Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:485

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
AMS - 15 _ 49
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom, beëindigen bewoning motorschip, strijd met bestemmingsplan, plafond ligplaatsvergunningen en zonering Schiphol

Eiser stelt dat verweerder zonder nader onderzoek of voldoende belangenafweging de grondslag van de last onder dwangsom heeft gewijzigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat dat de kern van de grondslag van de last, namelijk strijdigheid met de bestemming “Water”, ongewijzigd is. Er is dan ook geen sprake van een ontoelaatbare wijziging van de grondslag ten opzichte van het primaire besluit. De rechtbank acht daarbij van belang dat het aan de oorspronkelijke aanschrijving ten grondslag gelegde feitencomplex en de inhoud van de opgelegde last in het bestreden besluit en door de toelichting in het verweerschrift en ter zitting in het geheel niet zijn gewijzigd.

De ligplaats van eiser kan niet onder het overgangsrecht worden gebracht. In het bestemmingsplan is het aantal uitgegeven ligplaatsvergunningen opgenomen als maximum voor het aantal ligplaatsen binnen het betreffende gebied. Dit restrictieve beleid is uitgewerkt door aan het innemen van een ligplaats een vergunningplicht te verbinden, sinds 19 december 2013 in de Woonarkenverordening 2013 en daarvoor in de APV. Het aantal van 204 woonschepen heeft betrekking op woonschepen met een ligplaatsvergunning. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2393) bevestiging voor dit oordeel. Daarnaast is het innemen van de ligplaats in strijd met het bepaalde in artikel 31.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’, omdat de ligplaats zich bevindt in de bestemming “Zonering luchthaven Schiphol”, waarin het aantal ligplaatsen niet mag toenemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aantal ligplaatsen in de “Zonering luchthaven Schiphol” eveneens bepaald door het aantal ligplaatsen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend, zodat de ligplaats van eiser ook om deze reden niet onder het overgangsrecht kan worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/49

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Tielbeke).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een last opgelegd inhoudende dat eiser de bewoning van zijn motorschip aan de [adres ] te [woonplaats] voor 1 maart 2015 dient te beëindigen en beëindigd te houden onder verbeuring van een dwangsom van € 1500,- per week met een maximum van € 15.000,- indien niet volledig en/of niet tijdig aan de last wordt voldaan.

Bij besluit van 27 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. P.J. van de Hurk. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.

Bij brief van 27 oktober 2015 heeft verweerder de gevraagde informatie overgelegd. Bij brief van 5 december 2015 heeft eiser hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens met toestemming van partijen het vooronderzoek gesloten en de zaak zonder nadere zitting afgedaan.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft sinds 1994 op een vaartuig op de locatie [adres ] gewoond. In 2013 heeft eiser de huidige locatie op het perceel [adres ] als woning in gebruik genomen. Eiser heeft zich sinds 30 april 2013 in de Basisregistratie Personen op dit adres laten inschrijven.

1.2.

Verweerder heeft geconstateerd dat eiser op deze locatie woont op een motorschip. Permanente bewoning is in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Daarom heeft verweerder eiser bij brief van 14 juli 2014 verzocht de bewoning van het schip te staken en het voornemen voor een last onder dwangsom aangezegd. Eiser heeft bij brief van 15 juli 2014 op het voornemen gereageerd.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser voor 1 maart 2015 de overtreding ongedaan maakt door de bewoning van het schip, plaatselijk bekend als [adres ] te [woonplaats] , te beëindigen en beëindigd te houden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser handelt in strijd met artikel 31 van het bestemmingplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’. Ten onrechte is aan het primaire besluit strijd met het bestemmingsplan ‘Woonarken’ ten grondslag gelegd. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij de totstandkoming van het besluit op bezwaar abusievelijk is verzuimd om erop te wijzen, dat op grond van artikel 1 van het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Uiterweg-Plasoevers’ artikel 31.1 onder f van de regels van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ is geschrapt. Dit betekent dat in het geheel geen ligplaats meer kan worden ingenomen. De aan de strijdigheid met artikel 31 van de planvoorschriften gekoppelde toelichting in het bestreden besluit inzake het maximale aantal woonschepen van 204 en het grenzen aan “Agrarische doeleinden” is daarom overbodig. Ter zitting heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat het perceel [adres ] in [adres ] van het beperkingengebied Schiphol ligt, waarvoor geldt dat een toename van het aantal woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen niet is toegestaan. Eiser heeft daardoor tevens artikel 34 van de planvoorschriften overtreden, zoals ook in het primaire besluit is tegengeworpen.

