Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:460

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
AMS 16/92
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning vellen houtopstand. Verzoekster heeft het griffierecht voor de beroepszaak niet voldaan om te voorkomen dat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet op het beroep. Verzoekster is ter zitting op haar proceskeuze gewezen, in die zin dat de mogelijkheid bestaat dat, indien het verzoek wordt afgewezen, de bomen al zijn gekapt op het moment dat de beroepszaak wordt behandeld. Verweerder heeft bij zijn beoordeling van de waarden in de bomenverordening het rapport van de boomdeskundige tot uitgangspunt genomen. Deze boomdeskundige heeft gerapporteerd dat de 101 bomen geen natuur- en milieuwaarden, geen landschappelijke waarden, geen cultuurhistorische waarden, geen waarden van stadsschoon en tot slot evenmin waarden van bijzondere beschermwaardigheid hebben. Daartegenover staan de door verweerder naar voren gebrachte belangen, namelijk het belang bij beëindiging van de overlast die deze bomen veroorzaken, onder meer door wortelopdruk, en bij het realiseren van extra parkeerplaatsen conform het vastgestelde definitief ontwerp voor de herinrichting Gein III, fase 2. Verder is nog gebleken dat enkele bomen een schimmelziekte hebben. Niet gebleken is dat de besluitvorming ondemocratisch is verlopen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/92

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, verzoekster

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuidoost, verweerder

(gemachtigden: mr. D.R. van Ee en [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan zichzelf een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 101 elzen en 1 acacia om en nabij de [straat] , het [straat 1] , en de [straat 2] te Amsterdam.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder het primaire besluit I ingetrokken en dezelfde omgevingsvergunning met een gewijzigde motivering opnieuw aan zichzelf verleend.

Bij besluit van 15 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit II gehandhaafd en het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer: AMS 16/196) en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Verzoekster is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen [betrokkene] ), adviseur stedelijk groen bij [adviseur]

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2

Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij het griffierecht voor de beroepszaak nog niet heeft voldaan en dat de termijn om dit te doen nog loopt. Zij heeft voorts verklaard dat zij, om te voorkomen dat de voorzieningenrechter van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gebruik zal maken en onmiddellijk uitspraak doet in de beroepszaak, het griffierecht voorlopig ook nog niet zal voldoen. De voorzieningenrechter ziet zich hierdoor genoodzaakt om geen gebruik van die bevoegdheid te maken en neemt hierbij in aanmerking dat verzoekster ter zitting op haar proceskeuze is gewezen, in die zin dat de mogelijkheid bestaat dat, indien het verzoek wordt afgewezen, de bomen al zijn gekapt op het moment dat de beroepszaak wordt behandeld.

1.3

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

2.1

Verzoekster woont aan de [straat] te Amsterdam.

2.2

Op 5 februari 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost, mede op basis van de resultaten uit een gehouden bewonersenquête in 2009, een Definitief Ontwerp voor de openbare ruimte in Gein III vastgesteld. Het gefaseerd uit te voeren ontwerp voorzag in de aanleg van 101 extra parkeerplaatsen in de wijk, waarvan er 28 terecht zouden komen in de [straat 2] en de [straat] . Uitgangspunt hierbij was om gezonde bomen te sparen en bestaande materialen te hergebruiken. De werkzaamheden in de [straat 2] , de [straat] en het [straat 1] maken deel uit van fase 2.

2.3

Op 20 december 2013 hebben 196 bewoners van de [straat 2] en het [straat 1] een ‘bezwaarschrift’ met handtekeningenlijst tegen dit Definitief Ontwerp ingediend. Hierin is naar voren gebracht dat de bewoners overlast van de elzen in hun wijk ervaren, omdat deze bomen meeldouw en stuifmeel op de voetpaden en auto’s verspreiden en hun wortels de stoeptegels van de trottoirs opdrukken, wat tot gevaarlijke situaties leidt. Verder is naar voren gebracht dat er in de wijk in meer parkeerplaatsen moet worden voorzien. Naar aanleiding hiervan heeft het stadsdeel deze bewoners bericht dat zij geen bezwaar kunnen maken tegen het Definitief Ontwerp, maar dat in hun bezwaren wel aanleiding wordt gezien een bewonersavond voor deze twee straten te organiseren. Deze bewonersavond heeft plaatsgevonden op 14 november 2013.

