Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4050

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/13/593361 / FA RK 15-6391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, afwikkeling huwelijksvermogen naar Pools recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/593361 / FA RK 15-6391 en C/13/604580 / FA RK

16-1735 (KK/SM)

Beschikking van 29 juni 2016 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[verzoekster] , geboren [plaats] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.C.S. Vermeulen te Amstelveen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. S.L. Fronik te Amstelveen.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, voor zover van belang;

- het op 1 september 2015 binnengekomen verzoekschrift tot echtscheiding van de zijde van de vrouw;

- het op 27 oktober 2015 binnengekomen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de man;

- het verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens aanvulling op het verzoekschrift, van

20 november 2015 van de zijde van de vrouw;

- het op 11 mei 2015 binnengekomen F9-formulier met bijlage van de man;

- het op 13 mei 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de vrouw;

- het op 20 mei 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de vrouw.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 mei 2016.

Gehoord zijn: partijen, hun advocaten en een tolk Pools, [naam 1] .

2 De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] , [land] op [datum] .

Partijen hebben tezamen het navolgende nog minderjarige kind:

[kind 1] , geboren te [plaats] op [datum] .

Bij beschikking van 19 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat;

- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

- het minderjarige kind van partijen, [kind 1] , met onmiddellijke ingang aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- de man met ingang van heden € 141,-- per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen en te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders met ingang van heden aldus zal zijn dat: de vader de voornoemde minderjarige iedere dinsdag en donderdag bij zich heeft van 13.00 uur tot 17.00 uur één en ander conform de afspraken die zijn gemaakt met JBRA;

- de behandeling van het verzoek van de man betreffende de zorgregeling, pro forma wordt voortgezet op 31 augustus 2015, en houdt iedere verdere beslissing aan, waarbij partijen uiterlijk 27 augustus 2015 een rapportage van [naam 2] in het geding dienen te brengen, alsmede een schriftelijk bericht over de gewenste voortgang van de procedure;

- deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaart totdat hierop anders is beslist.

Voorts heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 14 oktober 2015 bepaald dat de in het kader van voorlopige voorzieningen de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zoals deze is vastgelegd in voornoemde beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 19 augustus 2015, zal worden gehandhaafd en zijn de verzochte voorzieningen voor het overige afgewezen.

3 De verzoeken en verweren

De vrouw verzoekt de rechtbank:

- om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- te bepalen dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij haar zal hebben;

- een zorgregeling vast te stellen aan de hand van een nader in te dienen voorstel;

- te bepalen dat de man, bij vooruitbetaling, een bijdrage van € 141,-- per maand zal voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [kind 1] ;

- te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is tot het gebruik en de bewoning van de echtelijke woning, gelegen aan de [straat] [plaats] , en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen conform hetgeen zij onder punt 10 tot en met 14 van haar verzoekschrift heeft gesteld.

De man verzoekt de rechtbank eveneens de echtscheiding uit te spreken. Hij voert geen verweer tegen de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en de door de vrouw verzochte kinderbijdrage. Voorts verzoekt de man de rechtbank bij wijze van zelfstandige verzoeken;

- de volgende zorg- en contactregeling tussen de man en [kind 1] vast te stellen;

  • -

    elke dinsdag van 14.00 uur tot 20.00 uur;

  • -

    elke donderdag van 12.00 uur tot 20.00 uur;

  • -

    ’s avonds als de vrouw moet werken;

  • -

    om de week het weekend van zaterdagochtend tot zondagavond;

  • -

    de helft van de vakanties en feestdagen;

- de verdeling vast te stellen conform hetgeen hij onder punt 36 tot en met 45 van zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken heeft gesteld;

- de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen.

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt de rechtbank in haar stuk van 20 november 2015 om het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling af te wijzen en de verzoeken van de man met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap toe te wijzen zoals is gesteld onder punt 38, 40, 41 en 45. Voorts wijzigt zij in haar verweerschrift op zelfstandige verzoeken haar verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage. Zij verzoekt de rechtbank een kinderbijdrage vast te stellen van € 200,-- per maand, althans een bedrag zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, waarbij zij zich het recht voorbehoud dit bedrag te wijzigen op het moment dat haar inkomen uit uitkering duidelijk is.

Voorts heeft de vrouw bij haar brief van 20 mei 2016 haar verzoeken aangevuld en verzoekt zij de rechtbank vast te stellen dat;

- de schulden van partijen door beide partijen elk voor de helft dienen te worden voldaan en dat voor zover de ene partij meer op een schuld aflost dan zijn/haar helft, deze partij het recht heeft het merendeel op de andere partij te verhalen, terwijl die andere partij gehouden is dit meerdere aan de andere partij te vergoeden;

- de vaste lasten verbonden aan de echtelijke woning door beide partijen elk voor de helft dienen te worden voldaan en dat voor zover de ene partij meer op een schuld aflost dan zijn/haar helft, deze partij het recht heeft het merendeel op de andere partij te verhalen, terwijl die andere partij gehouden is dit meerdere aan de andere partij te vergoeden;

- de hypotheek restschuld die na verkoop van de echtelijke woning resteert door beide partijen elk voor de helft dient te worden voldaan en dat voor zover de ene partij meer op de schuld aan de bank aflost dan zijn/haar helft, deze partij het recht heeft het merendeel op de andere partij te verhalen, terwijl die andere partij gehouden is dit meerdere aan de andere partij te vergoeden.

