Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
EA VERZ 16-633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer heeft na een lang dienstverband in het kader van een reorganisatie een beëindigingsovereenkomst gesloten met werkgever op grond waarvan hij aanspraak zou krijgen op een beëindigingsvergoeding. Twee dagen voor het einde van de arbeidsovereenkomst wordt hij op staande voet ontslagen in verband met het gedurende langere tijd overboeken van bedragen van de door hem beheerde bankrekening van zijn voetbalteam naar zijn privérekening. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. De aard en ernst van de handelwijze van werknemer gewogen tegen de persoonlijke omstandigheden van werknemer zijn onvoldoende om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Werknemer heeft geen misbruik gemaakt van de systemen van de bank en alleen zijn teamleden benadeeld, aan wie hij dit reeds had opgebiecht. Tevens wordt in aanmerking genomen dat werknemer als IT-er geen bankmedewerker is in de strikte zin van het woord, dat werkgever vanwege de voorgenomen beëindiging geen werkzaamheden meer zal verrichten en anderzijds dat werknemer door het ontslag voet niet alleen de beëindigingsvergoeding zou mislopen maar ook niet in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2304
AR-Updates.nl 2016-0874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

clusternummer: 104109

zaaknummer: 5123777 EA VERZ 16-633

beschikking van: 25 juli 2016

func.: 811

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

nader te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. M.A. Decoz,

t e g e n

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

nader te noemen: ABN AMRO,

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 30 mei 2016 een verzoek ingediend dat strekt tot vernietiging van het op 30 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet en in incident bij wijze van voorlopige voorziening verzocht om doorbetaling van loon en uitbetaling van de prestatiepremie.

ABN AMRO heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juli 2016. [verzoeker] is in persoon verschenen vergezeld door de gemachtigde. ABN AMRO is verschenen bij mr. A. van Empel, arbeidsrecht jurist bij ABN AMRO, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verzoeker] , geboren op [datum] , is sinds 20 maart 1978 in dienst van ABN AMRO en is werkzaam in de functie van Functioneel Beheerder IT NL I. Het bruto salaris bedraagt € 4.677,31 per maand op basis van een fulltime werkweek.

1.2.

In het kader van een reorganisatie bij ABN AMRO hebben partijen in december 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat het dienstverband van [verzoeker] per 1 april 2016 zou eindigen, een beëindigingsvergoeding zou worden betaald van € 107.643,16, een aanvullende vergoeding van € 7.223,89 en verder de gebruikelijke afwikkeling met betrekking tot niet genoten vakantiedagen etc.

1.3.

[verzoeker] is lid van een voetbalteam. Ieder lid van het voetbalteam stortte iedere maand een klein bedrag op een beleggingsrekening om daarvan leuke uitstapjes te kunnen maken. Deze beleggingsrekening wordt aangehouden bij de ABN AMRO en [verzoeker] is samen met mede teamgenoot [naam 1] beheerder van en gevolmachtigd tot deze rekening.

1.4.

[naam 1] was hiervan niet op de hoogte. Toen hij in 2016 digitaal belastingaangifte deed, zag hij een hem onbekend rekeningnummer ingevuld op zijn aangifte. [naam 1] heeft daarop in maart 2016 contact opgenomen met de ABN AMRO om verduidelijking over dit rekeningnummer te vragen.

1.5.

Op 18 maart 2016 heeft [naam 1] vervolgens een gesprek gevoerd met filiaaldirecteur [naam 2] en op 25 maart 2016 met twee bedrijfsrechercheurs van de ABN AMRO. Van dat laatste gesprek is een rapportage opgemaakt.

1.6.

Op 29 maart 2016 zou de afscheidsreceptie van [verzoeker] plaatsvinden. Die ochtend werd [verzoeker] gevraagd om ’s middags langs te gaan bij de afdeling SIM (Security & Intelligence Management) van ABN AMRO. [verzoeker] heeft vervolgens tegenover deze rechercheurs een verklaring afgelegd en ondertekend. Hierin is onder meer vermeld:

“(…)

Op deze rekening werden door een aantal mensen, ik denk 8, geld gestort. We zijn begonnen met 12 mensen die 25 gulden per maand inlegde (nu 12,50 euro). Doel van deze rekening was om uitjes te financieren, zoals uiteten, bowlen, een reis naar Polen. Een gedeelte van deze rekening heb ik gebruikt om mijn lopende rekeningen aan te zuiveren, omdat ik gokschulden had.

