Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4520

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
13/846004-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping en het medeplegen van valsheid in geschrift. Rechtsmacht Nederlandse rechter. OM gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Vrijspraak witwassen. Voor het overige veroordeling tot een geldboete van € 1.580.000,- en verbeurdverklaring van aandelen op naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/846004-14 (Promis)

Datum uitspraak: 20 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd op het adres [vestigingsadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M. van Turennout en mr. J.M. Mul.

2 Tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage en geldt als hier ingevoegd.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1: medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte vragen (aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2010) teneinde deze ambtenaar te bewegen om, in strijd met haar plicht, in haar bediening iets te doen of na te laten;

en/of

medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte aannemen (van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2010), wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze aan hen gedaan werd teneinde hen te bewegen om, in strijd met de plicht van deze ambtenaar, in haar bediening iets te doen of na te laten;

Feit 2: medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte vragen (aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] van 1 januari tot en met 31 december 2010) teneinde deze ambtenaar te bewegen om, in strijd met haar plicht, in haar bediening iets te doen of na te laten;

en/of

medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte aannemen (van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] van 1 januari tot en met 31 december 2010), wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze aan hen gedaan werd teneinde hen te bewegen om, in strijd met de plicht van deze ambtenaar, in haar bediening iets te doen of na te laten;

Feit 3: medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte vragen (aan [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] ) teneinde deze ambtenaar te bewegen om, in strijd met haar plicht, in haar bediening iets te doen of na te laten;

en/of

medeplegen van het als ambtenaar een gift en/of belofte aannemen (van [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] ), wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hen gedaan werd teneinde hen te bewegen om, in strijd met de plicht van deze ambtenaar, in haar bediening iets te doen of na te laten;

Feit 4: medeplegen van valsheid in geschrift;

en/of

medeplegen van opzettelijk een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), afleveren en voorhanden hebben, terwijl zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd is om als echt en onvervalst te gebruiken;

Feit 5: medeplegen van witwassen.

3 Voorvragen

3.1.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie (rechtsmacht)

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 2 Sr vervolging mogelijk is, ook indien een deel van de strafbare gedragingen in het buitenland heeft plaatsgevonden.

Door het vragen en het aannemen van steekpenningen (feit 1, 2 en 3) aan twee in Nederland gevestigde bedrijven, die bij het betalen van de steekpenningen gebruik hebben gemaakt van Nederlandse notarissen en financiële dienstverleners (feit 5) en het met die bedrijven valselijk opmaken van overeenkomsten en het voorhanden hebben hiervan (feit 4), kan Nederland mede als pleegplaats worden aangemerkt van alle strafbare feiten waaraan verdachte zich als mededader schuldig heeft gemaakt. Nu de ten laste gelegde feiten deels in Nederland hebben plaatsgevonden en daarop de Nederlandse strafwet van toepassing is, kan ook rechtsmacht worden aangenomen ten aanzien van de strafbare gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden, aldus steeds de officieren van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte is een naar het recht van Gibraltar opgerichte onderneming, gevestigd te Gibraltar. Enig aandeelhouder is volgens het handelsregister van [ondernemingsnaam] (hierna: [ondernemingsnaam] ), woonachtig in Oezbekistan. Gelet hierop kan verdachte niet worden aangemerkt als Nederlander in de zin van de Nederlandse rechtsmachtbepalingen.

Ingevolge artikel 2 Sr is de Nederlandse strafwet echter toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien behalve in Nederland ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het strafbare feit is gepleegd, is op grond van artikel 2 Sr vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden, ongeacht de strafbaarheid van dat feit in het buitenland.

(ECLI:NL:HR:1998:ZD1413)

In de aan verdachte ten laste gelegde feiten worden, naast Amsterdam, Rotterdam en/of elders in Nederland, als pleegplaatsen vermeld: Gibraltar, Zweden, Zwitserland, Rusland, Oezbekistan, Letland, Hongkong en/of de British Virgin Islands.

De rechtbank zal ter beantwoording van de vraag of ten aanzien van de ten laste gelegde feiten rechtsmacht kan worden aangenomen, per feit beoordelen of dat mede in Nederland is gepleegd.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich tezamen en in vereniging met een buitenlandse ambtenaar, [ambtenaar] (hierna: [ambtenaar] ), schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping, strafbaar gesteld op grond van artikel 363 Sr.

