Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4723

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
13/845016-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk (ten aanzien van art. 225 lid 1 Sr vanwege de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69 lid 4 Awr); bewezenverklaring belastingfraude (art. 69 lid 2 Awr)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845016-15 (promis)

Datum uitspraak: 27 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. de Leeuw en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F. Yildiz, advocaat te ‘s-Gravenhage , naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 februari 2012 tot en met 1 mei 2013 te Den Haag en/of Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belasting voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten veertien (14), althans een of meer, (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012

ten name van [persoon 1] een aangifte IB 2010 (D-016-2) en/of een aangifte IB 2011 (D-016-3) en/of

ten name van [persoon 2] een aangifte IB 2011 (D-023-1) en/of een aangifte IB 2012 (D-023-2) en/of

ten name van [persoon 3] een aangifte IB 2010 (D-024-1) en/of een aangifte IB 2011 (D-024-2) en/of

ten name van [persoon 4] een aangifte IB 2012 (D-005-3) en/of

ten name van [persoon 5] een aangifte IB 2010 (D-009-3) en/of een aangifte IB 2011 (D-009-1) en/of een aangifte IB 2012 (D-009-4) en/of

ten name van [persoon 6] een aangifte IB 2012 (D-010) en/of

ten name van [persoon 7] een aangifte IB 2010 (D-026-1) en/of een aangifte IB 2011 (D-026-2) en/of een aangifte IB 2012 (D-026-3)

opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op het/de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (elektronisch) ingeleverde en/of ingediende aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting over de jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 (telkens) te hoge en/of gefingeerde aftrekposten (zogenaamd PGA's) opgegeven, te weten:

aftrekposten voor "uitgaven voor specifieke zorgkosten" en/of

aftrekposten voor "giften" en/of

aftrekposten voor "kosten levensonderhoud kinderen < 30 jaar",

terwijl dat/die feit(en)ertoe strekte(n)/ertoe heeft/hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven,

en/of

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 februari 2012 tot en met 1 mei 2013 te Den Haag en/of Zoetermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, veertien (14), althans een of meer, (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 (ten name van [persoon 1] een aangifte IB 2010 (D-016-2) en/of een aangifte IB 2011 (D-016-3) en/of ten name van [persoon 2] een aangifte IB 2011 (D-023-1) en/of een aangifte IB 2012 (D-023-2) en/of ten name van [persoon 3] een aangifte IB 2010 (D-024-1) en/of een aangifte IB 2011 (D-024-2) en/of ten name van [persoon 4] een aangifte IB 2012 (D-005-3) en/of ten name van [persoon 5] een aangifte IB 2010 (D-009-3) en/of een aangifte IB 2011 (D-009-1) en/of een aangifte IB 2012 (D-009-4) en/of ten name van [persoon 6] een aangifte IB 2012 (D-010) en/of ten name van [persoon 7] een aangifte IB 2010 (D-026-1) en/of een aangifte IB 2011 (D-026-2) en/of een aangifte IB 2012 (D-026-3)), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die (digitale) aangifte(n) inkomstenbelasting (telkens) gefingeerde en/of te hoge aftrekposten opgegeven, waaronder aftrekposten voor "uitgaven voor specifieke zorgkosten" en/of "giften" en/of "kosten levensonderhoud kinderen < 30 jaar", zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door onjuiste aangiften inkomstenbelasting valselijk op te maken (het twee alternatief cumulatief ten laste gelegde) en/of belastingfraude door die onjuiste aangiften bij de Belastingdienst in te dienen, wat erin resulteerde dat te weinig belasting werd geheven (het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde).

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de vervolging van verdachte op grond van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op gespannen voet staat met de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het gebruik maken van valse geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid, Sr. Zij overweegt hiertoe als volgt.

