Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4299

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
AWB 16/258 en 16/305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van 116 short-stay appartementen en tien parkeerplaatsen op eigen terrein (De Wittenberg). Beoogd gebruik; (on)mogelijkheid tot handhaving valt buiten de omvang van het geding; goede ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/258 en AMS 16/305

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2016 in de zaken tussen

AMS 16/258

de besloten vennootschap Zoku Amsterdam B.V., eiseres 1,

de besloten vennootschap HeRaSi Properties B.V., eiseres 2,

beiden statutair gevestigd te Amsterdam ,

gemachtigde mr. M.A. Grapperhaus

en

AMS 16/305

[eiseres 3] , eiseres 3, wonende te Amsterdam ,

Plantage-Weesperbuurt overleg, eiseres 4, te Amsterdam ,

vertegenwoordigd door [naam ] .

tegen

het college van burgemeester en wethouderes van de gemeente Amsterdam, verweerder

gemachtigde mr. R. Verduijn.

Tevens heeft als derde-partij aan het geding deelgenomen:

de Evangelisch-Lutherse Diaconie Oude Mannen en Vrouwenhuis ( de Diaconie ), vergunninghouder,

gemachtigden mr. G.I. Beij en mr. M.H. Rijntjes.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2015 (het bestreden besluit I) heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van Stadsdeel Centrum (het algemeen bestuur) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw Nieuwe Keizersgracht 570 / Nieuwe Kerkstraat 159 te Amsterdam (hierna: De Wittenberg ), voor het realiseren van 116 short-stay appartementen en tien parkeerplaatsen op eigen terrein, met bijbehorende afwijkingen van het bestemmingsplan “ Oostelijke Binnenstad ”.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 maart 2016 (het bestreden besluit II) heeft het algemeen bestuur namens verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning gelijkluidend aan het bestreden besluit I verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016, waar de zaken tegelijkertijd met de beroepszaak van vergunninghouder geregistreerd onder AMS 15/7746 zijn behandeld. Het onderzoek ter zitting is in de voorliggende zaken gesloten, terwijl het onderzoek in AMS 15/7746 ter zitting is geschorst.

Namens eiseres 1 en eiseres 2 is gemachtigde M. Jongerius verschenen, ter zitting bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Eiseres 3 is in persoon verschenen. Namens eiseres 4 zijn verschenen [eiseres 3] en [naam 1] , voorzitter van het Plantage-Weesperbuurt overleg. Namens vergunninghouder zijn verschenen [namen] , bijgestaan door bovengenoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 13 maart 2015 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor De Wittenberg . De aangevraagde activiteiten betreffen het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2. Bij het bestreden besluit I heeft het algemeen bestuur aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met deze omgevingsvergunning kunnen in De Wittenberg 116 short-stay appartementen en tien parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. In de vergunning is vermeld dat hiervan geen gebruik kan worden gemaakt wanneer geen vergunning wordt verleend voor de woningonttrekking. Deze separate vergunning is volgens verweerder vereist voor het gebruik van het gebouw als short-stay.

3. Eiseressen 3 en 4 hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het bestreden besluit I voor zover dat ziet op het realiseren van de tien parkeerplaatsen op eigen terrein. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 16 februari 2016 afgewezen (zaaknummer AMS 16/276).

4. Voorafgaand aan de zitting van 31 maart 2016 is verweerder gebleken dat het bestreden besluit I van een onjuiste ondertekening was voorzien. Bij het bestreden besluit II heeft het algemeen bestuur daarom namens verweerder een gelijkluidende omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend.

5. Eiseressen 1 en 2 zijn het, zeer kort samengevat, niet eens met de verleende omgevingsvergunning voor zover deze ziet op het realiseren van de short-stay appartementen in (en op de begane grond van) De Wittenberg . Eiseressen 3 en 4 komen op tegen de omgevingsvergunning voor zover deze het realiseren van tien parkeerplaatsen op eigen terrein mogelijk maakt.

De bevoegdheid van verweerder

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een gewijzigd, maar inhoudelijk gelijkluidend besluit heeft genomen. Gesteld noch gebleken is van enig belang van eiseressen bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. De rechtbank zal de beroepen tegen het bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren. De beroepen worden op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege gericht geacht tegen het bestreden besluit II.

6.2.

Niet in geschil is dat het algemeen bestuur bevoegd is om namens verweerder te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals in het voorliggende geval. Met het bestreden besluit II is het bevoegdheidsgebrek dat aan het bestreden besluit I kleefde (de onjuiste ondertekening) dan ook hersteld.

Belanghebbenden bij het bestreden besluit II

7.1.