Omdat ik rood stond op mijn privérekening, heeft de bank een deel van die roodstand gecompenseerd met het geld van die effecten rekening. Een en ander op grond van de algemene bank voorwaarden. (…)

Vorig jaar heb ik aan alle overgebleven leden verteld dat ik geld heb onttrokken van deze effectenrekening. Dit kwam toen wel als een verrassing. Ik heb het verteld, omdat ik van dat geheim af wilde. Ik heb een schuld van 13.000 euro aan de deelnemers van deze effecten rekening. Ik heb afgesproken dat ik die schuld dit jaar zou aflossen. (…)

Ik heb de worksheets op de website van ons elftal gezet, (…). Ik heb de excel sheets opgemaakt, zoals het zou moeten zijn zonder de door mij onttrokken gelden.(…)

Ik heb in maart 2015 verteld dat wij gingen stoppen met de rekening, in juli 2015 heb ik via een email aangegeven aan de deelnemers dat ik geld voor privé doeleinden heb onttrokken aan deze rekening. Sommige mensen hebben daarop gereageerd en sommige mensen hebben niets gezegd.

In december 2015 heb ik aan de deelnemers gezegd dat ik in April 2016 het geld zou terug betalen. We hebben het dan in totaal over 13.000 euro. (…)

Welke afspraken heeft de bank met jou gemaakt in pogingen om jouw financiële situatie te verbeteren?

A: Ik heb met de bank afgesproken dat de servicelening, nu nog 32.000 euro, afgelost wordt via mijn salaris. De bank houdt ongeveer 1094,- euro in op mijn salaris ten behoeve van de aflossing van die lening. Verder zijn er volgens mij geen afspraken gemaakt, behoudens het feit dat 25% van mijn stimuleringspremie zal worden gebruikt voor een gedeeltelijke aflossing van de servicelening. (…)

Wat is de reden van jouw schulden?

A: Mijn echtscheiding en andere problemen. Deze problemen zijn allemaal bekend bij de bank. Ik moest begin 2015 ook ineens een éénmalige bijdrage aan de VVE betalen. Het gokken is al heel lang geleden, ik denk wel 20 jaar. In 2005 en 2006 heb ik wel geld gebruikt voor uitgaan en prostitutie bezoek, niet voor drugs en ook niet voor gokken. Vanaf 2009 heb ik bij mijzelf de knop omgezet. In 2002 heb ik lange tijd dubbele lasten gehad als gevolg van mijn echtscheiding, ik moest een overbruggingskrediet afsluiten.(…)”.

1.7.

Op 30 maart 2016 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Op die dag is [verzoeker] door ABN AMRO een brief persoonlijk overhandigd, waarin onder meer is vermeld:

“(…)

Hoewel u bij de bank werkzaam bent als IT-medewerker (…), stond u bij de deelnemers [leden van het voetbalteam, ktr] bekend als ‘de bankman’. (…)

Wij achten de u verweten handelwijze onaanvaardbaar, ieder overboeking op zich, maar zeker ook alle overboekingen in onderlinge samenhang beschouwd. Daarbij is van belang de omvang van het bedrag dat door u naar uw privérekening is overgeboekt, maar ook de langdurige periode waarin u de overboekingen heeft gedaan. Deze verwijten gelden ieder voor zich maar ook in onderlinge samenhang beschouwd, als dringende reden (…).

Het vertrouwen dat de bank in u moet kunnen stellen is hierdoor onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren. (…)”

1.8.

Bij brief van 7 april 2016 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling en betaling van de beëindigingsvergoeding.

Verzoek in hoofdzaak en in incident

2. [verzoeker] verzoekt het op 30 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en primair ABN AMRO te veroordelen tot loondoorbetaling tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging, betaling van de beëindigingsvergoeding alsmede de aanvullende vergoeding van twee maandsalarissen, dan wel subsidiair ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 76.000,-- bruto en een billijke vergoeding van € 40.000,--.

3. Bij voorlopige voorziening verzoekt [verzoeker] ABN AMRO te veroordelen tot betaling van het salaris over de periode 30 maart 2016 tot aan 1 april 2016 en uitbetaling van de prestatiepremie over 2015 ad € 3.693,50.

4. Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag.

5. ABN AMRO verweert zich tegen het verzoek. Op de stellingen van partijen wordt hieronder voor zover van belang nader ingegaan.

Beoordeling

6. Vaststaat dat [verzoeker] gedurende een lange tijd (in ieder geval vanaf 2005- tot begin 2015) meerdere malen geld van de rekening van het voetbalteam heeft overgeschreven naar zijn privérekening, met als gevolg dat hij in totaal € 13.000,-- verschuldigd is geraakt aan de leden van het voetbalteam. Voor ABN AMRO was dit reden om [verzoeker] op staande voet te ontslaan.

