Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4998

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
C/13/608071 / FA RK 16-3252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0210

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/608071 / FA RK 16-3252 (HH NS)

Beschikking van 10 augustus 2016 betreffende gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen verzoeker,

advocaat mr. I.R. Feddema te Amsterdam,

tegen

[vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen de vader.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

en

[man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man.

2 De vaststaande feiten

Uit het huwelijk van de vader en de moeder is verzoeker geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Het huwelijk is ontbonden op [datum] .

3 Het verzoek

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Hij legt aan het verzoek ten grondslag dat de vader niet zijn biologische vader is.

Verzoeker heeft naar voren gebracht dat zijn moeder al jarenlang voordat zij is gescheiden van de vader niet meer met hem samenwoonde en ook geen intieme relatie met hem had. Zijn moeder heeft gedurende het conceptietijdvak geen gemeenschap met haar echtgenoot gehad.

De moeder van verzoeker had indertijd een intieme relatie met de man, tevens de broer van de vader, wat maakt dat de man de biologische vader is van verzoeker. Op het moment dat moeder zwanger bleek te zijn is er een familieruzie ontstaan hetgeen er onder meer toe geleid heeft dat moeder verzoeker alleen heeft opgevoed.

Toen verzoeker 12 jaar oud was heeft zijn moeder hem verteld dat de man zijn biologische vader is. Verzoeker heeft nooit enig contact gehad met zijn wettige vader. Met zijn biologische vader had hij tot zijn 18e jaar af en toe contact, welk contact zich na zijn 18e verjaardag heeft geïntensiveerd en zich heeft ontwikkeld tot een warme vader-zoon relatie.

Zowel verzoeker als de man willen graag dat hun band geformaliseerd wordt, zodat de man verzoeker kan erkennen.

4 De beoordeling

De vader en de moeder hadden ten tijde van de geboorte van verzoeker beiden de Nederlandse nationaliteit, zodat ingevolge artikel 10: 93, lid 1, juncto artikel 10: 92 van het Burgerlijk Wetboek(BW) op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap het Nederlandse recht van toepassing is.

Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap is gegrond op artikel 1:200 BW. Ingevolge lid 6 van genoemd artikel dient een kind dat gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met het feit dat zijn wettige vader vermoedelijk niet zijn biologische vader is, uiterlijk drie jaar nadat hij meerderjarig is geworden een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker zijn verzoek niet heeft ingediend binnen de wettelijke termijn.

Verzoeker heeft een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, hierna: EVRM, stellende dat de termijn genoemd in artikel 1: 200 lid 6 BW, in strijd is met artikel 8 EVRM.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege dient te blijven omdat het vasthouden aan deze termijnen - waardoor de ontkenning van het vaderschap niet gegrond kan worden verklaard met als gevolg dat geen familierechtelijke betrekkingen kunnen ontstaan tussen verzoeker en de man - een ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen oplevert en in zoverre strijdig is met het bepaalde in artikel 8 EVRM.

De rechtbank stelt voorop dat het stellen van termijnen in beginsel gerechtvaardigd is. Het Europese Hof heeft in de zaak Rasmussen (29 november 1984 NJ 1986, 4) overwogen dat het verbinden van termijnen aan de ontkenning van het vaderschap valt binnen de beleidsvrijheid van de verdragsstaten en geen strijd met artikel 8 EVRM oplevert. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de per 1 april 1998 in werking getreden. afstammingswetgeving heeft de wetgever gekozen voor onderhavige termijnstelling vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Het stellen van termijnen voorkomt dat nog jaren nadat duidelijk is geworden dat een ander de biologische vader van een kind moet zijn, onzekerheid over het al dan niet ontkennen van het vaderschap en daarmee over de positie van degene die als vader geldt blijft voortduren (Kamerstukken II, 24 649, nr. 3, blz. 17). Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer de vraag is gesteld of het artikel niet zou moeten worden uitgebreid met een hardheidsclausule "voor die gevallen waarin geen enkel belang is gediend met het stellen van een termijn". Hierop heeft de regering ontkennend geantwoord.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval echter geen enkel belang is gediend bij handhaving van de in geding zijnde termijnstelling. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de wettige vader niet de biologische vader van verzoeker is. Niet valt in te zien dat de termijnen in deze zaak dienen ter bescherming van de belangen van een kind. Integendeel, de belangen van verzoeker verzetten zich juist tegen de termijnstelling. In het onderhavige geval valt evenmin in te zien welk belang de rechtszekerheid dient nu verzoeker in de afgelopen jaren family life heeft opgebouwd met de vader en zowel de moeder als de wettige vader zich refereren aan het verzochte. Geen van betrokkenen wenst dat de wettelijke presumptie van vaderschap gehandhaafd blijft, terwijl ook anderszins geen zwaarwegende redenen aanwezig zijn die aan de aantasting van het vaderschap van de wettige vader in de weg staan.

Daarmee komt de rechtbank toe aan beantwoording van de vraag of in dit geval een voldoende rechtvaardiging bestaat voor de inmenging in het family life van verzoeker en zijn wettige vader. De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 15 november 2002 (NJ 2003, 228) geoordeeld dat het stellen van termijnen noodzakelijk is om de rechtszekerheid te waarborgen én om de belangen van het kind te beschermen in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. Evident is het belang van verzoeker om aansluiting te zoeken bij de biologische en maatschappelijke werkelijkheid. Nu geen enkel belang is gediend bij handhaving van de termijnstelling, is de rechtbank van oordeel dat de termijnstelling van artikel 1:200 lid 6 BW en het daarbij behorende overgangsrecht in onderhavige situatie een inmenging oplevert in het family life en dat daarvoor geen rechtvaardiging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM kan worden gevonden. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank de termijnoverschrijding buiten beschouwing laat en verzoeker zal ontvangen in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

Uit de onweersproken stellingen van alle betrokken partijen leidt de rechtbank af dat de wettige vader niet de biologische vader van verzoeker is, zodat het verzoek als volgt toewijsbaar is.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [vader] ten aanzien van het uit de moeder geboren kind:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

- draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten, griffier, op 10 augustus 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.