De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of alle eiseressen als belanghebbende kunnen worden aangemerkt en in hun beroepen kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

7.2.

Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres 1 en eiseres 2, respectievelijk exploitant en eigenaar van het nabijgelegen Metropoolgebouw , vanaf hun bedrijfslocatie zicht hebben op De Wittenberg . Eiseres 3 heeft vanuit haar woning eveneens zicht op De Wittenberg , zodat zij naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom alle drie als belanghebbenden zijn aan te merken.

7.3.

Eiseres 3 heeft haar beroepschrift mede namens eiseres 4 en ‘omwonenden’ ingediend. Het beroepschrift is bovendien medeondertekend door de voorzitter van eiseres 4, de heer [naam 1] . Ten aanzien van eiseres 4 staat vast dat zij geen bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is en ook niet beschikt over statuten. Beoordeeld moet daarom worden of het Plantage-Weesperbuurt overleg is aan te merken als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek.

7.4.

Volgens vaste rechtspraak is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid wanneer voldaan is aan de cumulatieve vereisten dat (1) er een ledenbestand is (2) het om een organisatorisch verband gaat dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht (3) de organisatie als een eenheid dient deel te nemen aan het rechtsverkeer (zie bij wijze van voorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 maart 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2008:BC6406 en van
8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2141).

7.5.

De rechtbank stelt vast dat eiseres 4 niet voldoet aan de vereisten om aangemerkt te worden als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid reeds omdat eiseres niet beschikt over een ledenbestand. Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat eiseres 4 niet als belanghebbende bij het bestreden besluit II kan worden aangemerkt. Omdat [naam 1] de zienswijze en het verzoek aan de rechtbank uitdrukkelijk namens het overleg heeft ingediend, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de heer [naam 1] in persoon als belanghebbende aan te merken. Het beroep van eiseres 4 tegen het bestreden besluit II zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.6.

Ten aanzien van de ‘omwonenden’ genoemd in het beroepschrift van eiseres 3 overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak volgt uit de in de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb neergelegde regeling betreffende de termijn voor het indienen van beroep, dat de identiteit van degene voor wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar dient te zijn. Indien beroep wordt ingesteld namens een persoon wiens identiteit tijdens de beroepstermijn niet kenbaar is, kan dit verzuim niet met toepassing van artikel 6:6 van de Awb worden hersteld, nu daarmee de beroepstermijn zonder verschoonbare reden zou worden verlengd. Omdat eiseres 3 op de laatste dag van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld, zonder dat daarbij de identiteit (de namen en adresgegevens) kenbaar zijn gemaakt van degenen namens wie zij beroep wenst in te stellen, kunnen deze omwonenden niet geacht worden beroep te hebben ingesteld.

7.7.

De rechtbank overweegt verder dat achter het beroepschrift van eiseres 3 een briefje is gevoegd voorzien van de naam Plantage Weesperbuurt Vereniging, het adres van deze vereniging en een handtekening. Ter zitting heeft eiseres 3 toegelicht dat zij dit briefje heeft bijgevoegd ter medeondertekening van het beroepschrift. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat dit briefje met handtekening echter niet voor de vaststelling dat namens de vereniging beroep is ingesteld. Nog daargelaten dat eiseres 3 deze vereniging niet met naam en toenaam heeft genoemd in haar beroepschrift, blijkt uit dit schriftuur evenmin wie de handtekening heeft gezet en wat daarmee is beoogd. De toelichting van de heer [naam ] ter zitting dat het zijn handtekening betreft, is daarvoor onvoldoende. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat deze vereniging geen zienswijze heeft ingediend als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb en alleen al om die reden niet in beroep zou kunnen worden ontvangen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het beroepschrift van eiseres 3 als mede namens de vereniging ingediend te beschouwen.

Inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen het bestreden besluit II

8.1.

Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “ Oostelijke Binnenstad ” van toepassing. De locatie heeft twee bestemmingsvlakken. De hoofdbebouwing ( Nieuwe Keizersgracht 570 en Nieuwe Kerkstraat 159 ) heeft de bestemming Gemengd-1 met een nadere aanduiding Orde-1. De portiersruimte heeft de bestemming Gemengd-1 met een nadere aanduiding Orde-2. De hof met daarop tien parkeerplaatsen heeft de bestemming Tuin-1. Verder is de Nieuwe Kerkstraat aangewezen als detailhandelslint plus.

8.2.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

8.3.

Naar vaste rechtspraak van de Afdeling is de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan een bevoegdheid van verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft. De bestuursrechter dient die beslissing terughoudend te toetsen. Dat wil zeggen dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om het afwijkende gebruik toe te staan heeft kunnen komen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1813.