In artikel 69, vierde lid, Awr is, kort gezegd, bepaald dat de eerste twee leden van artikel 69 Awr specialiteit bezitten ten opzichte van artikel 225, tweede lid, Sr. Strafvervolging op grond van voornoemd artikel is uitgesloten. Het eenduidig invullen van de vervolgingsuitsluitingsgrond blijkt in de rechtspraktijk niet eenvoudig te zijn. De oorsprong van de onduidelijkheid over de reikwijdte van de uitsluitingsgrond is te vinden in de beperking tot gedragingen die onder de strafbepaling van artikel 225, tweede lid, Sr vallen. Deze beperking roept verschillende vragen op, waaronder de in deze zaak van toepassing zijnde vraag of gedragingen die via artikel 225, eerste lid, Sr ten laste zijn gelegd ook onder het toepassingsbereik van de vervolgingsuitsluitingsgrond kunnen vallen.

Voorop staat dat de uitsluitingsgrond vervolging op basis van artikel 225, eerste lid, Sr in beginsel niet in de weg staat. Omdat de scheidslijn tussen de twee artikelleden echter zeer dun is, kan dit in specifieke gevallen tot onbevredigende resultaten leiden. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook gevallen denkbaar waarin een vervolging op grond van artikel 225, eerste lid, Sr in strijd is met de vervolgingsuitsluitingsgrond. Bij de beantwoording van de vraag of de vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is op een ten laste gelegd feit dat op het opmaken van valse geschriften is geënt, moet blijkens jurisprudentie worden gekeken naar het feit zoals dat in werkelijkheid is gepleegd. (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739) Op het moment dat het feit ook onder het toepassingsbereik van de strafbaarstelling in de Awr past, zou vervolging op basis van het commune delict via de vervolgingsuitsluitingsgrond moeten zijn uitgesloten, tenzij het gaat om het opmaken van geschriften die naast een fiscale functie ook een andere functie hebben en dus ook tegen anderen dan de Belastingdienst kunnen worden gebruikt.

In de onderhavige zaak wordt verdachte verweten dat hij elektronische aangifteformulieren inkomstenbelasting heeft opgemaakt en vervolgens heeft ingediend en laten indienen. Deze elektronische aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het valselijk opmaken van deze aangiften ging noodzakelijkerwijs vooraf aan het gebruik maken daarvan door deze onjuiste aangiften, nota bene met één druk op de knop, bij de Belastingdienst in te dienen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gaat om ten laste gelegde gedragingen die volledig met elkaar samenvallen, zodat er grond bestaat om ten opzichte van het als tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde artikel 225, eerste lid, Sr specialiteit van de Awr aan te nemen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van de tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde valsheid in geschrift niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Wel is zij ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde belastingfraude.

3.3.

Schorsing van de vervolging

Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleidend 1

In september 2013 kwam bij de Belastingdienst informatie binnen dat met het IP adres van verdachte mogelijk honderden frauduleuze aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 waren ingediend. Deze aangiften bevatten veelal persoonsgebonden aftrekposten (hierna: PGA), namelijk giften, uitgaven voor specifieke zorgkosten en kosten voor levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar, die onjuist waren opgegeven. Hierop zijn dertien belastingplichtigen met hoge PGA geselecteerd voor een huisbezoek door medewerkers van de Belastingdienst.2 Dit heeft geresulteerd in het horen van zes belastingplichtigen, die hebben verklaard dat:

  • -

    zij hun aangiften inkomstenbelasting in de jaren 2009, 2010, 2011 en/of 2012 door verdachte hebben laten invullen en indienen;

  • -

    het invullen en indienen van de aangiften in hun aanwezigheid op het woonadres van verdachte in [plaats] plaatsvond op één van de twee computers van verdachte;

  • -

    zij volgens verdachte PGA hadden gehad;

  • -

    verdachte voor het invullen van een aangifte inkomstenbelasting betaling vroeg van een contant geldbedrag, variërend van € 30,- tot € 50,-.3

Bij nader onderzoek naar de vermeende frauduleuze aangiften inkomstenbelasting kwam naar voren dat in een groot aantal gevallen giften aan de Stichting Mensenhulp in Somalië als PGA waren opgegeven. Het opgeven van deze giften als PGA is echter niet toegestaan, omdat de stichting bij de Belastingdienst niet staat geregistreerd als Algemeen nut beogende instelling. Verdachte is bestuurder van de Stichting Mensenhulp in Somalië en in dat kader alleen en zelfstandig bevoegd. Hij moest dan ook weten dat giften aan zijn stichting niet voor aftrek in aanmerking komen.4