3.1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij deze rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende opschorting van de begunstigingstermijn hangende beroep. Gebleken is dat eiser vanaf 5 februari 2015 op het adres [adres ] te [woonplaats] woont. Daarom heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening afgewezen.

3.2.

Eiser bestrijdt in beroep dat sprake is van een overtreding. Het bestreden besluit is strijdig met het verbod op willekeur, omdat niet duidelijk is hoe verweerder heeft geconstateerd dat eiser niet tot de 204 toegelaten schepen behoort. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voert aan dat ten aanzien van een aantal met name genoemde percelen niet handhavend wordt opgetreden. Eiser stelt voorts dat hij sinds 1995, ruim voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’, over zijn woonschip beschikt en al die tijd woonachtig is geweest in de gemeente [woonplaats] , zodat het aantal woonschepen niet is toegenomen. Voorts heeft verweerder de grondslag van de besluit tot handhaving gewijzigd zonder voldoende onderzoek of voldoende belangenafweging. Ten slotte doet eiser een beroep op zijn hoge leeftijd, thans 79 jaar, waardoor het onjuist is hem nog met deze handhaving te confronteren.

4. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij niet meer op het schip woont, maar dat hij daar graag wil terugkeren en dat hij veel in het schip heeft geïnvesteerd. De rechtbank acht dit voldoende om procesbelang aan te nemen.

5.1.

Op grond van artikel 31.1, aanhef en onder f, van de voorschriften behorend bij het bestemmingplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ – voor zover van belang – zijn de op de plankaart voor “Water” aangewezen gronden bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen voor permanente bewoning, met dien verstande dat:
- het totaal aantal woonschepen voor permanente bewoning niet meer mag bedragen dan 204;
- het aantal ligplaatsen binnen de bestemming “Zonering luchthaven Schiphol” niet mag toenemen;
- de bestemming “Water” dient te grenzen aan de bestemming “Agrarische doeleinden”, met dien verstande dat binnen de op de plankaart aangegeven mede bestemming “Zone voor natuurontwikkeling”, geen ligplaatsen voor woonschepen zijn toegestaan.

5.2.

Op grond van artikel 34.2, aanhef en onder b, van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ zijn in de op de plankaart als [adres ] van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) aangegeven zone uitsluitend de navolgende gevoelige objecten toegestaan: overige gevoelige objecten welke ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan rechtmatig aanwezig zijn.

5.3.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder 10, van het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Uiterweg-Plasoevers’ wordt in de regels van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ de volgende regel geschrapt: artikel 31.1 onder f.

6. Eiser stelt dat verweerder zonder nader onderzoek of voldoende belangenafweging de grondslag van de last onder dwangsom heeft gewijzigd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de motivering ten aanzien van het toepasselijke bestemmingsplan heeft aangepast en dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft toegelicht dat op grond van een herziening van het bestemmingsplan in het geheel geen woonschepen meer zijn toegestaan. Het bestreden besluit lijdt daarom aan een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat dat de kern van de grondslag van de last, namelijk strijdigheid met de bestemming “Water”, ongewijzigd is. Er is dan ook geen sprake van een ontoelaatbare wijziging van de grondslag ten opzichte van het primaire besluit. De rechtbank acht daarbij van belang dat het aan de oorspronkelijke aanschrijving ten grondslag gelegde feitencomplex en de inhoud van de opgelegde last in het bestreden besluit en door de toelichting in het verweerschrift en ter zitting in het geheel niet zijn gewijzigd. Voorts valt niet in te zien waarom verweerder meer onderzoek had moeten doen of een andere belangenafweging had moeten maken. De grond slaagt niet.