De man voert verweer tegen het aanvullende verzoek van de vrouw en verzoekt de rechtbank dit verzoek af te wijzen.

Op de stelling van partijen zal hierna verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ouderschapsplan

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Partijen hebben voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen.

4.2.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlandse recht is van toepassing ten aanzien van de echtscheiding en de hierna te noemen nevenvoorzieningen, voor zover niet betrekking hebbend op het huwelijksvermogensrecht, nu beide partijen in Nederland wonen.

Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (hierna Verdrag) van toepassing.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Nu de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting de Poolse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit hadden en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, wordt op grond van artikel 4, tweede lid, onder 2a van genoemd Verdrag hun huwelijksvermogensregime beheerst door het recht Poolse recht.

Op de inhoud van het Poolse recht zal de rechtbank hierna verder ingaan.

4.3.

Echtscheiding, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderbijdrage en het gebruiksrecht van de echtelijke woning

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw verzoekt de rechtbank eveneens om de echtscheiding uit te spreken. Nu het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar.

De man voert geen verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 1] , zodat dit verzoek kan worden toegewezen zoals verzocht.

Ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [kind 1] zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat;

  • -

    [kind 1] éénmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij de man zal zijn;

  • -

    [kind 1] tijdens de helft van de vakanties van langer dan één week bij de man is en dat zij gedurende de vakanties van één week om en om bij de man dan wel de vrouw zal verblijven, waarbij partijen afspreken dat [kind 1] bij de vrouw zal blijven als de man in de betreffende vakantie zelf geen vakantie heeft;

  • -

    [kind 1] tijdens de algemene feestdagen jaarlijks om en om bij de vrouw dan wel de man verblijft.

Tevens zijn partijen overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen van € 141,-- per maand en heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling haar aanvullend verzoek ten aanzien van de kinderbijdrage ingetrokken.

Voorts zijn partijen overeengekomen dat de vrouw jegens de man gerechtigd is de echtelijke woning tot uiterlijk 31 december 2016 te gebruiken, dan wel tot zoveel eerder als de vrouw een andere woning heeft gevonden of de echtelijke woning verkocht is.

De rechtbank zal de voornoemde afspraken van partijen vastleggen in het dictum van deze beschikking.

4.4.

De afwikkeling van het huwelijksvermogen

4.4.1.

Pools huwelijksvermogensrecht

De rechtbank overweegt dat haar uit ambtshalve bij het Internationaal Juridisch Instituut

ingewonnen informatie is gebleken dat het Poolse huwelijksvermogensrecht drie vormen van

vermogen kent:

a. het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten, bestaand uit inkomen uit arbeid en

uit andere bronnen verkregen tijdens het huwelijk en inkomen verkregen uit het privé

vermogen van ieder;

b. het privé vermogen van de vrouw, bestaande uit onder meer vermogen verkregen v66r het

huwelijk, erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen (tenzij de testateur/schenker bepaalt

heeft dat de goederen in de gemeenschap dienen te vallen), persoonlijke goederen en hoogst

persoonlijke rechten;

c. het privé vermogen van de man onder dezelfde voorwaarden als verwoord onder b.

4.4.2.

Peildatum

De peildatum voor de vaststelling van de omvang van het huwelijkse vermogen van partijen is de datum van onherroepelijk worden van deze echtscheidingsbeschikking.

Uit de stukken die zijn overgelegd en uit wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt dat partijen een beslissing van de rechtbank wensen betreffende de wijze van verdeling van de volgende gestelde en deels betwiste boedelbestanddelen.

4.4.3.

De echtelijke woning

Zoals hiervoor reeds overwogen hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de vrouw de echtelijke woning tot uiterlijk 31 december 2016 mag gebruiken, tenzij de woning eerder verkocht is aan een derde.

Beide partijen hebben aangegeven dat zij de echtelijke woning niet wensen over te nemen. De woning zal dan ook aan een derde verkocht dienen te worden. Nu partijen het er over eens zijn dat er op dit moment bij verkoop van de echtelijke woning sprake zal zijn van een restschuld, zijn partijen overeengekomen dat verkoop van de woning voorlopig zal worden uitgesteld tot dat de huizenmarkt wat is aangetrokken. Partijen zullen in onderling overleg bepalen wanneer zij de echtelijke woning te koop zetten. De echtelijke woning blijft dan ook tot het moment van verkoop aan een derde onverdeeld. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen beiden hun volledige medewerking zullen verlenen bij de verkoop van de echtelijke woning.

Voorts zijn partijen overeengekomen dat de echtelijke woning zo mogelijk vanaf 31 december 2016 verhuurd zal worden door de man.

4.4.4.