Deze omstandigheden hebben geleid tot de verdenking dat verdachte zich, al dan niet als medepleger of doen pleger, heeft schuldig gemaakt aan belastingfraude door onjuiste aangiften inkomstenbelasting van een groot aantal belastingplichtigen, maar in ieder geval van de in de tenlastelegging vermelde personen, bij de Belastingdienst in te dienen. De vraag die thans voorligt, is of de in het dossier en op de terechtzitting aangedragen feiten en omstandigheden voldoende redengevend zijn voor het bewijs van de ten laste gelegde betrokkenheid van verdachte bij dit misdrijf.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe het volgende betoogd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de in de tenlastelegging vermelde belastingplichtigen, die naar het kantoor van verdachte kwamen om te worden geholpen met het doen van hun aangiften inkomstenbelasting nu zij in de Somalische gemeenschap hadden begrepen dat verdachte ervoor kon zorgen dat zij belastinggeld kregen uitgekeerd. In hun bijzijn maakte verdachte de elektronische aangifteformulieren op en vulde hij PGA in, die de belastingplichtigen in werkelijkheid niet hadden gehad. Zij hebben de aangiften vervolgens niet gecontroleerd voordat deze door hen werden ingediend. Evenals verdachte hadden de belastingplichtigen dan ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het indienen van onjuiste aangiften. Daarbij is het - gezien het feit dat artikel 69 Awr een kwaliteitsdelict betreft en alleen degene die belastingplichtig is, de belastingfraude kan begaan - van belang dat bij een veroordeling van het medeplegen van het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte uit vaste jurisprudentie blijkt dat niet relevant is of de wettelijke plicht tot het doen van belastingaangifte rust op verdachte of zijn mededaders. (vlg. ECLI:NL:HR:2012:BQ8596)

Als de rechtbank oordeelt dat in deze zaak echter sprake is van willoze slachtoffers, die straffeloos zijn, dan kan tot een bewezenverklaring worden gekomen van het doen plegen van belastingfraude.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe betoogd dat uit jurisprudentie volgt dat verdachte alleen tot het doen van aangifte inkomstenbelasting was gehouden, als hij hiertoe was uitgenodigd. (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AL6161 en ECLI:NL:HR:2006:AU8268) In deze zaak was verdachte niet uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting, zodat geen sprake is geweest van een bij wet voorziene belastingaangifte en vrijspraak van dit feit moet volgen.

Vrijspraak van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde moet ook volgen, omdat niet kan worden bewezen dat tussen verdachte en de in de tenlastelegging vermelde belastingplichtigen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Op grond van artikel 69 Awr kan alleen degene die belastingplichtig is, dit feit begaan. Omdat verdachte geen belastingplichtige was met betrekking tot de in de tenlastelegging vermelde aangiften, kan hij niet als pleger van de belastingfraude worden aangemerkt.

Als de rechtbank aan deze verweren voorbij gaat, moet vrijspraak van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit volgen, omdat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de aangiften inkomstenbelasting heeft opgemaakt en ingediend en daarbij opzet heeft gehad op het onjuist opgeven van PGA.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen en de redengevende feiten en omstandigheden daarin, en overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte binnen de Somalische gemeenschap aanzien en vertrouwen genoot, mede omdat hij werkzaam is als tolk en vertaler, de Nederlandse taal goed spreekt en daardoor goed in staat is personen uit de Somalische gemeenschap, onder wie de in de tenlastelegging vermelde belastingplichtigen, met allerhande zaken te helpen. Ook stond verdachte bekend als iemand die goed is in belastingen.5 Deze indruk heeft verdachte versterkt door visitekaartjes uit te delen en te laten uitdelen, waarop stond vermeld dat hij belastingadviseur is.6 Zijn kantoor was in de omgeving van ’s-Gravenhage het enige kantoor dat voor personen uit de Somalische gemeenschap aangiften inkomstenbelasting invulde en indiende. Op deze wijze zijn de belastingplichtigen met verdachte in contact gekomen.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat als belastingplichtigen naar zijn kantoor kwamen om aangiften inkomstenbelasting in te dienen, hij hen verwees naar vrijwilligers, die in zijn kantoor werkzaam waren, of in een enkel geval zelf de aangiften opmaakte en indiende. Dit deed verdachte in aanwezigheid van de belastingplichtigen. Hij liet hen de door hem opgemaakte aangiften ondertekenen en diende deze vervolgens samen met hen in.8