2.4

In februari 2014 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de bewoners van deze straten en de verantwoordelijke portefeuillehouder over de uitvoering van de werkzaamheden in de [straat 2] en het [straat 1] . Bij dit overleg waren geen bewoners van de [straat] aanwezig en is opnieuw aan de orde gesteld dat de elzen overlast geven en dat er een parkeertekort bestaat. Omdat deze punten mogelijk ook de bewoners van de [straat] raken, heeft verweerder, als rechtsopvolger van het stadsdeel, de bewoners van alle drie de straten uitgenodigd voor een bewonersavond op 17 juni 2014.

2.5

Op 12 augustus 2014 heeft verweerder besloten om het vastgestelde Definitief Ontwerp voor de openbare ruimte in Gein III voor wat betreft fase 2 in te trekken en een nieuw voorlopig ontwerp voor de betreffende straten op te stellen. Op 9 oktober 2014 is het Voorlopig Ontwerp herinrichtingsplan Gein III, fase 2 ter inzage gelegd. Dit ontwerp heeft als belangrijke uitgangspunten dat de 100 elzen en 1 acacia in de [straat 2] en de [straat] verwijderd worden, dat er 75 (in plaats van 101) extra parkeerplaatsen in de wijk komen en dat deze straten dezelfde uitstraling krijgen als de straten waarin in fase 1 al groot onderhoud is gepleegd.

2.6

In het kader van de uitvoering van dit Voorlopig Ontwerp heeft verweerder op 16 september 2014 een omgevingsvergunning voor de kap van de 101 bomen, waarvan 51 elzen in de [straat] en 49 elzen en een acacia in de [straat 2] , aangevraagd. Aan de aanvraag is ten grondslag gelegd dat de bomen in of te dicht op de projectlocatie (kabels en leidingen) in de straten komen te staan (<0,2 meter), dat de opdruk van de bomen ervoor zorgt dat de verhardingen en trottoirs zijn verzakt en dat de verhardingen ernstig omhoog staan, wat schade aan auto’s veroorzaakt en gevaarlijk is voor fietsers en voetgangers.

2.7

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend onder de voorwaarden dat in het broedseizoen geen nesten van vogels verstoord mogen worden en dat bij het gebruik van de vergunning de vaste verblijfplaats van de in dat gebied voorkomende beschermde plant- en diersoorten evenmin verstoord mogen worden. Verzoekster en verschillende anderen hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

2.8

Bij het primaire besluit II heeft verweerder het primaire besluit I ingetrokken en opnieuw omgevingsvergunning verleend voor de kap van de genoemde 101 bomen. Verweerder heeft aan de vergunning dezelfde voorwaarden verbonden als aan de ingetrokken vergunning. In de vergunning staat verder, zij het niet als voorwaarde, vermeld dat de kap van deze bomen gecompenseerd dient te worden door de herplant van 64 bomen.

2.9

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften Zuidoost (de bezwaarschriftencommissie), het primaire besluit II gehandhaafd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat inmiddels, te weten op 23 juni 2015, het Definitief Ontwerp herinrichtingsplan Gein III, fase 2 is vastgesteld en dat dit ontwerp voorziet in de kap van de betreffende 101 bomen, maar ook in de herplant van 115 bomen (in plaats van de eerdere 65 bomen) en de aanleg van 61 parkeerplaatsen (in plaats van 75). De boomdeskundige van het stadsdeel heeft de elzen en acacia in september 2014 bezichtigd en heeft geconcludeerd dat de bomen geen van de in artikel 5.1, tweede lid, van de Bomenverordening Zuidoost 2010 (de bomenverordening) genoemde waarden hebben. Vanwege de overlast die de bomen geven aan de geparkeerde auto’s en de bestrating, heeft de boomdeskundige geadviseerd de vergunning te verlenen en vervolgens herplant te laten plaatsvinden in een straat waar de bomen beter kunnen uitgroeien zonder overlast te veroorzaken. Verweerder heeft dit advies overgenomen. In de omstandigheid dat de elzen overlast veroorzaken door wortelopdruk, stuifmeel en katjes bestaat aanleiding de bomen te kappen. De wortelopdruk van de elzen in de trottoirs van de [straat] en de [straat 2] kan alleen voorkomen worden door de wortels van deze elzen weg te hakken en dat gaat ten koste van de vitaliteit van deze bomen. Daar komt bij dat de bewoners de wens hebben geuit dat er meer parkeerplaatsen in hun straten komen en is tot slot recentelijk bij een aantal elzen de ziekte Phytophthora, een schimmelziekte, vastgesteld. Het argument dat de bomen te dicht op kabels en leidingen staan, geeft niet langer reden voor kap. De kabels en leidingen staan er ook niet aan in de weg dat er in de twee genoemde straten wordt herplant. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het laatste Definitief Ontwerp, nu een herplantverplichting van 115 bomen en wel van het type ‘smal opgaande eiken’ als voorwaarde aan de vergunning verbonden. Er kunnen volgens verweerder echter maar een beperkt aantal van deze bomen worden herplant in de [straat] en de [straat 2] , omdat een grotere hoeveelheid in strijd is met het uitgangspunt van het Definitief Ontwerp dat in de beide straten 61 parkeerplaatsen aangelegd zullen worden.