AMS 16/258

9.1.

Vergunninghouder heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb aan een inhoudelijke toetsing van de beroepsgronden van eiseressen 1 en 2 in de weg staat. Zoals eiseressen ter zitting hebben toegelicht bevat de aanvraag om een omgevingsvergunning een verkapt verzoek om De Wittenberg als hotel te gebruiken en is short-stay vergund zonder dezelfde voorwaarden te stellen die aan eiseressen 1 en 2 zijn gesteld. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732 kort gezegd overwogen dat toepassing van het relativiteitsvereiste gecorrigeerd moet worden bij een geslaagd beroep door een concurrent op bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat eiseressen 1 en 2 destijds een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruik van het Metropoolgebouw als hotel hebben ingediend en verkregen. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend en verkregen voor het gebruik van De Wittenberg als short-stay appartementen. Dat aan het gebruik van het Metropoolgebouw als hotel andere voorwaarden zijn verbonden dan aan het bestreden besluit II, levert naar het oordeel van de rechtbank geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel op. Dat betekent dat geen correctie op het relativiteitsvereiste dient te worden gemaakt. Desondanks slaagt ook het beroep van vergunninghouder op toepassing van het relativiteitsvereiste niet, nu - zoals onder 7.2. al is overwogen - eiseressen 1 en 2 met hun bedrijfslocatie in de nabijheid van De Wittenberg zijn gevestigd. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiseressen 1 en 2 daarom inhoudelijk beoordelen.

9.2.

Eiseressen 1 en 2 voeren in beroep aan dat verweerder geen omgevingsvergunning had mogen verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de gronden als short-stay. Eiseressen 1 en 2 betogen daartoe primair dat vergunninghouder blijkens de aanvraag niet heeft beoogd om De Wittenberg te gebruiken als short-stay locatie (woonfunctie), maar voor de zakelijke/toeristische verhuur (hotelfunctie). Verweerder had de aanvraag dan ook moeten beoordelen op basis van hetgeen feitelijk is aangevraagd.

9.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1912) wordt in beginsel op de aanvraag beslist. Het in de aanvraag opgegeven gebruik is als het ware het vertrekpunt van de beoordeling. Bij de beantwoording van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, dient niet alleen te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik vormt op voorhand een reden tot weigering, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Slechts indien het bestuursorgaan beschikt over concrete aanwijzingen op grond waarvan redelijkerwijs valt aan te nemen dat het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, kan het de aanvraag op die grond weigeren.

9.4.

Short-stay is het structureel aanbieden van zelfstandige woonruimte voor tijdelijke bewoning aan één huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste één week (zeven nachten) en maximaal zes maanden. Volgens het bestemmingsplan is short-stay toegestaan waar de bestemming gemengd-1 geldt, maar niet waar de toegevoegde bestemming detailhandelslint plus geldt. Een hotelfunctie is in het geheel niet toegestaan op het perceel.

9.5.

Vastgesteld wordt dat vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het gebruik van De Wittenberg als short-stay appartementen. Vergunninghouder heeft het tijdelijk gebruik van de appartementen voor een periode van tenminste één week en ten hoogste zes maanden verankerd in een huurovereenkomst met de exploitant. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvraag om een omgevingsvergunning geen concrete aanwijzingen naar voren komen op grond waarvan valt aan te nemen dat het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Dat het volgens eiseressen 1 en 2 ongebruikelijk is dat een short- stay locatie een 24-uurs receptie heeft, valt naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een concrete aanwijzing dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9.6.

Eiseressen 1 en 2 hebben verder aangevoerd dat als de short-stay appartementen in strijd met de bestemming toch als toeristische verhuur worden gebruikt, dit nauwelijks te handhaven valt. Ter zitting hebben eiseressen toegelicht dat zij hiermee bedoelen dat bestuursorganen aan de poort moeten doorvragen en streng moeten zijn.

9.7.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2732, dat de vrees van eiseressen 1 en 2 dat de short-stay appartementen niet overeenkomstig de vergunning zullen worden gebruikt, maar voor toeristische verhuur, geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de verleende vergunning, maar op de naleving en handhaving van de vergunning. Hoe verweerder die naleving van de vergunning zal controleren en eventueel strijdig gebruik zal handhaven valt naar het oordeel van de rechtbank daarom buiten de omvang van het geschil. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9.8.

Eiseressen 1 en 2 hebben verder, kort samengevat, aangevoerd dat short-stay in de plint van het gebouw aan de Nieuwe Kerkstraat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eiseressen hebben er daarbij op gewezen dat het quotum voor short-stay in de binnenstad al is bereikt.

