Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4722

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
13/845092-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Verdachte wordt verweten dat hij aangiften omzetbelasting heeft opgemaakt en laten opmaken (art. 225 lid 1 Sr (als tweede alt. cum. ten laste gelegd)) en vervolgens heeft ingediend en laten indienen (art. 69 lid 2 Awr (als eerste alt. cum. ten laste gelegd)). De aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het valselijk opmaken van de aangiften ging noodzakelijkerwijs vooraf aan het gebruik maken daarvan door deze onjuiste aangiften bij de Belastingdienst in te dienen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gaat om ten laste gelegde gedragingen die volledig met elkaar samenvallen, zodat er grond bestaat om ten opzichte van het als tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde specialiteit van de Awr aan te nemen en de officier van justitie met betrekking tot dit feit niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte. Wel is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit.

Veroordeling belastingfraude. Verdachte heeft gedurende enkele jaren op structurele wijze onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst ingediend. Daarbij heeft verdachte telkens de voorbelasting met relatief geringe geldbedragen verhoogd, kennelijk met het doel om hiermee uit het vizier van de Belastingdienst te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845092-15

Datum uitspraak: 27 juli 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1942 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Goedegebuure, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 april 2011 tot en met 31 oktober 2014 te Veenendaal en/of Ede en/of Apeldoorn en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (elektronische) aangifte(n) voor omzetbelasting over het eerste kwartaal 2011 en/of het tweede kwartaal 2011 en/of over de maanden juli 2011 tot en met september 2014 (D-026 8/48 t/m D-26 48/48) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of laten doen, immers heeft verdachte opzettelijk op het/die bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Amersfoort en/of Apeldoorn (elektronisch) ingeleverde/ingestuurde/ingediende aangiftebiljet(en) omzetbelasting over genoemde kwarta(a)l(en) en/of maand(en) (telkens) een te hoog en/of fictief bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgenomen/opgegeven/vermeld, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

en/of

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 april 2011 tot en met 31 oktober 2014 te Veenendaal en/of Ede en/of Apeldoorn en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, (een) (elektronische) aangifte(n) omzetbelasting over het eerste kwartaal 2011 en/of het tweede kwartaal 2011 en/of de maanden juli 2011 tot en met september 2014 (D-026 8/48 t/m D-026 48/48), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of heeft vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die (elektronische) aangifte(n) telkens een te hoog en/of fictief bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgenomen/opgegeven/vermeld, zulk telkens met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door onjuiste aangiften omzetbelasting valselijk op te maken (het tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde) en/of belastingfraude door die onjuiste aangiften bij de Belastingdienst in te dienen, wat erin resulteerde dat te weinig belasting werd geheven (het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde).

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het gebruik maken van valse geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vanwege een ruime interpretatie van het toepassingsbereik daarvan ook moet gelden met betrekking tot het ten laste gelegde artikel 225, eerste lid, Sr, het opmaken van valse geschriften. Het opzettelijk bij de Belastingdienst indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting impliceert namelijk het valselijk opmaken daarvan en voorts het gebruik maken daarvan, wat valt onder de reikwijdte van de uitsluitingsgrond, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de vervolging van verdachte op grond van artikel 225, eerste lid, Sr op gespannen voet staat met de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr en overweegt hiertoe als volgt.

In artikel 69, vierde lid, Awr is, kort gezegd, bepaald dat de eerste twee leden van artikel 69 Awr specialiteit bezitten ten opzichte van artikel 225, tweede lid, Sr. Strafvervolging op grond van voornoemd artikel is uitgesloten. Het eenduidig invullen van de vervolgingsuitsluitingsgrond blijkt in de rechtspraktijk niet eenvoudig te zijn. De oorsprong van de onduidelijkheid over de reikwijdte van de uitsluitingsgrond is te vinden in de beperking tot gedragingen die onder de strafbepaling van artikel 225, tweede lid, Sr vallen. Deze beperking roept verschillende vragen op, waaronder de in deze zaak van toepassing zijnde vraag of gedragingen die via artikel 225, eerste lid, Sr ten laste zijn gelegd ook onder het toepassingsbereik van de vervolgingsuitsluitingsgrond kunnen vallen.