3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de bomenverordening is het verboden binnen de grenzen van stadsdeel Zuidoost zonder vergunning van verweerder houtopstand te vellen of te doen vellen.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de bomenverordening kan verweerder de vergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

Op grond van het tweede lid wordt een vergunning om te vellen geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen één of meer van de volgende waarden.

  1. natuur- en milieuwaarden;

  2. landschappelijke waarden;

  3. cultuurhistorische waarden;

  4. waarden van stadsschoon;

  5. waarden van bijzondere beschermwaardigheid.

In artikel 8, eerste lid, van de bomenverordening staat dat verweerder tot de aan de vergunning tot vellen te verbinden voorschriften het voorschrift kan verbinden dat er binnen een bepaalde termijn en in overeenstemming met gegeven aanwijzingen moet worden herplant.

4.1

De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het vellen van de in de aanvraag genoemde bomen te verlenen, betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder de omgevingsvergunning kan weigeren op grond van de in artikel 5, tweede lid, van de bomenverordening genoemde belangen. Verweerder kan bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen alle relevante belangen meewegen. Dit betekent dat verweerder bij de beslissing om voor het vellen een omgevingsvergunning te verlenen een ruime beleidsvrijheid heeft. De rechter moet die beslissing terughoudend toetsen.

4.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.3

Verweerder heeft bij zijn beoordeling van de in artikel 5, tweede lid, van de bomenverordening genoemde waarden het rapport van H. Kapiteijn, boomdeskundige van stadsdeel Zuidoost, van 15 december 2014 tot uitgangspunt genomen. Deze boomdeskundige heeft gerapporteerd dat de 101 bomen geen natuur- en milieuwaarden, geen landschappelijke waarden, geen cultuurhistorische waarden, geen waarden van stadsschoon en tot slot evenmin waarden van bijzondere beschermwaardigheid hebben.

4.4

Verweerder heeft, gezien de inhoud van dit rapport, bij zijn afweging kunnen betrekken dat de bomen geen waardevolle bomen zijn als bedoeld in de bomenverordening. Verzoekster heeft weliswaar betoogd dat de elzen in haar straat behouden dienen te blijven omdat deze volgens haar gezond zijn, de milieuvervuiling binnen de perken houden, wateroverlast en overstromingsgevaar voorkomen en, mede gezien de schaduwwerking van de bomen, de leefbaarheid ten goede komen. Daarmee is echter niet weerlegd dat de elzen geen van de waarden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bomenverordening hebben. Alleen indien zich één van de in dat artikel genoemde waarden van behoud van houtopstand voordoet, is verweerder gehouden de vergunning voor het kappen te weigeren, indien dat belang zwaarder weegt dan het belang om te kappen. Zoals hiervoor is overwogen, doen dergelijke waarden zich in dit geval niet voor.

4.5

Daartegenover staan de door verweerder naar voren gebrachte belangen die met kappen zijn gemoeid, waaronder in hoofdzaak het belang om uitvoering te kunnen geven aan het vastgestelde Definitief Ontwerp voor het herinrichtingsplan Gein III, fase 2.