Uit de verklaringen van [persoon 1] en haar echtgenoot [persoon 8] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 9] en [persoon 7] volgt dat zij naar het kantoor van verdachte zijn gegaan en dat zij aan verdachte hun jaaropgaven hebben overhandigd om tegen betaling hun aangiften inkomstenbelasting9 te laten opmaken en indienen. Hiervoor hebben zij aan verdachte een contant geldbedrag betaald, variërend van € 20,- tot € 100,- per aangifte. Anders dan in hun aangiften is vermeld, hadden de belastingplichtigen geen uitgaven die als PGA konden worden opgegeven. Volgens hen is het verdachte geweest die deze PGA in de aangiften heeft vermeld. Zij waren hiervan niet op de hoogte en hebben verdachte hiertoe geen opdracht gegeven.10

Uit de verklaring van [persoon 6] volgt dat hij zijn aangifte inkomstenbelasting11 op zijn laptop zelf heeft ingevuld. Vervolgens heeft hij verdachte gevraagd de conceptaangifte te controleren. Verdachte heeft daarbij een PGA opgegeven, die [persoon 6] in werkelijkheid niet had gehad. Verdachte heeft dat geldbedrag volgens [persoon 6] verzonnen, maar zei hem dat het opgeven van de PGA geen probleem was, omdat verdachte stukken kon verstrekken die als bewijsstuk bij de Belastingdienst konden worden ingediend. Daarna heeft verdachte de aangifte opgeslagen en afgesloten. Hoewel [persoon 6] wist dat zijn aangifte inkomstenbelasting onjuistheden bevatte, heeft hij in het kantoor van verdachte de aangifte toch ingediend.12

In het licht van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte op naam van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 9] en [persoon 7] elektronische aangifteformulieren inkomstenbelasting onjuist heeft opgemaakt door daarin te hoge en gefingeerde geldbedragen aan PGA op te geven en deze onjuiste aangiften vervolgens bij de Belastingdienst heeft ingediend. Het resultaat hiervan is dat de aangiften sloten op te hoge terug te vragen geldbedragen en ten onrechte belastinggeld is uitgekeerd. Dit alles strekte ertoe dat te weinig belasting werd geheven.

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken is niet komen vast te staan dat voormelde belastingplichtigen wetenschap hadden van het oogmerk van verdachte om te frauderen door onjuiste PGA op te geven en opzet hadden om aan de ten laste gelegde belastingfraude deel te nemen. Zij kunnen daarom niet als medeplegers worden aangemerkt. Omdat verdachte hen de aangiften inkomstenbelasting heeft laten indienen, wetende dat deze onjuistheden bevatten, heeft verdachte het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde met betrekking tot deze aangiften inkomstenbelasting als doen pleger begaan. De betreffende belastingplichtigen zijn hiervoor niet strafrechtelijk aansprakelijk.

Dit ligt anders met betrekking tot [persoon 6] . Gelet op de verklaring van [persoon 6] acht de rechtbank bewezen dat hij wetenschap had van het oogmerk van verdachte om onjuiste PGA op te geven in zijn aangifte inkomstenbelasting en dat hij opzet had om hieraan deel te nemen, zodat kan worden bewezen dat verdachte en hij als medeplegers de aangifte onjuist hebben opgemaakt en deze onjuiste aangifte vervolgens hebben ingediend.