De rechtbank is, anders dan de officieren van justitie, van oordeel dat [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) – als actieve omkopers (strafbaar gesteld op grond van artikel 177 Sr) – niet kunnen worden beschouwd als medeplegers van de aan verdachte ten laste gelegde passieve ambtelijke omkopingen. Aangezien het hier om twee verschillende strafbepalingen gaat die elk specifiek zien op ofwel het betalen ofwel het ontvangen van steekpenningen, kunnen omkoper en omgekochte niet in strafrechtelijke zin deelnemen aan elkaars misdrijf. Een dergelijke deelneming is trouwens ook niet in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht. Weliswaar zijn meerdere betalingen van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] ten behoeve van de actieve omkoping gedaan vanaf een Nederlandse bankrekening, maar deze geldbedragen zijn overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningen van verdachte. Deze geldbedragen zijn dus ontvangen in het buitenland. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarmee de giften aangenomen buiten Nederland. Het enkele overmaken van geldbedragen vanaf een Nederlandse bankrekening door de actieve omkoper naar een buitenlandse bankrekening van de omgekochte schept naar het oordeel van de rechtbank nog geen rechtsmacht ten aanzien van de passieve omkoping. Dat dit voor de actieve omkoping uiteraard anders ligt, doet hier niet aan af. De redenering van de officieren van justitie, dat op basis van de door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] in Nederland gepleegde gedragingen, rechtsmacht kan worden aangenomen ten aanzien van de aan verdachte onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten, gaat daarom niet op.

De vraag die moet worden beantwoord is of verdachte de in de tenlastelegging vermelde giften in Nederland heeft gevraagd en/of aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het vragen van de giften in Nederland. Evenmin is gebleken dat sprake is van enig andere gedraging in Nederland door verdachte op basis waarvan rechtsmacht ten aanzien van het vragen kan worden aangenomen. Voor het aannemen van de giften luidt het oordeel van de rechtbank grotendeels hetzelfde met uitzondering van de volgende onderdelen.

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, tweede en derde gedachtestreepje, kan worden vastgesteld dat de aandelenoverdracht tussen [bedrijf 2] en verdachte heeft plaatsgevonden ten kantore van een Nederlandse notaris, waarmee de ontvangst – en dus het aannemen door verdachte – van deze gift in Nederland tot stand is gekomen. Hetzelfde geldt voor de betaling van $ 220.000.000,- door [bedrijf 1] voor het terugkopen van een deel van deze aandelen. Dit geld is immers ten behoeve van verdachte door [bedrijf 1] gestort op de derdengeldrekening van een Nederlandse notaris, waarmee de ontvangst – en dus het aannemen door verdachte – van deze gift tot stand is gekomen. Dat het geld vervolgens is doorgestort naar een buitenlandse bankrekening doet hier niet aan af. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu deze ten laste gelegde gedragingen in Nederland hebben plaatsgevonden, voor dit deel van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde rechtsmacht kan worden aangenomen.

De rechtbank verklaart de officieren van justitie voor het overige van het onder 1 ten laste gelegde, als ook het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De in de tenlastelegging vermelde overeenkomst tussen verdachte en [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ), een dochteronderneming van [bedrijf 3] , is aangetroffen in de administratie van [bedrijf 3] in Amsterdam. De definitieve versie van de overeenkomst is tot stand gekomen na overleg met in Nederland werkzame medewerkers van [bedrijf 3] over de door verdachte gestelde voorwaarden. Bovendien is op deze overeenkomst uitdrukkelijk het Nederlandse (civiele) recht van toepassing verklaard.

Nu de ten laste gelegde gedragingen deels in Nederland hebben plaatsgevonden en ten laste is gelegd dat deze gedragingen zijn gepleegd tezamen en in vereniging met een ander of anderen, neemt de rechtbank ook rechtsmacht aan ten aanzien van de van dit feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De in de tenlastelegging vermelde geldbedragen zijn door of namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] vanaf Nederlandse bankrekeningen overgemaakt op buitenlandse bankrekeningen van verdachte. Nu (de opdrachten tot) deze betalingen (deels) vanuit Nederland hebben plaatsgevonden, neemt de rechtbank ook rechtsmacht aan ten aanzien van de van dit feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

3.2.

Conclusie

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten en de officieren van justitie zijn ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, tweede en derde gedachtestreepje, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Aanleiding strafrechtelijk onderzoek

Naar aanleiding van rechtshulpverzoeken uit Zwitserland, Zweden en Amerika is door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) strafrechtelijke onderzoek ingesteld onder de namen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’.

Het onderzoek [naam 1] betreft een onderzoek tegen de in Amsterdam gevestigde rechtspersoon [bedrijf 3] . [naam 2] betreft een onderzoek tegen de in Rotterdam gevestigde rechtspersonen [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) en [bedrijf 2] .