Voorop staat dat de uitsluitingsgrond vervolging op basis van artikel 225, eerste lid, Sr in beginsel niet in de weg staat. Omdat de scheidslijn tussen de twee artikelleden echter zeer dun is, kan dit in specifieke gevallen tot onbevredigende resultaten leiden. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook gevallen denkbaar waarin een vervolging op grond van artikel 225, eerste lid, Sr in strijd is met de vervolgingsuitsluitingsgrond. Bij de beantwoording van de vraag of de vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is op een ten laste gelegd feit dat op het opmaken van valse geschriften is geënt, moet blijkens jurisprudentie worden gekeken naar het feit zoals dat in werkelijkheid is gepleegd. (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739) Op het moment dat het feit ook onder het toepassingsbereik van de strafbaarstelling in de Awr past, zou vervolging op basis van het commune delict via de vervolgingsuitsluitingsgrond moeten zijn uitgesloten, tenzij het gaat om het opmaken van geschriften die naast een fiscale functie ook een andere functie hebben en dus ook tegen anderen dan de Belastingdienst kunnen worden gebruikt.

In de onderhavige zaak wordt verdachte verweten dat hij elektronische aangifteformulieren omzetbelasting heeft opgemaakt en laten opmaken en vervolgens heeft ingediend en laten indienen. Deze elektronische aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het valselijk opmaken van deze aangiften ging noodzakelijkerwijs vooraf aan het gebruik maken daarvan door deze onjuiste aangiften, nota bene met één druk op de knop, bij de Belastingdienst in te dienen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gaat om ten laste gelegde gedragingen die volledig met elkaar samenvallen, zodat er grond bestaat om ten opzichte van het als tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde artikel 225, eerste lid, Sr specialiteit van de Awr aan te nemen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van de tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde valsheid in geschrift niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Wel is zij ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde belastingfraude.

Schorsing van de vervolging

Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken en overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte in de ten laste gelegde periode elektronische aangifteformulieren omzetbelasting op naam van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] onjuist heeft opgemaakt en laten opmaken door daarin te hoge geldbedragen aan voorbelasting op te geven en deze onjuiste aangiften vervolgens bij de Belastingdienst heeft ingediend en laten indienen. Het resultaat hiervan is dat de aangiften sloten op te hoge terug te vragen geldbedragen, welke geldbedragen ook daadwerkelijk aan verdachte zijn uitgekeerd. Dit alles strekte ertoe dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank acht het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit bewezen, namelijk dat verdachte zich opzettelijk aan deze belastingfraude heeft schuldig gemaakt, met het doel dat er te weinig belasting werd geheven, waardoor er ten onrechte belastinggeld werd uitgekeerd. De rechtbank gaat hierbij uit van de bekennende verklaringen die verdachte kort na het constateren van de fraude bij de FIOD heeft afgelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting, kort samengevat, verklaard dat hij verkeerde kosten als voorbelasting heeft opgegeven, maar dat hij dit naderhand bij de Belastingdienst heeft gecorrigeerd als bij het opmaken van de jaarverslagen bleek dat onjuiste voorbelasting was vermeld. Allereerst vindt de rechtbank de uitleg van verdachte over zijn handelen, in het licht van de verklaringen die hij bij de FIOD heeft afgelegd, onbegrijpelijk. Verdachte wekt de indruk – in tegenstelling tot de indruk die hij in zijn verklaringen bij de FIOD wekte – zijn handelwijze te bagatelliseren, nu hij beweert dat hij toch alle omissies achteraf heeft gecorrigeerd en vervolgens netjes betaald. Bovendien is die uitleg zo zeer in strijd met de verklaringen van verdachte bij de FIOD, die steun vinden in de overige bewijsmiddelen in het dossier, dat de rechtbank de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting terzijde schuift en verdachte houdt aan de verklaringen die hij in eerste instantie bij de FIOD heeft afgelegd.

Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit

in de periode van 26 april 2011 tot en met 31 oktober 2014 te Veenendaal opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten elektronische aangiften voor omzetbelasting over het eerste kwartaal 2011 en het tweede kwartaal 2011 en over de maanden juli 2011 tot en met september 2014 (D-026 8/48 t/m D-26 48/48) onjuist heeft gedaan en laten doen, immers heeft verdachte opzettelijk op die bij de Belastingdienst elektronisch ingediende aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde kwartalen en maanden telkens een te hoog en fictief bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude, door gedurende enkele jaren op structurele wijze onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst in te dienen. Daarbij heeft verdachte telkens de voorbelasting met relatief geringe geldbedragen verhoogd. Kennelijk beoogde hij hiermee uit het vizier van de Belastingdienst te blijven. Op deze manier is ten onrechte belastinggeld teruggevraagd en vervolgens door de Belastingdienst uitgekeerd.

Met het begaan van belastingfraude zijn grote financiële belangen gemoeid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type strafbare feiten lastig op te sporen is en leidt tot fiscaal nadeel. Door het indienen van onjuiste aangiften is de Belastingdienst niet in staat belastingverplichtingen vast te stellen en aanslagen op te leggen. Het benadelingsbedrag dat door het handelen van verdachte aan hem is uitgekeerd, betreft ruim € 119.000,-. De rechtbank neemt dit geldbedrag bij de straftoemeting als maatstaf.

Vast staat dat door aldus te handelen verdachte de verantwoordelijkheden die de wet aan een ondernemer stelt, niet serieus heeft genomen en de integriteit van het financiële en economische verkeer en het vertrouwen dat in hem, juist vanuit zijn professie, mocht en moest worden gesteld, in de kern heeft geschonden. Ook heeft hij het door de Belastingdienst gehanteerde – voor bonafide ondernemers zeer belangrijke – systeem van een snelle belastingteruggave, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aangiften en onderliggende administratie moet kunnen worden vertrouwd, ondergraven. Hierdoor is de overheid, en daarmee de gehele samenleving, fors benadeeld en de algemene belastingmoraal ernstig ondermijnd. Verdachte is erop uit geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door de gevolgen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude, die hoge gevangenisstraffen noemen. Gezien de periode waarbinnen de strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, de hoogte van het benadelingsbedrag, de mate waarin verdachte voordeel heeft genoten en het feit dat het beëindigen van de gedragingen enkel aan het handelen van de Belastingdienst is te danken, en niet aan verdachte, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd gerechtvaardigd. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan af te wijken.

Daarvoor is redengevend dat de rechtbank ook acht heeft geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Uit een hem betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 13 juni 2016 is gebleken dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke zaken met politie en justitie in aanraking is gekomen en voorts dat de transacties die in het verleden aan hem zijn uitgereikt, al van lange tijd geleden zijn en voor misdrijven op grond van de Wegenverkeerswet zijn opgelegd. Dit heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte bij de straftoemeting betrokken.

In strafmatigende zin heeft de rechtbank ook de gevorderde leeftijd van verdachte meegewogen. Verdachte is op het moment dat dit vonnis wordt gewezen namelijk 74 jaar oud.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend zou zijn. De rechtbank komt daarom tot oplegging van een forse taakstraf van na te noemen duur. De duur van deze straf brengt de ernst van het door de rechtbank bewezen verklaarde feit tot uitdrukking.

8 Beslag

Gedurende het onderzoek naar de aangiften omzetbelasting van de eenmanszaak [eenmanszaak] zijn verschillende administratieve bescheiden in beslag genomen. Deze bescheiden behoren aan verdachte toe en zullen om die reden aan hem worden geretourneerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart de officier van justitie ten aanzien van het tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart bewezen dat verdachte het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het eerste alternatief cumulatief bewezen verklaarde feit

- het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis van 90 (negentig) dagen zal worden toegepast.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen administratieve bescheiden (zonder itemnummer).

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en E.J. Weller, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2016.

De jongste rechter, mr. E.J. Weller, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.