Het primaire verweer van de raadsman dat geen sprake is geweest van een bij de wet voorziene aangifte, wordt verworpen. De opvatting van de raadsman dat onder een belastingaangifte slechts wordt verstaan een op uitnodiging van de inspecteur gedane schriftelijke opgave door een belastingplichtige is namelijk onjuist. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft ook een onverplicht gedane aangifte, zoals een aangifte die is gedaan door middel van een zogenoemd T-biljet of een daarmee vergelijkbare, langs elektronische weg gedane aangifte, te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte in de zin van artikel 69 Awr. (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP3746) Een ieder die een belastingaangifte invult om belastinggeld terug te vragen, gedraagt zich daarmee als belastingplichtige en doet aangifte in de zin van de wet.

Het verweer van de raadsman dat verdachte niet als pleger van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit kan worden aangemerkt, wordt in het licht van bovenstaand oordeel van over het doen plegen respectievelijk medeplegen van de fraude eveneens verworpen.

Dit alles leidt ertoe dat het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit is bewezen.

Verdachte wordt vrijgesproken met betrekking tot de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften op naam van [persoon 5] , omdat niet is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die haar aangiften inkomstenbelasting heeft opgemaakt en ingediend. Weliswaar zijn haar aangiften opgemaakt en ingediend in het kantoor en vanaf het IP adres van verdachte, maar dat alleen is voor een bewezenverklaring onvoldoende, omdat gebleken is dat ook anderen in dat kantoor hiertoe werkzaamheden verrichtten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit

in de periode van 15 februari 2012 tot en met 1 mei 2013 te Den Haag

tezamen en in vereniging met [persoon 6] opzettelijk een bij de Belasting voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van laatstgenoemde voor het jaar 2012 (D-010)

en voorts telkens alleen opzettelijk een bij de Belasting voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de inkomstenbelasting ten name van [persoon 1] een aangifte IB 2010 (D-016-2) en een aangifte IB 2011 (D-016-3) en ten name van [persoon 2] een aangifte IB 2011 (D-023-1) en ten name van [persoon 3] een aangifte IB 2010 (D-024-1) en een aangifte IB 2011 (D-024-2) en ten name van [persoon 9] een aangifte IB 2012 (D-005-3) en ten name van [persoon 7] een aangifte IB 2010 (D-026-1) en een aangifte IB 2011 (D-026-2) en een aangifte IB 2012 (D-026-3)

onjuist heeft gedaan en laten doen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader [persoon 6] respectievelijk heeft hij, verdachte, op de bij de Belastingdienst elektronisch ingediende aangiftebiljetten inkomstenbelasting te hoge en gefingeerde aftrekposten (zogenaamd PGA's) opgegeven respectievelijk laten opgeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In de tenlastelegging staat onder het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit dat op naam van [persoon 4] valselijk een onjuiste aangifte inkomstenbelasting is ingediend. Uit het dossier blijkt echter dat het gaat om de aangifte van [persoon 9] . De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en heeft de bewezenverklaring op dit punt dan ook aangepast. In de tenlastelegging staat onder het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit voorts dat verdachte onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan en PGA heeft opgegeven. De officier van justitie heeft ter terechtzitting voorgesteld om de tenlastelegging op dit punt te wijzigen en toe te voegen dat verdachte de onjuiste aangiften heeft laten doen en PGA heeft laten opgeven. Omdat de raadsman en de rechtbank dit al in de originele tenlastelegging hadden ingelezen, heeft de officier van justitie geen vordering wijziging tenlastelegging ingediend. De rechtbank heeft de bewezenverklaring op dit punt dan ook aangepast. Verdachte is door deze aanpassingen niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gezien de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en het benadelingsbedrag van ruim € 139.000,-, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht, en een geldboete ter hoogte van € 10.000,-. Ook heeft zij gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod zal worden opgelegd, namelijk dat verdachte voor de duur van één jaar zal worden ontzet van zijn recht zijn beroep als tolk en vertaler uit te oefenen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging als maatstaf het benadelingsbedrag te nemen dat ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde belastingplichtigen is uitgekeerd, in plaats van het door de officier van justitie gehanteerde totale benadelingsbedrag in het onderzoek van de Belastingdienst. Ook heeft de raadsman verzocht acht te slaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheden dat verdachte een first-offender is, hij zonder winstoogmerk heeft gehandeld en het aanzien en vertrouwen dat hij in de Somalische gemeenschap genoot, door het onderzoek van de FIOD is aangetast. Voorts moet het tijdsverloop in het voordeel van verdachte meewegen. Verdachte is weliswaar in maart 2015 aangehouden, zodat overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde is, maar de feiten zijn wel al begaan in de jaren 2012 en 2013. Gelet hierop moet worden volstaan met oplegging van een taakstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Met betrekking tot de eis van de officier van justitie om een geldboete en beroepsverbod op te leggen, heeft de raadsman verzocht hiervan af te zien, omdat door de Belastingdienst beslag is gelegd op al het vermogen van verdachte. Dit betekent allereerst dat verdachte niet over de financiële middelen beschikt om een geldboete te betalen en voorts dat verdachte slechts door het uitoefenen van zijn beroep in staat is inkomen te verdienen om zichzelf en zijn gezin, dat bestaat uit zeven kinderen, te onderhouden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude, door op structurele wijze onjuiste aangiften inkomstenbelasting bij de Belastingdienst in te dienen, waarbij hij telkens gefingeerde PGA heeft opgegeven. Op deze manier is ten onrechte belastinggeld teruggevraagd en vervolgens door de Belastingdienst uitgekeerd.