Uit het onderzoek naar de herkomst van gelden op de bankrekening van verdachte blijkt dat een deel hiervan afkomstig is van [bedrijf 2] . Voorts blijkt uit in beslag genomen stukken dat niet [ondernemingsnaam] , maar [ambtenaar] , dochter van de president van Oezbekistan, feitelijk eigenaar en enig uiteindelijk gerechtigde (‘beneficial owner’) is van verdachte.

Het vermoeden bestaat dat [bedrijf 2] zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping om telecomlicenties in Oezbekistan te verkrijgen en te behouden. Hierbij zou [ambtenaar] zijn bevoordeeld. Daarnaast is ook onderzoek gedaan naar het telecombedrijf [bedrijf 3] , dat op dezelfde wijze als [bedrijf 2] toegang tot de Oezbeekse telecommarkt zou hebben verkregen en gehouden.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich, zoals weergegeven in het door hen ter terechtzitting overgelegde requisitoir en voor zover thans nog relevant, op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard hetgeen verdachte onder 1 tweede cumulatief/alternatief, tweede en derde gedachtestreepje, onder 4 en onder 5 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ambtenaar, [ambtenaar] , aandelen en een betaling aangenomen van [bedrijf 2] . In ruil hiervoor hebben verdachte en [ambtenaar] hun invloed op Oezbeekse overheidsorganen aangewend voor toewijzing van telecomlicenties aan Oezbeekse vestigingen van [bedrijf 2] . De aandelenoverdracht en betaling waren voorwaarden, opgelegd dan wel afgedwongen door [ambtenaar] , waaraan [bedrijf 2] moest voldoen om op de Oezbeekse telecommarkt te kunnen opereren.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft verdachte tezamen en in vereniging met [bedrijf 3] een overeenkomst – gesloten ten behoeve van een 4G-licentie voor [bedrijf 3] – valselijk opgemaakt en voorhanden gehad, terwijl verdachte wist dat deze overeenkomst was bestemd voor gebruik als ware het echt en onvervalst. Met deze overeenkomst is verhuld dat de door verdachte ontvangen geldbedragen van [bedrijf 3] steekpenningen betroffen.

Verdachte heeft het in totaal ten laste gelegde geldbedrag van $ 385.000.000,- ontvangen van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . Verdachte wist dat dit geldbedrag afkomstig was uit actieve ambtelijke omkoping door [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . Door middel van valse overeenkomsten is de ware aard van de betalingen verhuld, namelijk het betalen – via verdachte – van steekpenningen aan [ambtenaar] . Tevens heeft verdachte, door gebruikmaking van [persoon 2] (als directeur/aandeelhouder van verdachte) en [persoon 1] (als vertegenwoordiger van verdachte) verhuld wie de feitelijk begunstigde was van deze betalingen. Gelet hierop kan worden bewezen dat verdachte de onder 5 ten laste gelegde geldbedragen heeft witgewassen.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank

5.2.1.

Vrijspraak van het onder 4 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Verdachte is onder 4, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen een valse overeenkomst tussen verdachte en [bedrijf 4] , een dochteronderneming van [bedrijf 3] , heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze overeenkomst bestemd was om als echt en onvervalst te gebruiken. De valse overeenkomst is aangetroffen in de administratie van het hoofdkantoor van [bedrijf 3] te Amsterdam.

Dat verdachte deze overeenkomst daar heeft afgeleverd of in dat opzicht medepleger van dit feit was, kan bij gebreke van enig bewijs niet worden aangenomen. Voor het (mede) voorhanden hebben van dit document is vereist, dat verdachte (mede) de beschikkingsmacht over dit stuk had. Ook daarvoor is geen bewijs, dat ook ontbreekt voor zover het zou gaan om de voor het in dit opzicht zijn van medepleger vereiste bewuste en nauwe samenwerking.

Het medeplegen van het afleveren of voorhanden hebben van de bij [bedrijf 3] in Amsterdam aangetroffen valse overeenkomst kan dan ook niet worden bewezen, zodat verdachte van het onder 4 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

5.2.2.

Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij een geldbedrag van in totaal

$ 385.000.000,- heeft witgewassen, door de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en verplaatsing van dit geldbedrag te verhullen of te verbergen, dan wel te verhullen of te verbergen wie de rechthebbende van dat geldbedrag was en wie dit geldbedrag voorhanden heeft gehad.

Uit het dossier volgt dat namens [bedrijf 3] en [bedrijf 2] vanaf Nederlandse bankrekeningen in totaal $ 385.000.000,- is overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen van verdachte. Voorts blijkt uit het dossier dat het hier smeergeld of steekpenningen betreft, waardoor [bedrijf 3] en [bedrijf 2] – door verdachte en [ambtenaar] – in de gelegenheid zijn gesteld om gebruik te maken en blijven maken van telecomfrequenties in Oezbekistan.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen bewijs heeft opgeleverd dat de geldbedragen, die [bedrijf 3] en [bedrijf 1] voor deze betalingen hebben aangewend, uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarnaast staat vast dat het geld op legale wijze vanaf Nederlandse bankrekeningen is overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen van verdachte.

Uit het dossier kan wel geconcludeerd worden dat verdachte betrokken is geweest bij passieve ambtelijke omkoping, waarbij de ten laste gelegde geldbedragen als aangenomen giften moeten worden gezien met betrekking tot deze omkoping. Dit brengt echter niet met zich mee dat, zoals het openbaar ministerie heeft betoogd, de ten laste gelegde geldbedragen ‘daardoor’ uit misdrijf afkomstig zijn. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis Sr, indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven, voorhanden hebben en het overdragen daarvan. Dat de geldbedragen zijn aangetroffen in het kader van de omkoping, maakt ze wel voorwerp van een strafbaar feit, maar niet noodzakelijkerwijs ook afkomstig uit enig misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:3046). Naar het oordeel van de rechtbank is deze jurisprudentie van de Hoge Raad ook van toepassing als witwasgedragingen als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder a Sr zijn tenlastegelegd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, nu er geen aanwijzingen zijn dat de geldbedragen ten aanzien waarvan verdachte verhullingshandelingen heeft verricht uit misdrijf afkomstig waren, niet is bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

5.2.3.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten

De rechtbank gaat op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

Algemeen

Op 2 januari 2004 is verdachte opgericht, met als rechtsvorm ‘private company limited by shares’, en is geregistreerd op Gibraltar. Enig aandeelhouder is volgens de inschrijving in het handelsregister van [ondernemingsnaam] , woonachtig in Oezbekistan. Zij is eveneens sinds 11 februari 2005 enig bestuurder van verdachte.2 Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat [ambtenaar] feitelijk de eigenaar en enig uiteindelijk gerechtigde is van verdachte en dat zij, als eerste de dochter van de president van Oezbekistan, invloed uitoefent op de Oezbeekse telecommarkt.3 Voorts was zij vanaf 1 september 2008 tot en met april 2012 namens de Oezbeekse overheid aangesteld als Permanent Vertegenwoordiger bij het kantoor van de Verenigde Naties te Zwitserland.4

[bedrijf 2] 5

Op 13 december 1985 is [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) opgericht en gevestigd in Nederland. [bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [bedrijf 5] . Deze dochteronderneming is op 27 september 2000 opgericht en statutair gevestigd in Rotterdam. [bedrijf 5] heeft in 2007 de Amerikaanse telecomprovider [telecomprovider] overgenomen, inclusief de dochteronderneming [dochteronderneming 1] (hierna: [dochteronderneming 1] ). [telecomprovider] was – via [dochteronderneming 1] – als telecomprovider actief op de telecommarkt in Afghanistan, Oezbekistan en Tadzjikistan. Door deze overname is [bedrijf 5] toegetreden tot de Oezbeekse telecommarkt.

[bedrijf 5] bezit 0,03% van de aandelen in [dochteronderneming 1] en heeft in 2007 een dochteronderneming, [bedrijf 2] , opgericht die de overige 99,97% aandelen [dochteronderneming 1] bezit. De activiteiten op de Oezbeekse telecommarkt vinden plaats vanuit de vennootschap [dochteronderneming 1] onder de merknaam [merknaam] .6

Voor de totstandkoming van de overname van [telecomprovider] / [dochteronderneming 1] en de verkrijging van telecomlicenties voor Oezbekistan, moest [bedrijf 5] in contact komen met ‘President [ambtenaar] ’s circle’. Ten behoeve van de overname moest immers politieke steun verkregen worden van de ‘ [ambtenaar] ’. Deze steun, en daarmee de instemming voor de overname, werd verkregen door met [persoon 1] ( [ambtenaar] ’s vertegenwoordiger op de Oezbeekse telecommarkt en gerechtigd tot bankrekeningen van verdachte7) een overeenkomst ‘ter oprichting van een partnerschap’ te sluiten.8

