per aandeel (waardering september 2013) terwijl de aandelen van gedaagde een nominale waarde hebben van Eur 0,02. Zonder redelijke motivatie naar de aandeelhouders en zonder hun akkoord is hun dus Eur 4,98 per aandeel ontnomen. Stellende dat bij de oprichting van gedaagde op de aandelen van gedaagde anders dan in geld is ingebracht vordert eiseres, met een beroep op artikel 2:94 BW, afgifte van een akte van inbreng om te kunnen beoordelen of er sprake is van fraude. Voor die beoordeling heeft zij ook de gevorderde notariële akte met bijlagen nodig evenals de akte die tussen de monitor en de NPEX is gesloten.

6. Gedaagde is opgericht met de bedoeling om daarin het rendabele onroerend goed van het Homburg-concern in te brengen en de schuldeisers de mogelijkheid te bieden een deel van hun vordering in te wisselen tegen aandelen in gedaagde, een soort doorstart met dat onroerend goed. Een en ander werd blijkens het Reorganization Plan als volgt gerealiseerd:

-gedaagde kocht de onroerend goed vennootschappen uit het Homburg-concern waarin het rendabele onroerend goed zat;

-gedaagde nam de schulden van het Homburg-concern aan de schuldeiseres over tot het bedrag waarop het over te nemen onroerend goed na aftrek van hypothecaire verplichtingen werd gewaardeerd (ca Eur 152.000.000,-);

-de koopprijs van het onroerend goed en de stortingsverplichting van de schuldeisers die hun vorderingen omruilden in aandelen van gedaagde werd door gedaagde verrekend met hetgeen het Homburg-concern aan gedaagde verschuldigd was uit hoofde van de hiervoor genoemde schuldovername.

Door aldus de koopprijs en de stortingsverplichting op de aandelen te verrekenen met de schuldovername is de inbreng op de aandelen voldaan in geld. Dat betekent dat in artikel 2:94 BW geen grondslag is te vinden voor het opmaken van een akte van inbreng. Het verweer van gedaagde dat een dergelijke akte niet behoeft te worden afgegeven (primaire vordering) noch behoeft te worden opgemaakt (subsidiaire vordering) slaagt derhalve. De overige verweren betreffende deze afgifte behoeven thans geen bespreking meer.

7. Ten overvloede wordt overwogen dat in het kader van het Canadese faillissement van het Homburg-concern de waarde van het over te dragen onroerend goed is vastgesteld op ca Eur 150.000.000,-. Bij uitgifte van

Ca 30.000.000 aandelen in gedaagde bedroeg de intrinsieke waarde van een aandeel dus Eur 5,-. Met de nominale waarde van een aandeel heeft dat weinig te maken. De waarde van een aandeel wordt bepaald door vraag en aanbod op een evt. beurs waarbij de intrinsieke waarde van dat aandeel een factor van belang is (naast bijv. winstverwachting). Dat de intrinsieke waarde van de aandelen –later- lager bleek dan Eur 5,- is op zichzelf geen aanwijzing voor fraude bij de oprichting van gedaagde. Koersen van aandelen kunnen fluctueren en de beleggers in het Homburg-concern hebben er vrijwillig voor kunnen kiezen om een deel van hun vordering om te zetten in aandelen van gedaagde (en niet in een uitkering in geld die op dat moment lager was dan de getaxeerde intrinsieke waarde van Eur 5,- van het voorgestelde aandeel).

8. Gedaagde heeft aangevoerd dat de afgifte van de gevorderde notariële akte dient te worden afgewezen omdat aan die vordering reeds is voldaan (zie bijlagen 6 t/m 9 bij akte gedaagde). Dat verweer slaagt. De vordering om de akten in de Nederlandse taal over te leggen kan niet worden gebaseerd op artikel 843a Rv terwijl geen andere grondslag is gesteld. Ook die vordering wordt daarom afgewezen.

9. Voor afgifte van de bijlagen bij de onder 8. bedoelde notariële akten heeft eiseres slechts gesteld dat zij die stukken nodig heeft om ‘’goede en juiste conclusies te kunnen trekken’’ (pleitnota bl.6, 2e alinea). Dat is niet voldoende voor toewijzing van een dergelijke vordering. Alleen al daarom wordt die gevorderde voorziening geweigerd.

10. Tegenover de ontkenning door gedaagde van het bestaan van een z.g. monitorakte, welke ontkenning in overeenstemming is met de bijlagen 6 t/m 9 bij akte gedaagde waaruit blijkt dat de monitor geen aandelen van gedaagde aan de NPEX heeft overgedragen al was het maar omdat hij daarover niet beschikte, heeft eiseres geen verdere toelichting verstrekt waarop zij het bestaan van een dergelijke akte baseert. Alleen al daarom wordt de gevorderde voorziening geweigerd.

11. De vordering om te bepalen dat alle aandeelhouders recht hebben op dezelfde informatie kan niet worden ingesteld in een kort geding. De gevorderde voorziening wordt daarom geweigerd.

12. Gelet op de afloop van het geding wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagde.

BESLISSING

De kantonrechter:

I weigert de gevorderde voorzieningen;

II veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op EUR 400,-, voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;

III verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door C.von Meyenfeldt, als kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter