Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
16/3568
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Last onder dwangsom niet-vergunde werkzaamheden. Uit het bestreden besluit en de toelichting van het algemeen bestuur ter zitting wordt niet duidelijk wat moet worden verstaan onder de ‘oorspronkelijke staat’ van het raamkozijn. De lastgeving is op dit punt onduidelijk geformuleerd, zodat voor Sir Max B.V. redelijkerwijs niet duidelijk kan zijn wat zij moet doen om te voorkomen dat zij de aan de lastgeving verbonden dwangsom verbeurt. Eén en ander kan weliswaar hersteld worden in het nog te nemen besluit op bezwaar, maar voor de voorzieningenrechter is de huidige stand van zaken reden te beletten dat Sir Max B.V. de dwangsom verbeurt voordat voor haar voldoende kenbaar is welke maatregelen getroffen moeten worden om verbeuring te voorkomen. Gedeeltelijke toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3568

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2016 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Sir Max monumenten B.V., te Amsterdam

(gemachtigde: mr. C. Ravesteijn),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: mr. C.L. Brinks).

Als partij heeft aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende], te Amsterdam, belanghebbende

(gemachtigde: mr. E. Unger).

Partijen worden hierna respectievelijk Sir Max, het algemeen bestuur en [belanghebbende] genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur Sir Max een last onder dwangsom opgelegd.

Sir Max heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 10 juni 2016. Sir Max is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en M.A. te Slaa (Te Slaa). Het algemeen bestuur is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. [belanghebbende] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Nolet, waarnemer voor mr. Unger.

Overwegingen van de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Hij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij hij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepszaak.

2.1.

Sir Max is eigenaar van het monumentale pand gelegen aan de [adres]. Te Slaa is eigenaar van het monumentale pand gelegen aan de [adres]. Te Slaa is rechthebbende van Sir Max. In het primaire besluit zijn zij gezamenlijk aangeschreven.

2.2.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft het algemeen bestuur een omgevingsvergunning verleend aan Te Slaa, voor het veranderen van een bestaande trap in de gebouwgedeelten [adres], ten behoeve van het zelfstandig ontsluiten van de drie woningen op de verdiepingen. [belanghebbende] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar van [belanghebbende] is bij besluit van 4 december 2014 ongegrond verklaard.

2.3.

[belanghebbende] heeft tegen het besluit van 4 december 2014 beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummer: AMS 15/230). De rechtbank heeft, nadat de zaak ter zitting is behandeld op 21 augustus 2015, het onderzoek heropend en op 28 oktober 2015 een onderzoek ter plaatse ingesteld. Inmiddels hebben partijen de rechtbank toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft op dit moment nog geen uitspraak gedaan.

2.4.

Op 17 november 2015 heeft [belanghebbende] het algemeen bestuur gevraagd handhavend op te treden. Op 8 december 2015 heeft het algemeen bestuur een inspectie verricht. Naar aanleiding van die inspectie heeft het algemeen bestuur bij brief van 8 januari 2016 zijn voornemen aan Sir Max kenbaar gemaakt handhavend op te treden. Bij brief van 7 maart 2016 heeft Sir Max haar zienswijze gegeven.

2.5.

Bij het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur Sir Max, ter attentie van Te Slaa, een last onder dwangsom opgelegd. De lastgeving houdt in dat Sir Max/Te Slaa (hierna gezamenlijk: Sir Max) binnen dertien weken na dagtekening van het bestreden besluit, dus vóór 19 juli 2016:

- de dakopbouw op de [adres] in de oorspronkelijke staat dient terug te brengen, dat willen zeggen: de dakopbouw vanaf het verhoogde gedeelte van het rechter schuine dakschild slopen tot het onderliggende platte dak, met inbegrip van het na sloop van de dakopbouw gedeelte verhoogde dakvlak, zodanig dat het dak de oorspronkelijke (aanliggende) schuinte weer krijgt, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 10.000, - (onderdeel 1);

- het dakterras op de [adres] dient te verwijderen door de vloer met vloerbalken (vloer is op balken vastgezet (geschroefd) en dakterrashekwerk te verwijderen, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 750, - (onderdeel 2);

- het vernieuwde raamkozijn in de wand van het trappenhuis van de [adres] ter hoogte van de eerste verdieping in de oorspronkelijke staat dient te brengen, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000, -(onderdeel 3);

- de doorbraak in de wand tussen [adres] ter hoogte van de eerste verdieping dicht dient te zetten, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.200, - (onderdeel 4).