Op 4 juli 2007 is met [bedrijf 5] (na 1 augustus 2007: [bedrijf 5] ) een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer in dat in een nader aan te wijzen ‘ [partner bv] ’ 26 procent aandelen [bedrijf 2] worden ondergebracht en dat deze [partner bv] , door het inroepen van een put-optie, na 1 januari 2010 deze aandelen kan terug verkopen aan [bedrijf 2] . Voorts is overeengekomen dat de [partner bv] een 100 procent dochter zal oprichten die een 3G-licentie, frequenties en nummerblokken zal verwerven. Bij de uitvoering van deze overeenkomst is verdachte aangewezen als de ‘ [partner bv] ’.9 Uit de verklaring van [persoon 1] volgt dat deze overeenkomst resultaat is van de verlangens van [ambtenaar] en dat verdachte deed voorkomen dat zij een machtige investeringsmaatschappij in telecommunicatie was, maar feitelijk slechts diende om voor [ambtenaar] bestemde betalingen in ontvangst te nemen.10

Nadat de overeenkomst tussen [bedrijf 5] en de ‘ [partner bv] ’ was gesloten, is op 16 juli 2007 – twaalf dagen later – door [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), werkzaam bij [bedrijf 2] , gemeld dat de overname van [telecomprovider] / [dochteronderneming 1] rond was.11

Op 10 september 2007 is door verdachte een 100 procent Oezbeekse dochteronderneming opgericht, genaamd [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ). [ondernemingsnaam] staat geregistreerd als CEO en vertegenwoordiger van [bedrijf 6] . [bedrijf 6] heeft op 19 september 2007 licenties aangevraagd voor mobiele telecommunicatie in Oezbekistan. Op 27 september 2007 zijn deze telecomlicenties aan [bedrijf 6] toegewezen door de directeur van de Uzbek Agency for Communications and Information , het Oezbeekse Agentschap voor communicatie en automatisering (hierna: UzACI).12

Op 17 december 2007 is tussen [bedrijf 2] en verdachte een overeenkomst gesloten met betrekking tot een 3G-licentie, frequenties en nummerblokken in Oezbekistan. Hierin is onder meer bepaald dat verdachte betaald zal krijgen voor het doen van afstand van de door [bedrijf 6] verkregen 3G-licentie, frequenties en nummerblokken en het toewijzen van deze rechten aan [dochteronderneming 1] door UzACI.13

Tussen [bedrijf 5] en verdachte is vervolgens op 24 december 2007 te Rotterdam overeengekomen dat verdachte 26 procent van de aandelen van [bedrijf 2] in bezit krijgt tegen een prijs van $ 50.000.000,- en dat deze aandelen later worden teruggekocht.14

Op 27 december 2007 heeft [persoon 3] documenten ontvangen die bevestigen dat [dochteronderneming 1] voor de Oezbeekse telecommarkt de 3G-licentie, frequenties en nummerblokken heeft ontvangen.15 Op dezelfde dag heeft [bedrijf 1] , namens [bedrijf 2] , een betaling gedaan van $ 80.000.000,- op een bankrekening van verdachte in Letland.

De aandelenoverdracht van 26 procent aandelen in [bedrijf 2] is op 23 februari 2009 verleden voor mr. [naam 3] , notaris te Rotterdam.16

In de tweede helft van december 2009 heeft verdachte aan [bedrijf 2] verzocht om alle of een deel van de aandelen [dochteronderneming 1] terug te kopen. Op 18 januari 2010 heeft [bedrijf 2] haar CEO opgedragen om 20 procent van de aandelen terug te kopen voor een prijs van $ 220.000.000,-. Volgens [bedrijf 2] waren deze aandelen $ 196.000.000,- waard; het meerdere was zij bereid te betalen ter wille van het voortduren van haar relatie met haar Uzbeekse partner.

Op 25 januari 2010 is de terugkoopovereenkomst met verdachte gesloten. De aandelenoverdracht is vervolgens op 1 februari 2010 voor dezelfde notaris te Rotterdam verleden. De terugkoop van de aandelen is betaald door [bedrijf 1] en het bedrag van

$ 220.000.000,- is via een derdengeldrekening van de genoemde notaris overgemaakt naar een bankrekening van verdachte in Hongkong. Per saldo heeft verdachte zodoende voor de aandelen een bedrag van $ 170.000.000,- ($220.000.000,- - $ 50.000.000,-) van [bedrijf 2] ontvangen.17

[bedrijf 3] / [bedrijf 4] 18

[bedrijf 3] is een in Nederland gevestigde, buitenlandse [bedrijf 7] , statutair gezeteld in Bermuda.19 [bedrijf 3] heeft twee Oezbeekse telecomproviders gekocht, te weten [holding ] , inclusief haar dochteronderneming [dochteronderneming 2] , en [dochteronderneming 3] , inclusief haar dochteronderneming [dochteronderneming 4] .20

Halverwege 2011 is binnen [dochteronderneming 2] interesse ontstaan voor het verkrijgen van een LTE-licentie (4G) voor Oezbekistan. Op 10 juni 2011 is hiertoe een businessplan opgesteld. Het plan omvat een korte analyse van de telecommarkt in Oezbekistan en de conclusie dat de Oezbeekse markt een groot potentieel heeft in het mobiele segment. Ook staat er in dit plan dat er voor [dochteronderneming 2] een LTE-licentie beschikbaar is, tegen een prijs van $ 30.000.000,-. De betaling van dit geldbedrag moet plaatsvinden vanuit [bedrijf 4] , opgericht door [bedrijf 3] .