Met het begaan van belastingfraude zijn grote financiële belangen gemoeid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type strafbare feiten lastig op te sporen is en leidt tot fiscaal nadeel. Door het indienen van onjuiste aangiften is de Belastingdienst niet in staat belastingverplichtingen vast te stellen en aanslagen op te leggen. Het benadelingsbedrag dat met het grootschalig indienen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting met het IP adres van verdachte is uitgekeerd, betreft in ieder geval ongeveer € 140.000,-, maar ligt mogelijk nog hoger. De rechtbank neemt dit geldbedrag bij de straftoemeting als maatstaf.

Vast staat dat door aldus te handelen verdachte de verantwoordelijkheden die de wet aan het doen van belastingaangifte stelt, niet serieus heeft genomen. Verdachte stond binnen de Somalische gemeenschap bekend als een man die goed is in belastingen en verzorgde samen met anderen vanuit zijn kantoor de belastingaangiften van honderden belastingplichtigen. Hij heeft de integriteit van het financiële en economische verkeer en het vertrouwen dat in hem, juist vanuit zijn positie, mocht en moest worden gesteld, in de kern geschonden. Ook heeft hij het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aangiften en onderliggende administratie moet kunnen worden vertrouwd, ondergraven. Hierdoor is de overheid, en daarmee de gehele samenleving, fors benadeeld en de algemene belastingmoraal ernstig ondermijnd. Dat is zeer ernstig.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude, die hoge gevangenisstraffen noemen. Gezien de periode waarbinnen de strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, de hoogte van het benadelingsbedrag en het feit dat het beëindigen van de gedragingen enkel aan het handelen van de Belastingdienst is te danken, en niet aan verdachte, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd gerechtvaardigd. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan af te wijken.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Uit een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 13 juni 2016 is gebleken dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Dit heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte bij de straftoemeting betrokken.

In strafmatigende zin heeft de rechtbank daarnaast meegewogen dat het totale benadelingsbedrag weliswaar tot op heden wordt geschat op ongeveer € 140.000,-, maar dat aan de in de bewezenverklaring vermelde belastingplichtigen ‘slechts’ een geldbedrag van ongeveer € 19.000,- is uitgekeerd. Voorts heeft de rechtbank de mate meegewogen waarin verdachte voordeel heeft genoten. Naar aanleiding van de onjuiste aangiften inkomstenbelasting is ten onrechte belastinggeld uitgekeerd aan de belastingplichten voor wie de aangiften heeft opgemaakt en ingediend, en niet aan verdachte. Uit het dossier zijn geen aanknopingspunten gebleken dat verdachte erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, behalve dat hij voor zijn diensten een contante betaling ontving van een geldbedrag tot € 100,- per aangifte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend zou zijn. De rechtbank komt daarom tot oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf van na te noemen duur. Deze straffen moeten de ernst van het door de rechtbank bewezen verklaarde feit tot uitdrukking te brengen.