9.9.

Verweerder heeft in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het bestreden besluit II het volgende overwogen ten aanzien van het gebruik van de eerste bouwlaag van het pand aan de Nieuwe Kerkstraat als short-stay:

“In de bestaande situatie zijn er in het souterrain en bel-etage respectievelijk een kelderruimte en een keuken gevestigd. Direct grenzend aan de straat bevinden zich zowel in het souterrain als op de beletage een trap en een verkeersruimte. De trap dient te worden gehandhaafd omdat deze een onderdeel van het monument vormt.

Door de aanwezigheid van de tuinmuur en de gesloten plint/tuinmuur van het tegenover gelegen Sarphatihuis aan de overzijde zorgen er voor dat dit deel van de Nieuwe Kerkstraat niet veel gebruikt wordt door passanten. Dit stukje gevel, met een gevellengte van 7,00 meter ligt in de periferie van de straat. Zowel ruimtelijk als economisch zal een winkel of andere publieksfunctie op deze locatie niet goed kunnen functioneren.

Het college van B&W is bereid om af te wijken van het bestemmingsplan. De aanwijzing tot detailhandelslint-plus is gelet op de huidige bebouwingssituatie moeilijk vol te houden immers:

- Een groot deel van de gevel grenzend aan de Nieuwe Kerkstraat bestaat uit een tuinmuur waardoor deze locatie in de periferie van de Nieuwe Kerkstraat ligt;

- De entree en de daar achter liggende ruimtes zijn niet geschikt en door de monumentale status ook niet geschikt te maken voor een winkel of andere zelfstandige functie;”

In het verweerschrift heeft verweerder verder toegelicht dat ingevolge het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe woningen in de plint (het deel van De Wittenberg gelegen op de begane grond aan de Nieuwe Kerkstraat ) niet is toegestaan. De aanwezigheid van de tuinmuur en de gesloten plint en tuinmuur van het tegenover gelegen Sarphatihuis maakt volgens verweerder dat dit deel van de Nieuwe Kerkstraat niet veel gebruikt wordt door passanten. Deze plint zal volgens verweerder op deze locatie zowel ruimtelijk als economisch niet goed kunnen functioneren. Om die reden bestaat de bereidheid van de geldende bestemming af te wijken. Daarbij is er volgens verweerder voor gekozen aan te sluiten bij de mogelijkheden van de overige bebouwing ter plaatse, door ook hier wonen/short-stay toe te staan. Aansluiting bij de bestemming van de omliggende bebouwing is in het belang van een goede ruimtelijke ordening te achten, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder bovendien nog toegelicht dat het short-stay quotum alleen geldt daar waar sprake is van woningonttrekking. Aangezien in de plint van De Wittenberg geen woningen waren gevestigd, is geen sprake van woningonttrekking en wordt het quotum niet overschreden.

9.10.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eiseressen 1 en 2, gelet op het voorgaande, niet worden gevolgd in hun stellingen dat het bestreden besluit II in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het short-stay beleid. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van woningonttrekking in de plint en overschrijding van het short-stay quotum. Voorts heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing in samenhang bezien met de nadere motivering in het verweerschrift en de gegeven toelichting ter zitting toereikend gemotiveerd waarom er op dit punt van het bestemmingsplan is afgeweken. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

AMS 16/305

10.1.

Eiseres 3 heeft in beroep aangevoerd het niet eens te zijn met de in afwijking van het bestemmingsplan bij het bestreden besluit II verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van tien parkeerplaatsen op eigen terrein.

10.2.

De ruimtelijke onderbouwing die verweerder hiervoor in het bestreden besluit II heeft gegeven luidt als volgt:

- het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd is beneden de maximale norm zoals deze is opgenomen in het parkeerbeleid en is daarmee passend;

- de parkeerplekken worden gebuikt door met name de staf en in beperkte mate door de gasten. Indien de gasten tijdens hun verblijf gebruik maken van een auto zal men worden gestimuleerd deze te parkeren op de parkeerplekken bij de Universiteit van Amsterdam of Artis ;

- gezien het beperkte aantal parkeerplaatsen is geen sprake van verkeersaantrekkende werking met negatieve gevolgen voor de woon- en leefomgeving;

- doordat de entree gelegen is aan de Nieuwe Keizersgracht en het laden en lossen daar plaatsvindt en gescheiden van het parkeren geschiedt, worden eventuele opstoppingen aan de Nieuwe Kerkstraat voorkomen;

- de parkeerdruk in de Nieuwe Kerkstraat zal niet toenemen door de aanwezigheid van deze parkeerplaatsen;