2.6.

Het algemeen bestuur stelt zich samengevat op het standpunt dat Sir Max de in de last omschreven bouwwerkzaamheden heeft uitgevoerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunningen. Sir Max heeft de mogelijkheid gekregen de situatie te legaliseren door een omgevingsvergunning aan te vragen. Verder stelt het algemeen bestuur dat de (economische) belangen van Sir Max niet opwegen tegen het algemeen belang. Sir Max heeft geen bijzondere en zwaarwegende omstandigheden aangedragen die voor het algemeen bestuur aanleiding vormen af te wijken van zijn beginselplicht tot handhaving.

3.1.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van het geschil voorop dat volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Zie voor deze rechtspraak bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1514).

Dakopbouw (onderdeel 1)

3.2.

Ter zitting is door het algemeen bestuur te kennen gegeven dat hij de begunstigings-termijn van het bestreden besluit met betrekking tot de dakopbouw zal verlengen, indien Sir Max binnen afzienbare tijd een aanvraag tot legalisatie indient. De verlenging van de begunstigingstermijn zal gedurende die aanvraag tot legalisatie gelden, aldus het algemeen bestuur.

3.3.

Na de zitting heeft Sir Max bij brief van 20 juni 2016 zijn legalisatieaanvraag 16 juni 2016 ingezonden. Omdat met deze aanvraag de begunstigingstermijn is verlengd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Dakterras (onderdeel 2)

3.4.

Sir Max voert met betrekking tot het dakterras aan dat het algemeen bestuur in strijd met de feitelijke situatie en zonder hiernaar een onderzoek te hebben gedaan, stelt dat de vloer op de balken is vastgezet (vastgeschroefd). Alle materialen staan los en er is geen wettelijke grondslag voor de verwijdering van deze losse materialen, zo betoogt Sir Max.

3.5.

Nog daargelaten of de vloer van het dakterras is vastgezet (vastgeschroefd), is door het algemeen bestuur ter zitting toegelicht dat het gebruik van het dakterras hoe dan ook in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Sir Max heeft dat niet bestreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee de overtreding gegeven en voorts daarmee de bevoegdheid van het algemeen bestuur handhavend op te treden. Verder is gesteld noch gebleken dat met betrekking tot het dakterras concreet zicht op legalisatie bestaat. Dat handhavend optreden op dit punt dermate onevenredig uitpakt dat daarvan dient te worden afgezien, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

3.6.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de lastgeving aangaande het dakterras.

Doorbraak (onderdeel 4)

3.7.

Met betrekking tot de gerealiseerde doorbraak in de wand tussen [adres] betoogt Sir Max het volgende. Tijdens de behandeling van het beroep als bedoeld in overweging 2.3. is door het algemeen bestuur en de rechtbank nadrukkelijk meegenomen dat deze doorbraak zowel in de bestaande als de nieuwe toestand aanwezig was. Tijdens het onderzoek ter plaatse door de rechtbank is de doorbraak reeds beoordeeld. De verleende vergunning van 19 mei 2014 is mede gebaseerd op de doorbraak, getuige de tekeningen die door het algemeen bestuur zijn geaccepteerd. Daarnaast is namens het algemeen bestuur te kennen gegeven dat de overgelegde tekeningen kloppen, zo stelt Sir Max.

3.8.

Ter zitting is door middel van foto’s en de toelichting daarop vastgesteld dat de doorbraak die hier aan de orde is een andere betreft dan die op de door Sir Max overgelegde tekeningen is aangegeven. De lastgeving heeft betrekking op – kort gezegd – de niet vergunde doorbraak naar de keuken. De tekeningen die Sir Max heeft overgelegd betreffen een doorbraak die verband houdt met de realisatie van het zelfstandig ontsluiten van de drie woningen op de verdiepingen op het adres [adres], zoals vergund met het besluit van 19 mei 2014.