4.6

Verzoekster heeft naar voren gebracht dat destijds, uit de onder bewoners gehouden enquête in 2009, was gebleken dat de meerderheid van de respondenten (76 procent) vóór behoud van bomen was en dat dit toen tot een Definitief Ontwerp heeft geleid waarin het behoud van de bomen tot uitgangspunt was genomen. Deze weergave is juist, maar verzoekster heeft hieruit niet mogen afleiden dat hiervan niet kon worden teruggekomen. Uit het dossier blijkt voldoende duidelijk dat er aanleiding bestond het aanvankelijke Definitief Ontwerp te heroverwegen. Er had zich immers een relatief grote groep bewoners vanuit de [straat 2] en het [straat 1] gemeld met een petitie met daarin uitgesproken bezwaren tegen de elzen in de wijk en de wens om meer parkeergelegenheid in de wijk te realiseren.

4.7

Verweerder is vervolgens naar aanleiding van die petitie voldoende zorgvuldig te werk gegaan door voor de bewoners uit die twee straten allereerst een bewonersavond op 14 november 2013 te houden en vervolgens in februari 2014 een gesprek tussen deze bewoners en de verantwoordelijke portefeuillehouder te organiseren. Verweerder heeft vervolgens aanleiding gezien om nogmaals een bewonersavond te organiseren en ditmaal ook voor de bewoners van de [straat] , omdat de overlast gevende elzen zich ook in die straat bevinden. De bewoners van de betreffende drie straten zijn hierop uitgenodigd voor een bijeenkomst op 17 juni 2015. Blijkens de notulen van die bijeenkomst, heeft het merendeel van de aanwezigen zich die avond uitgesproken voor het vervangen van de elzen door minder en langzaam groeiende bomen met meer variatie en voor het realiseren van meer parkeerplaatsen in de wijk.

4.8

Uit de uitnodigingsbrief voor die bijeenkomst kan, anders dan verzoekster stelt, niet worden afgeleid dat het voor de bewoners uit haar straat, de [straat] , onduidelijk moet zijn geweest dat het op de bewonersavond ook over de bomen in die straat zou kunnen gaan. In de brief staat weliswaar vermeld dat bewoners van de [straat 2] en het [straat 1] aan het stadsdeel hebben gevraagd om meer bomen te kappen in de [straat 2] en dat het stadsdeel dit wenst te bespreken, maar in de brief staat voorts vermeld dat het een uitnodiging betreft voor een ‘bewonersavond [straat] ’ en dat het stadsdeel graag met alle bewoners uit de betreffende straten de mogelijkheden wil bespreken. Daar komt bij dat uit de presentielijst blijkt dat er die avond 71 bewoners aanwezig zijn geweest, waarvan 19 uit de [straat] , dus dat er ook daadwerkelijk een substantieel aantal bewoners uit die straat aanwezig was. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde dan ook vooralsnog geen aanleiding te concluderen dat verzoekster en de overige bewoners van de [straat] (al dan niet opzettelijk) buiten spel zijn gezet en niet de gelegenheid hebben gehad om hun visie op de herinrichting van de wijk kenbaar te maken. Van een ondemocratische besluitvorming, zoals verzoekster stelt, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Al hetgeen verzoekster in dit verband nog naar voren heeft gebracht, leidt de voorzieningenrechter niet tot een andere conclusie. De voorzieningenrechter acht het, anders dan verzoekster, overigens niet onzorgvuldig, maar juist zorgvuldig dat verweerder met het nemen van het bestreden besluit (en daarmee met de mogelijkheid om met de werkzaamheden aan te vangen) heeft gewacht totdat het Voorlopig Ontwerp definitief was vastgesteld.