7. Niet is echter in geschil dat [verzoeker] (mede) bevoegd was om over de rekening te beschikken en dat hij voor de overboekingen dan ook geen misbruik heeft gemaakt van de systemen van ABN AMRO. Financieel heeft [verzoeker] dus met zijn gedrag enkel zijn voetbalteamleden benadeeld. Verder staat vast dat [verzoeker] reeds in 2015 aan zijn teamleden heeft opgebiecht dat hij het geld naar zijn privérekening had overgemaakt en dat hij het geld zo snel mogelijk wilde terugbetalen. De reden dat [naam 1] contact heeft gezocht met de ABN AMRO over de rekening heeft niet te maken met de overboekingen van [verzoeker] , maar met de omstandigheid dat [naam 1] het in zijn belastingaangifte vermelde rekeningnummer niet kende. [naam 1] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen klacht tegen [verzoeker] bij de ABN AMRO ingediend en ook overigens is geen strafrechtelijk aangifte gedaan. Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de handelwijze van [verzoeker] in geen verband stond met zijn werkzaamheden en het imago van ABN AMRO niet heeft geschaad. Dit geldt te meer nu [verzoeker] IT medewerker was en geen bankmedewerker in de strikte zin van het woord. Dat zijn teamleden hem de “bankman” noemde, zoals ABN AMRO aanvoert, maakt, als het al zo is, het voorgaande niet anders.

8. Nu [verzoeker] verder reeds 38 jaar in dienst is geweest bij ABN AMRO, in al die jaren op zijn functioneren geen aanmerkingen zijn geweest, thans 60 jaar is en is overeengekomen dat het dienstverband per 1 april 2016 in het kader van reorganisatie zou worden beëindigd, is de aard en de ernst van de onderhavige handelswijze gewogen tegen deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Daarbij is in aanmerking genomen dat ten gevolge van het ontslag op staande voet [verzoeker] geen beëindigingsvergoeding van € 107.643,16 krijgt en geen WW-uitkering, maar aangewezen is op een bijstandsuitkering, terwijl gelet op zijn leeftijd niet voorzienbaar is dat hij op korte termijn in staat zal zijn een andere baan te vinden. Doordat reeds overeenstemming was bereikt dat de arbeidsovereenkomst op zeer korte termijn (te weten 2 dagen later) zou eindigen en [verzoeker] reeds geen werkzaamheden meer verrichtte omdat hij zijn laatste verlofdagen genoot, zou ook zonder ontslag op staande voet van ABN AMRO niet hoeven te worden gevergd om de arbeidsovereenkomst veel langer voort te laten duren, hij eindigde immers twee dagen later. Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, maakt dat geen sprake was van een dringende reden en dat het verzoek tot vernietiging wordt toegewezen. Ook de overige primaire vorderingen zijn daardoor toewijsbaar.

9. De wettelijke verhoging zal in redelijkheid worden gematigd tot 25%.

10. Gelet op het voorgaande heeft [verzoeker] geen belang meer bij zijn vorderingen in incident zodat deze worden afgewezen. Dit geldt niet voor de vordering met betrekking tot de prestatiepremie, want dit is in de hoofdzaak niet gevorderd. Bij gebrek aan verweer van ABN AMRO, wordt gelet op bovenstaande beslissingen in de hoofdzaak ervan uitgegaan dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen, zodat de gevraagde voorziening wordt verstrekt.

11. ABN AMRO wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden echter in incident gelet op de samenhang met de hoofdzaak begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

inzake het verzoek in de hoofdzaak (5123777 EA VERZ 16-633):

I vernietigt het ontslag op staande voet;

II veroordeelt ABN AMRO tot doorbetaling van het op basis van de arbeidsovereenkomst verschuldigde salaris van € 4.677,31 (bruto) per maand, vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 30 maart 2016 tot 1 april 2016, vermeerderd met 25% aan wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de dag van volledige betaling;

III veroordeelt ABN AMRO tot betaling van € 107.643,16 bruto aan beëindigingsvergoeding en € 7.223,89 bruto aan twee maandsalarissen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de dag van volledige betaling;

IV veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verzoeker] begroot op:
salaris € 500,00
griffierecht € 223,00
totaal € 723,00
voor zover van toepassing, inclusief btw;

V. veroordeelt ABN AMRO tot betaling van een bedrag van € 50,-- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en ABN AMRO niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

VI. wijst het meer of anders verzochte af.

inzake het verzoek in incident (5123847 EA VERZ 16-634):

VII. veroordeelt ABN AMRO tot betaling van € 3.693,50 aan prestatiepremie over 2015;

VIII. veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verzoeker] begroot op nihil.

IX. veroordeelt ABN AMRO tot betaling van een bedrag van € 50,-- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en ABN AMRO niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

X. wijst het meer of anders verzochte af;

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.