- de parkeerplaatsen bevinden zich zo dicht als mogelijk bij de Nieuwe Kerkstraat , zodat het autoverkeer zich zoveel mogelijk concentreert aan de rand van de tuin en de hoeveelheid verharding van de tuin zo klein als mogelijk blijft;

- de hoeveelheid verharding in de tuin wordt niet vergroot ten opzichte van de huidige situatie, het bestaande groen in de tuin blijft gehandhaafd, de tuin wordt na oplevering van het gebouw opnieuw ingericht;

- de parkeerplaatsen bevinden zich op dezelfde locatie als de parkeerplaatsen die in het verleden door het verzorgingshuis zijn aangelegd en gebruikt, de parkeerplaatsen zijn voor zover is na te gaan minimaal dertig jaar bij het verzorgingshuis in gebruik geweest, de gemeente heeft deze situatie altijd toegestaan, zij het dat dit nooit heeft geleid tot een positieve bestemming in een bestemmingsplan.

10.3.

De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 16 februari 2016 overwogen, dat uit de ruimtelijke onderbouwing onweersproken blijkt dat de te realiseren parkeerplaatsen een zeer beperkt effect op de leefomgeving hebben, aangezien geen verkeersaantrekkende werking wordt verwacht en gasten worden gestimuleerd elders in de omgeving te parkeren. Verder blijkt volgens de voorzieningenrechter dat met de vergunning is beoogd een tientallen jaren voortdurende feitelijke situatie te legaliseren.

10.4.

Eerst ter zitting heeft eiseres 3 de ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit II weersproken. Volgens eiseres zal het parkeren in de binnentuin voor de omwonenden tot een ernstige toename van geluid- en stankoverlast leiden. Ter zitting heeft eiseres 3 zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het verleden al in de binnentuin van De Wittenberg werd geparkeerd. De door vergunninghouder overgelegde verklaring per e-mail van 18 november 2015 van [naam 2] , teamleider van [naam ] , acht zij daartoe onvoldoende.

10.5.

Zoals de rechtbank onder 8.3. heeft overwogen dient de bestuursrechter de beslissing van het bestuursorgaan om af te wijken van het bestemmingsplan terughoudend te toetsen.

De verklaring van [naam 2] luidt als volgt:

“De parkeerplaatsen op het terrein zijn in de periode dat ik bij Wittenberg werkte (vanaf dec 1986 tot sluiting) altijd als parkeerplaats gebruikt. Bij de invoering van het betaald parkeren werden er door de Gemeente geen vergunningen verleend op straat omdat wij over eigen parkeerplaatsen beschikte. Er werd een telling gehanteerd, bij zoveel medewerkers hoorde een aantal parkeerplaatsen. De getallen weet ik niet meer. We hebben toen 1 parkeervergunning voor de straat gekregen de rest moest dus op eigen terrein.”

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring, in samenhang bezien met de ter zitting getoonde foto’s, waarop verschillende parkeerhavens te zien zijn, de ruimtelijke onderbouwing van verweerder ondersteunt. Concrete aanwijzingen voor het tegendeel zijn niet door eiseres 3 ingebracht. Dat het parkeren in een binnentuin een (negatief) effect kan hebben op de woon- en leefomgeving van de omwonenden is niet in geschil. Dit effect is op zich echter onvoldoende om de ruimtelijke onderbouwing en daarmee het bestreden besluit II voor onjuist te houden. Verweerder heeft blijkens de ruimtelijke onderbouwing verschillende belangen meegewogen bij de beslissing om de afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Bovendien worden de belangen van de omwonenden in het parkeerbeleid geacht te zijn verdisconteerd. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont de ruimtelijke onderbouwing niet zodanige gebreken dat niet langer gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen afwijken van het bestemmingsplan.

Conclusie

11.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het bestreden besluit II kan dan ook in stand blijven. De beroepen van eiseres 1, eiseres 2 en eiseres 3 zijn ongegrond.

11.2.

In de omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit I hangende beroep heeft vervangen door het bestreden besluit II ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres 1 en 2 met hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

11.3.

Ten aanzien van eiseres 3 is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

11.4.

De rechtbank zal verweerder verder opdragen om aan eiseres 1, eiseres 2 en eiseres 3 het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart alle beroepen tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 4 tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen van eiseres 1, eiseres 2 en eiseres 3 tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres 1 en eiseres 2 te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiseres 3 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 en eiseres 2 tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter,
en mrs. L.H. Waller en P. Vrugt, leden,
in aanwezigheid van mr. S. Leijen-Westra, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2016.

de griffier

voorzitter

is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.