4.9

Niet in geschil is dat de elzen stuifmeel en katjes verliezen, dat die op de geparkeerde auto’s terecht komen en dat dit volgens verschillende bewoners overlast geeft. Dat verzoekster, die overigens zelf geen auto heeft, dit overdreven vindt en meer als een gezocht argument - vooral om meer parkeerplaatsen te kunnen realiseren - beschouwt, neemt niet weg dat dit probleem zich voordoet. Evenmin is in geschil dat in de betreffende straten sprake is van opgedrukte stoeptegels. Gezien ook het advies van de boomdeskundige van 15 december 2014 en de ter zitting door adviseur stedelijk groen [betrokkene] gegeven toelichting, is voldoende komen vast te staan dat dit het gevolg is van de worteldruk die de elzen geven. Dat de schade aan de trottoirs – uitsluitend dan wel mede – is terug te voeren op de hoeveelheid auto’s die in straten geparkeerd worden en de wijze waarop er door de eigenaren ervan wordt gereden en geparkeerd, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt. Evenmin dat de wortelopdruk is ontstaan door de belasting door auto’s en zware wagens. Verzoekster heeft dit niet onderbouwd. Uit het dossier blijkt verder duidelijk dat weliswaar ook anders dan door kap kan worden opgetreden tegen de worteldruk, maar ook dat dit dan een terugkerend probleem is, wat de nodige kosten met zich brengt, en dat dit optreden ook schade aan de bomen kan toebrengen. Verweerder heeft het belang bij kap om de overlast van de elzen op te heffen, dan ook bij zijn beoordeling kunnen betrekken.

4.10

Ook het belang bij het creëren van meer parkeergelegenheid heeft verweerder bij zijn beoordeling kunnen betrekken. Verzoekster heeft niet betwist dát er een parkeerprobleem is in de wijk. Zij heeft in haar beroepschrift voornamelijk gewezen op de volgens haar aanwezige oorzaken, te weten de hoeveelheid geparkeerde bedrijfsauto’s en autowrakken in de wijk en de oorzaak dat verschillende bewoners uit de wijk drie, soms wel vier auto’s hebben en die allemaal voor de deur willen parkeren. Volgens verzoekster zal het aanleggen van nog meer parkeerplaatsen in dit verband juist een aanzuigende werking hebben. Uit het dossier en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting komt naar voren dat aan het in het Definitief Ontwerp vastgelegde aantal van 61 te realiseren parkeerplaatsen ten grondslag is gelegd dat de parkeerbehoefte in de wijk is vastgesteld aan de hand van een parkeerbalans. Die balans is vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen het aantal parkeerplaatsen en het aantal huishoudens en is voor deze wijk berekend op 1,17. Hierbij zijn de parkeerplaatsen ten behoeve van scholen, waaronder de basisschool in de wijk, meegerekend. Niet gesteld is dat verweerder die norm onjuist zou hebben berekend. Verzoekster heeft bij haar stelling dat met de ‘wettelijke norm’ van 0,9 toch had kunnen worden volstaan, niet betrokken dat in deze wijk ook voorzieningen, waaronder een basisschool, aanwezig zijn, die meer parkeergelegenheid vereisen. Daarbij heeft zij haar stelling dat de wijk vol staat met autowrakken, die verweerder zou kunnen (laten)wegslepen, niet onderbouwd. Ook heeft verzoekster haar stelling dat er verschillende bewoners drie tot vier auto’s hebben, daargelaten welke betekenis daaraan in het licht van het voorgaande kan worden gehecht, alsook haar stelling dat het uitbreiden van het aantal parkeerplaatsen een aanzuigende werking zal hebben, niet onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet daarin dan ook geen aanleiding om verzoekster te volgen in haar stelling dat ook, anders dan door kap, meer parkeergelegenheid kan worden gerealiseerd. Daarbij geldt dat met het huidige plan 61 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in plaats van de eerder voorgenomen 101 parkeerplekken, waar verzoekster aanvankelijk achter stond.

4.11

Verzoekster heeft betoogd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang dat is gemoeid bij het behouden van de bomen, namelijk de leefbaarheid van de omgeving. Er worden volgens verzoekster steeds meer bomen in Amsterdam Zuidoost gekapt, terwijl bomen de milieuvervuiling beperken. Voor zover er een herplantplicht in het besluit is opgenomen, wordt daarmee volgens verzoekster feitelijk gecompenseerd voor bomen die al eerder gekapt zijn in de omgeving en dus niet voor de huidige kap. Daarbij zullen met deze herplantplicht slechts 18 bomen in de [straat] terugkeren. Verzoekster wijst op de bijzondere aard van de woningen in deze straat: het zijn ecologische houtskelethuizen. De bomen beïnvloeden met hun schaduwwerking de temperatuur van de woningen, maar ook het uitzicht vanuit de woningen. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter compensatie van de te kappen bomen, 115 bomen zal aanplanten, waarvan er 65 terugkomen in de straten en 50 in een nabijgelegen plantsoen. Dit zijn er 14 meer dan er worden gekapt. Hoewel minder bomen zullen terugkeren in verzoeksters straat, wat qua schaduwwerking en uitzicht gevolgen zal hebben, is het bestreden besluit met het verbinden van dit voorschrift naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft hierbij de belangen kenbaar tegen elkaar afgewogen. De stelling van verzoekster dat deze herplantplicht feitelijk eerder gekapte bomen compenseert, is ter zitting niet aannemelijk geworden.