De inboedel

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het partijen tot op heden niet is gelukt de inboedel in onderling overleg te verdelen.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat de man reeds in 2015, zonder haar toestemming, een fotocamera, elektrische boormachines, brillen, een gereedschapskist met inhoud en schilderspullen uit de echtelijke woning heeft meengenomen. Deze goederen hebben volgens de vrouw samen een waarde van in totaal € 1.500,-- en zij stelt in verband daarmee een vordering op de man te hebben van € 750,--.

De man heeft verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw en stelt slechts de gereedschapskist, de camera en de brillen te hebben meegenomen. De schilderspullen waren gebruikt en zijn weggegooid. Ten aanzien van de camera stelt de man dat hij deze cadeau heeft gekregen van de vrouw. Deze camera is al een paar jaar oud en heeft nu nog slechts een waarde van € 200,--.

De vrouw betwist dat de camera een cadeau was van haar aan de man.

Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gebleken of de inboedelgoederen van partijen vallen onder het privévermogen van partijen dan wel gezamenlijk eigendom zijn, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen beide eigenaar zijn van deze goederen.

De rechtbank is thans echter niet in staat de verdeling van deze gezamenlijke goederen vast te stellen, nu niet duidelijk is geworden om welke goederen het precies gaat en wat de waarde is van deze goederen. De vrouw voert aan dat zij de goederen niet wil, maar wel de helft van de waarde bij verkoop. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg de inboedelgoederen of hun waarde bij helfte zullen verdelen en zal op dit punt het verzoek als te onbepaald afwijzen.

4.4.5.

Bankrekeningen

Ten aanzien van de bankrekeningen van partijen merkt de rechtbank op dat partijen op de peildatum zullen moeten inventariseren welke bankrekeningen er nog zijn. Van de op dat moment nog bestaande bankrekeningen dienen partijen de saldi op de peildatum bij helfte te verdelen. Immers is gesteld noch gebleken dat op deze bankrekeningen andere dan inkomsten uit arbeid zijn gestort. De rechtbank zal dit dan ook als zodanig bepalen.

4.4.6.

De auto’s

Partijen bezitten een Audi en een Skoda. De Skoda is volgens de man door hem voor het huwelijk aangeschaft en valt niet onder het huwelijksvermogen. De vrouw betwist dit niet.

Ten aanzien van de Audi zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat deze aan de vrouw zal worden toebedeeld voor een waarde van € 5.000,--, onder de gehoudenheid een bedrag van € 2.500,-- aan de man te voldoen.

4.4.7.

Schulden

Ten aanzien van de huwelijke schulden van partijen, overweegt de rechtbank dat partijen volgens Pools recht gehouden zijn deze schulden bij helfte te dragen.

Indien na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap een ex-echtgenoot meer dan de helft van een gemeenschapsschuld betaalt, verkrijgt deze ex-echtgenoot een regresvordering op de andere ex-echtgenoot. Deze regresvordering wordt derhalve niet in de verdeling betrokken aangezien de vordering is ontstaan na het tijdstip van de ontbinding van de voormalige huwelijksgemeenschap.

Nu de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het regresrecht allemaal zien op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met nummer C/13/593361/ FA RK 15-6391 (echtscheiding)

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] op [datum] ;

- stelt de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarige vast bij de vrouw;

- bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat [kind 1] ;

  • -

    éénmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij de man zal zijn;

  • -

    [kind 1] tijdens de helft van de vakanties van langer dan één week bij de man is en dat zij gedurende de vakanties van één week om en om bij de man dan wel de vrouw zal verblijven, waarbij partijen afspreken dat [kind 1] bij de vrouw zal blijven als de man in de betreffende vakantie zelf geen vakantie heeft;

  • -

    [kind 1] tijdens de algemene feestdagen jaarlijks om en om bij de vrouw dan wel de man verblijft.

- bepaalt dat de man met ingang van heden € 141,-- (honderd eenenveertig euro) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- bepaalt dat de vrouw, indien zij ten tijde van het onherroepelijk worden van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning te [plaats] aan de [straat] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten tot uiterlijk 31 december 2016, dan wel tot het moment de vrouw een andere woning heeft gevonden of de echtelijke woning is verkocht aan een derde;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

In de zaak met nummer C/13/604580/FA RK 16-1735 (afwikkeling huwelijksvermogen)

- bepaalt dat partijen in onderling overleg bepalen wanneer zij de echtelijke woning te koop zetten en deze woning tot het moment van de verkoop onverdeeld blijft;

- bepaalt dat partijen op de peildatum zullen inventariseren welke (gezamenlijke) bankrekeningen er nog zijn en dat partijen de saldi van deze rekeningen op de peildatum bij helfte dienen te verdelen;

- bepaalt dat de Audi aan de vrouw zal worden toebedeeld voor een waarde van € 5.000,--, waarbij zij gehouden is een bedrag van € 2.500,-- aan de man te voldoen;

- bepaalt dat partijen gehouden zijn de huwelijke schulden bij helfte te dragen;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. de Koning, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 29 juni 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.