3.9.

Omdat duidelijk is dat voor de doorbraak naar de keuken geen omgevings-vergunning is verleend en dat de verleende omgevingsvergunning van 19 mei 2014 daarvoor ook geen grondslag biedt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de overtreding voor dit deel van het bestreden besluit eveneens gegeven. Het algemeen bestuur is daarom bevoegd handhavend op te treden. Voor het oordeel dat sprake is van concreet zicht op legalisatie of dat handhaving onevenredig is op dit punt, heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden.

3.10.

Het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de lastgeving aangaande de doorbraak wordt daarom afgewezen.

Raamkozijn (onderdeel 3)

3.11.

Sir Max voert aan dat het algemeen bestuur een onmogelijke eis stelt. Zij heeft het kozijn in de wand van het trappenhuis vernieuwd, omdat sprake was van houtrot. In verband met deze vernieuwing is tevens het enkel glas vervangen door brandwerend glas. Herstel of onderhoud aan een kozijn valt niet onder de bepalingen van de Monumentenwet. Het is volgens Sir Max volslagen onredelijk en zelfs willekeurig om van haar te eisen dat zij een verrot inpandig kozijn terugplaatst.

3.12.

De voorzieningenrechter ziet met betrekking tot de lastgeving aangaande het raamkozijn wel voldoende grond een voorlopige voorziening te treffen en overweegt daartoe als volgt.

3.13.

Uit het bestreden besluit en de toelichting van het algemeen bestuur ter zitting wordt niet duidelijk wat moet worden verstaan onder ‘oorspronkelijke staat’. Het algemeen bestuur heeft ter zitting voorts toegelicht dat nog duidelijk moet worden wat ‘oorspronkelijke staat’ in dit verband precies betekent, dat daarvan geen foto’s zijn en dat daarover geen informatie beschikbaar is.

3.14.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag van de lastgever – in dit geval het algemeen bestuur – worden verwacht hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan, omdat het hier gaat om een voor Sir Max belastend besluit. De voorzieningenrechter wijst in dit licht ook op rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2671). Volgens de Afdeling dient de in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last, gezien de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet geformuleerd te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen. De lastgeving is op dit punt onduidelijk geformuleerd, zodat voor Sir Max redelijkerwijs niet duidelijk kan zijn wat zij moet doen om te voorkomen dat zij de aan de lastgeving verbonden dwangsom verbeurt. Eén en ander kan weliswaar hersteld worden in het nog te nemen besluit op bezwaar, maar voor de voorzieningenrechter is de huidige stand van zaken reden te beletten dat Sir Max de dwangsom verbeurt, voordat voor haar voldoende kenbaar is welke maatregelen getroffen kunnen worden om verbeuring te voorkomen.

3.15.

In het navolgende zal de voorzieningenrechter daarom een voorlopige voorziening treffen met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit.

Conclusie

4.1.

De conclusie is dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening zal toewijzen voor zover dat betrekking heeft op de lastgeving aangaande het raamkozijn (onderdeel 3 van het bestreden besluit). Hij zal het bestreden besluit in zoverre schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Voor het overige blijft het bestreden besluit onverkort zijn werking houden.

4.2.

Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen, dient het algemeen bestuur het griffierecht aan Sir Max te vergoeden. Verder bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Die kosten worden begroot op een forfaitair bedrag van € 992, - (één punt voor het verzoekschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting, € 496, - per punt met wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in zoverre toe dat onderdeel 3 van het bestreden besluit zoals weergegeven in overweging 2.5. wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

  • -

    wijst het verzoek voor het overige af;

  • -

    draagt het algemeen bestuur op het betaalde griffierecht van € 334, - (zegge: driehonderdvierendertig euro) aan Sir Max te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het algemeen bestuur in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 992, - (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van griffier mr. M. van Looij. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.