4.12

Ten aanzien van het tot slot door verweerder bij zijn afweging betrokken belang bij kap, te weten dat enkele elzen ziek zijn, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoekster heeft aangevoerd dat de bomen gezond zijn en dat dit ook uit de eerdere groenadviezen blijkt. De bomen zijn moedwillig vernield door enkele bewoners en tonen geen tekenen van ziekte. Verweerder heeft zijn vermoedens dat de bomen ziek zijn, slechts op een algemeen rapport gebaseerd. Nergens blijkt uit dat die ziekte daadwerkelijk bij deze elzen is geconstateerd, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat uit het bij fax van 20 januari 2016 ingebrachte onderzoek van [adviseur] van [bedrijf] van 20 januari 2016 blijkt dat bij 16 elzen (tien in de [straat] en zes in de [straat 2] ) bloedingen zijn aangetroffen die aan de ziekte ‘Phytophthora alni’ kunnen worden toegeschreven. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten om aan de juistheid van dit deskundig onderzoek te twijfelen.

4.13

Verzoekster heeft te kennen gegeven dat zij zelf een deskundige wil inschakelen voor het uitbrengen van een tegenrapportage en dat haar de kans moet worden gegund een dergelijk rapport in de bodemprocedure in te brengen. De voorzieningenrechter ziet daarin onvoldoende aanleiding tot schorsing van de omgevingsvergunning over te gaan. Hiertoe is van belang dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de constatering van de ziekte bij enkele bomen slechts een bijkomstige reden vormt om tot kap over te gaan. Ook met de ziekte hebben de bomen namelijk naar verwachting nog een redelijke levensduur. Verweerder heeft toegelicht dat hij, ook indien onverhoopt zou komen vast te staan dat de bomen niet ziek zijn, de verleende vergunning zal handhaven, gezien de bij kap gemoeide belangen: de bomen zijn geen waardevolle bomen als bedoeld in de bomenverordening, maar geven wel de nodige overlast en staan de noodzakelijke realisatie van parkeerplaatsen in de weg. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder, gezien al het voorgaande, hiertoe ook in redelijkheid kan besluiten.

4.14

Verzoekster heeft in het kader van de opgelegde herplantplicht nog aangevoerd dat zij bezwaren heeft tegen de gekozen boom, de pyramide-eik, die ter vervanging wordt geplant. Volgens verzoekster is de pyramide-eik, anders dan verweerder suggereert, wel degelijk vatbaar voor de eikenprocessierups. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vervangende boomsoort op advies van de boomdeskundige is gekozen. Deze zuilvormige eikensoort is gekozen, omdat deze volgens de boomdeskundige smal blijft, een rustige groeier is en geen overlast geeft van de eikenprocessierups. Weliswaar blijkt uit de toelichting van [betrokkene] ter zitting dat deze boomsoort wel vatbaar is voor de eikenprocessierups, zodat het besluit op dit punt een aanpassing behoeft, maar ook dat tegen die rups goed kan en zal worden opgetreden. Verweerder heeft dan ook afdoende gemotiveerd waarom juist voor deze boomsoort is gekozen en dat daarvan geen overlast te verwachten valt.

4.15

Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit in beroep naar verwachting standhouden. Daar komt bij dat het broedseizoen in maart begint en verweerder, gezien de vergunningsvoorwaarden, in die periode niet tot kap kan overgaan. In dit geval gaat daarom verweerders belang als vergunninghouder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit boven het belang van verzoekster tot behoud van de bomen tot op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2016.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: WGS
B

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.