De rechtbank zal in afwijking van de eis van de officier van justitie aan verdachte geen geldboete opleggen. Dit omdat niet is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld uit geldelijk gewin en het uitgekeerde belastinggeld door de belastingplichtigen met hem is gedeeld.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan verdachte een beroepsverbod op te leggen. Op grond van artikel 28, eerste lid, Sr kan een verdachte bij rechterlijke uitspraak voor bepaalde duur worden ontzet van zijn recht een beroep uit te oefenen. Als regel heeft te gelden dat ontzetting is beperkt tot het beroep waarin het bewezen verklaarde feit is begaan. Voorts is niet zelden voor oplegging vereist dat verdachte is gerecidiveerd. Deze voorwaarden laten zich verklaren uit het zeer ingrijpende karakter van de bijkomende sanctie. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in deze zaak geen omstandigheden gebleken die oplegging van de door de officier van justitie bepleite ontzetting rechtvaardigen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart de officier van justitie ten aanzien van het tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart bewezen dat verdachte het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het eerste alternatief cumulatief bewezen verklaarde feit

- medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

- doen plegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden en beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis van 90 (negentig) dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en E.J. Weller, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2016.

De jongste rechter, mr. E.J. Weller, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste documentnummering.

2 AMB-001, p. 4 (aanvangsproces-verbaal van 29 januari 2015).

3 G-001 tot en met G-006 (processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [persoon 1] en [getuige 5] van oktober en november 2013).

4 AMB-001, p. 5 (aanvangsproces-verbaal van 29 januari 2015).

5 OPV, p. 8 (overzichtsproces-verbaal van 2 juni 2015) en de verklaring die verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 13 juli 2016 heeft afgelegd.

6 D-017 (geschrift, zijnde een visitekaartje [verdachte] ), G-004 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 28 oktober 2013), G-007 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 2] van 19 maart 2015), de verklaring die [persoon 2] op 22 januari 2016 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd en G-016 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] van 23 april 2015).

7 De verklaring die verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 13 juli 2016 heeft afgelegd.

8 De verklaring die verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 13 juli 2016 heeft afgelegd.

9 D-016-2 en 3 (geschriften, zijnde uitdraaien van het Aanslag Belastingen Systeem van 5 februari 2015 ten aanzien van [persoon 1] over de jaren 2010 en 2011), D-023-1 en 2 (geschriften, zijnde uitdraaien van het Aanslag Belastingen Systeem van 5 maart 2015 ten aanzien van [persoon 2] over het jaar 2011), D-024-1 en 2 (geschriften, zijnde uitdraaien van het Aanslag Belastingen Systeem van 16 maart 2015 ten aanzien van [persoon 3] over de jaren 2010 en 2011), D-005-3 (geschrift, zijnde een uitdraai van het Aanslag Belastingen Systeem van 5 februari 2015 ten aanzien van [persoon 9] over het jaar 2012) en D-026-1, 2 en 3 (geschriften, zijnde uitdraaien van het Aanslag Belastingen Systeem van 31 maart 2015 ten aanzien van [persoon 7] over de jaren 2010, 2011 en 2012).

10 G-005 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 1] van 5 november 2013), de verklaring die [persoon 1] op 22 januari 2016 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, de verklaring die [persoon 8] op 22 januari 2016 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, G-007 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 2] van 19 maart 2015), de verklaring die [persoon 2] op 22 januari 2016 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, G-008 (proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 3] van 9 april 2015), G-010 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 9] van 26 februari 2015) en G-015 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 7] van 13 april 2015).

11 D-010 (geschrift, zijnde een uitdraai van het Aanslag Belastingen Systeem van 2 februari 2015 ten aanzien van [persoon 6] over het jaar 2012).

12 G-013 (proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 6] van 4 maart 2015) en de verklaring die [persoon 6] op 15 februari 2016 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.