Op 19 september 2011 is tussen [bedrijf 4] en verdachte een overeenkomst opgesteld21, waarin onder meer is opgenomen dat verdachte diensten gaat leveren ten behoeve van enkele LTE-frequenties voor [dochteronderneming 2] . Verdachte zal [dochteronderneming 2] advies geven over het wettelijk kader in Oezbekistan met betrekking tot het toewijzen van frequenties en namens [dochteronderneming 2] onderhandelen met de competente Oezbeekse overheidsorganen. In de overeenkomst is tevens opgenomen dat er geen directe relatie bestaat tussen verdachte en een overheidsfunctionaris en dat geen sprake zal zijn van omkoping.22

Voorafgaand aan de definitieve versie van de overeenkomst van 19 september 2011 is uitvoerig overleg geweest met in Nederland werkzame medewerkers van [bedrijf 3] over de door verdachte gestelde voorwaarden.23

Op 20 september 2011 heeft [bedrijf 4] $ 20.000.000,- van [bedrijf 3] ontvangen dat zij een dag later, op 21 september 2011 vanaf haar Nederlandse bankrekening heeft overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening van verdachte, met daarbij een verwijzing naar de overeenkomst tussen [bedrijf 4] en verdachte van 19 september 2011.

Op 17 oktober 2011 heeft [dochteronderneming 2] de gevraagde frequenties toegewezen gekregen. Op 19 oktober 2011 heeft [bedrijf 4] $ 10.000.000,- van [bedrijf 3] ontvangen dat zij nog dezelfde dag vanaf haar Nederlandse bankrekening heeft overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening van verdachte, met daarbij opnieuw een verwijzing naar de overeenkomst tussen [bedrijf 4] en verdachte van 19 september 2011.24

5.2.3.1. Nadere overweging ten aanzien van het onder 1 cumulatief/alternatief ten laste gelegde, tweede en derde gedachtestreepje

Uit de bewijsmiddelen volgt dat telecomprovider [bedrijf 5] voor toetreding tot de Oezbeekse telecommarkt bewust contact heeft gezocht met de Oezbeekse president, dan wel mensen om hem heen. Dit heeft geresulteerd in onderhandelingen met [persoon 1] , die daarbij optrad namens de dochter van de president, [ambtenaar] .

Deze onderhandelingen hebben ertoe geleid dat tussen [bedrijf 5] en/of [bedrijf 2] overeenkomsten zijn gesloten met een door [persoon 1] aangewezen ‘ [partner bv] ’, te weten verdachte. Verdachte is echter zelf niet actief in de Oezbeekse telecomsector. De feitelijke eigenaar van verdachte is [ambtenaar] . [ambtenaar] wordt door de rechtbank gezien als een hoge regeringsfunctionaris, nu zij feitelijk zeggenschap had over overheidsorganen in Oezbekistan, onder meer werkzaam op de telecommarkt. Zij kan daarom als ambtenaar in de zin van artikel 363 juncto 364a Sr worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor besproken bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, verdachte zich tezamen en in vereniging met [ambtenaar] schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping. Verdachte heeft ten gunste van [ambtenaar] , zo volgt uit het voorgaande, de aandelentransactie bedongen van [bedrijf 5] in ruil voor haar, voor het verkrijgen van de licentie, frequenties en nummerblokken in Oezbekistan, onontbeerlijke steun. Dat volgt onder meer ook uit het tijdsverloop tussen het afsluiten van de overeenkomsten, het overmaken van de geldbedragen en het verkrijgen van de telecomlicenties voor Oezbekistan.

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, derde gedachtestreepje, volgt uit de bewijsmiddelen dat de marktwaarde van de door [bedrijf 5] teruggekochte aandelen $ 196.000.000,- bedroeg, maar dat in het belang van het voortduren van de samenwerking met [ambtenaar] hiervoor $ 24.000.000,- meer is betaald. Dit door verdachte aangenomen geldbedrag moet eveneens worden gezien als gift van [bedrijf 2] aan verdachte en [ambtenaar] , kennelijk met als doel om gebruik te kunnen blijven maken van telecomfrequenties in Oezbekistan.