7.1.

Niet in geschil is dat op grond van het bestemmingplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ ter plaatse van het schip van eiser de bestemming “Water” van toepassing is. Op 19 december 2013 is de partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld. Dit betekent dat ten tijde van belang, het primaire besluit van 18 augustus 2014, het herziene bestemmingsplan gold, waarbij in de bestemming “Water” in het geheel geen ligplaatsen voor woonschepen voor permanente bewoning meer zijn toegestaan.

7.2.

Eiser beroept zich op de overgangsbepaling. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.7 van het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Uiterweg-Plasoevers’ het overgangsrecht niet van toepassing is op gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Voor zover eiser stelt dat hij ten tijde van zijn verhuizing, zoals ter zitting gesteld op 15 juli 2013, of op 30 april 2013, de datum vanaf wanneer eiser zich op de huidige locatie heeft geregistreerd in de BRP, de ligplaats rechtmatig had op grond van artikel 31.1, aanhef en onder f, van de planregels behorend bij het bestemmingplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ kan rechtbank deze stelling niet volgen. Zoals verweerder heeft toegelicht in zijn brief van 27 oktober 2015 wordt sinds 1983 een restrictief beleid voor woonschepen voor permanente bewoning gevoerd. Daarom was in het bestemmingsplan een aantal uitgegeven ligplaatsvergunningen opgenomen als maximum voor het aantal ligplaatsen binnen het betreffende gebied. Dit restrictieve beleid is uitgewerkt door aan het innemen van een ligplaats een vergunningplicht te verbinden, sinds 19 december 2013 in de Woonarkenverordening 2013 en daarvoor in de APV. Een vergunning kan slechts worden verleend als deze in de plaats wordt gesteld van een bestaande ligplaatsvergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in zijn uitspraken van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP1326) en van 13 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ1035) geoordeeld dat het restrictieve beleid ten aanzien van respectievelijk woonschepen voor permanente bewoning en niet-permanente bewoning niet onjuist of onredelijk is. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het aantal van 204 woonschepen betrekking heeft op woonschepen met een ligplaatsvergunning. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2393) bevestiging voor dit oordeel. De rechtbank stelt vast dat eiser nimmer een ligplaatsvergunning heeft gehad. De ligplaats van eiser kan daarom niet onder het overgangsrecht worden gebracht.

7.3.

Daarnaast is het innemen van de ligplaats in strijd met het bepaalde in artikel 31.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’, omdat de ligplaats zich bevindt in de bestemming “Zonering luchthaven Schiphol”, waarin het aantal ligplaatsen niet mag toenemen. De rechtbank heeft dit aan de hand van de toelichting van verweerder van 27 oktober 2015 vastgesteld op de digitale plankaart. Zoals verweerder heeft toegelicht, blijkt uit het LIB, waarmee de bestemmingsplannen in overeenstemming dienen te zijn, dat het daarbij gaat om rechtmatig gebruik overeenkomstig de bestemming. Naar het oordeel van de rechtbank is het aantal ligplaatsen in de “Zonering luchthaven Schiphol” eveneens bepaald door het aantal ligplaatsen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend, zodat de ligplaats van eiser ook om deze reden niet onder het overgangsrecht kan worden gebracht.

8.

8.1.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat sprake is van een overtreding, zodat verweerder in beginsel bevoegd is tot handhaving. Hetgeen door eiser in dit kader overigens is aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Dit betekent ook dat in het midden kan blijven of verweerder als subsidiaire grondslag de last onder dwangsom mocht baseren op strijdigheid met hetgeen in artikel 34.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften bepaald is over [adres ] van het LIB.

8.2.

Eiser heeft ter zitting laten weten dat de beroepsgrond met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel niet langer wordt gehandhaafd.

8.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1059) zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Hiervan is, gelet op het beleid van verweerder, geen sprake. De rechtbank ziet voorts in de leeftijd van eiser geen omstandigheid waarom handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat een bestuursorgaan van optreden in die concrete situatie behoort af te zien. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik gemaakt.

9. De aangevoerde gronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.