Derhalve acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen en vereniging met [ambtenaar] schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping, zoals ten laste gelegd onder 1 tweede cumulatief/alternatief, tweede en derde gedachtestreepje.

5.2.3.2. Nadere overweging ten aanzien van het onder 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Als gezegd is op 19 september 2011 is tussen verdachte en [bedrijf 4] een contract gesloten volgens welk verdachte zekere diensten aan [bedrijf 3] zou verlenen. Daarover is tussen [ondernemingsnaam] , in haar hoedanigheid van directeur van verdachte, en [persoon 4] , vicepresident bij [bedrijf 3] , contact geweest en voorts is over de inhoud van het contract uitvoerig overlegd door verdachte met in Nederland werkzame medewerkers van [bedrijf 3] .

Uit de bewijsmiddelen volgt dat, anders dan de overeenkomst doet voorkomen, de overeenkomst tussen verdachte en [bedrijf 4] is bedoeld om de ontvangst van geldbedragen van [bedrijf 3] – via [bedrijf 4] en verdachte – aan [ambtenaar] te verhullen, ten behoeve van de toewijzing van de LTE-licentie in Oezbekistan aan een dochteronderneming van [bedrijf 3] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte, tezamen en in vereniging met [bedrijf 3] , deze overeenkomst valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken.

Het onder 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde,

in de periode tussen 24 december 2007 tot en met 28 februari 2010 in Rotterdam, tezamen en in vereniging met een buitenlandse ambtenaar, [ambtenaar] , dochter van de president van Oezbekistan en namens de Oezbeekse overheid aangesteld als Permanent Vertegenwoordiger bij het kantoor van de Verenigde Naties te Zwitserland,

middellijk of onmiddellijk giften, te weten:

- zesentwintig procent (26 %) van de aandelen in [bedrijf 2]

en

- de betaling van een geldbedrag van in totaal USD 220.000.000

hebben aangenomen van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]

wetende dat deze giften hem, [verdachte] . en verdachtes mededader, [ambtenaar] , gedaan werden, teneinde [ambtenaar] te bewegen om, in strijd met haar plicht, in haar bediening iets de doen,

bestaande het doen in strijd met haar plicht hierin dat zij, verdachtes mededader [ambtenaar] ,

een ambtenaar van de Uzbek Agency for Communications and Information (UzACI) zou bewegen tot het op andere dan zakelijke gronden

- [dochteronderneming 1] , Oezbeekse dochtermaatschappij van [bedrijf 2] , in de gelegenheid te stellen gebruik (te blijven) maken van telecom frequenties in Oezbekistan;

ten aanzien van het onder 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde,

in de periode van 1 juni 2011 tot en met 19 september 2011 in Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een geschrift, te weten:

- de overeenkomst 'Relating to certain 2500MHz-2700MHz and 800MHz/ LTE Frequencies in Uzbekistan' d.d. 19 september 2011, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en zijn mededader in die overeenkomst valselijk en in strijd met de waarheid hebben opgenomen, dat

- [verdachte] . de in de overeenkomst genoemde diensten zal leveren en [bedrijf 4] voor deze diensten in totaal 30 miljoen USD zal betalen (20 miljoen op voorhand en 10 miljoen na geleverde diensten)

(Paragraaf 2.2: "The total aggregate consideration to be paid by ACQUIRER to [verdachte] for the Services shall be equal to US$ 30,000,000.00 (thirty million) (the "Consideration"). The ACQUIRER shall pay to [verdachte] : (a) US$20,000,000.00 as an advance payment within 7 (seven) days of receiving the invoice issued by [verdachte] ; (b) US$10,000,000.00 within 7 (seven) days of receiving the invoice issued by [verdachte] and executing by the both Parties of the Service Acceptance Act.")

- [verdachte] . op professionele en legale wijze diensten zal verlenen

(paragraaf 1.2: " [verdachte] shall provide its services in a professional manner using properly qualified individuals. Providing its Services [verdachte] shall: a) apply reasonably required care and professional skills; b) act in compliance with ACQUIRER's instructions; c) act in compliance with all applicable laws")

- Er geen directe dan wel indirecte relatie bestaat tussen [verdachte] . en een overheidsfunctionaris (paragraaf 3.3 (c) " [verdachte] affirms that no Government Official has any ownership or financial interest, direct or indirect, in the contractual relationship established by this Agreement." paragraaf 3.3 (d) " [verdachte] affirms that no employee, officer, or director of [verdachte] is a Government Official.")

- Er geen sprake zal zijn van omkoping (paragraaf 3.3 (b): "It is the intent of the Parties that no payments or transfers of value shall be made which have the purpose or effect of public or commercial bribery, acceptance of or acquiescence in extortion, kickbacks or other unlawful or improper means of obtaining business.")

terwijl in werkelijkheid de genoemde geldbedragen aan [verdachte] werden betaald om een overheidsfunctionaris in Oezbekistan te bewegen tot het verstrekken van LTE frequenties aan [dochteronderneming 2] , dochteronderneming van [bedrijf 3] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen

9.1.

De eis van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat oplegging van de maximale geldboete van de zesde categorie voor alle feiten gepast en geboden is. Zij hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 4.740.000,- en verbeurdverklaring van de 6 procent aandelen van verdachte in [bedrijf 2] .

9.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met [ambtenaar] schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping. Hiertoe hebben verdachte en [ambtenaar] aandelen en steekpenningen aangenomen van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 5] , in ruil voor toewijzing van 3G-licenties, telecomfrequenties en nummerblokken in Oezbekistan.

Ook heeft verdachte tezamen en in vereniging met [bedrijf 3] valsheid in geschrift gepleegd door een valse overeenkomst op te stellen om te verhullen dat laatstgenoemde haar steekpenningen betaalde.

Het beschermd rechtsgoed is bij de strafbaarstelling van ambtelijke corruptie gelegen in het publieke vertrouwen in de objectiviteit en zakelijkheid van beslissingen van ambtenaren. De wetgever merkt in dit verband op dat het aannemen van geschenken door ambtenaren het algemeen vertrouwen schokt, het gezag en de waardigheid van de stand, waartoe een ambtenaar behoort, knakt en bij het publiek de mening veld doet winnen dat zodanige middelen nodig zijn om een ambtenaar te nopen tot het vervullen van zijn plicht. Daarnaast kan het effectief functioneren van de overheid in gevaar komen en de loyaliteit van het ambtenarenapparaat worden aangetast.

Verdachte is medepleger van passieve omkoping, gepleegd door [ambtenaar] , die door de rechtbank beschouwd wordt als een Oezbeekse ambtenaar. Door dit medeplegen, dat deels in Nederland heeft plaatsgevonden en waarbij in Nederland gevestigde vennootschappen als actieve omkopers zijn betrokken, faciliteert verdachte een wijze van zakendoen die, gezien de daarmee gemoeide bedragen, maatschappelijk buitengewoon ontwrichtend is en waardoor een eerlijk internationaal handelsverkeer ernstig wordt belemmerd. De maatschappelijke impact van deze ambtelijke corruptie maakt een hoge geldboete passend en geboden. Gezien het karakter van de omkopingen, het daarmee gepaard gaande machtsmisbruik en de enorme geldbedragen die ermee gemoeid zijn, acht de rechtbank, met het openbaar ministerie, oplegging van de maximale geldboete van de zesde categorie gepast en geboden.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- 1080 STK aandelen op naam, nrs 3601 t/m 4680, [bedrijf 2]

Verbeurdverklaring

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Verdachte kan deze voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu deze voorwerpen uit de baten van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte zijn verkregen, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24a, 33, 33a, 47, 51, 57, 225 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief, eerste gedachtestreepje ten laste gelegde, alsook het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Verklaart het onder 4 tweede cumulatief/alternatief en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde:

medeplegen van het als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 4 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde:

medeplegen van valsheid in geschrift

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.580.000,-.

Verklaart verbeurd:

- 1080 STK Aandelen op naam, nrs 3601 t/m 4680, [bedrijf 2]

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. B. Vogel en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2016.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in het dossier van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documentnummers in het dossier.

2 52260-D-0078.

3 52260-D-0698 (A), 52260-D-0700 (A) en 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 11-22.

4 AH-036 en 52260-D-0614.

5 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping.

6 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 50.

7 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 4.

8 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 14 en 53559: D-0582, D-0388, D-0389, D-0394, D-0050, D-0568, D-0397, D-0146, D-0396, D-0590.

9 53559-D-0410 en 56256-1-PV zaaksproces-verbaal omkoping, p. 56.

10 Verhoor [persoon 1] van 15 oktober 2014.

11 53559-D-0412.

12 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 10.

13 53559-D-0424.

14 53559-D-0172.

15 53559: D-0175/D-0176 en D-0177.

16 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 58 en 53559-D-0510.

17 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 58-60, 53559-D-0483 en D-0330.

18 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping.

19 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 26-27.

20 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 27.

21 52260-D-0234.

22 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 45-47.

23 52260-D-0218 (A), D-0216, D-0217, D-0225 en D-0226.

24 56256-1-PV Zaaksproces-verbaal omkoping, p. 45-47.