Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:4049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
C/13/590337 / FA RK 15-5010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderbijdrage, huurrecht echtelijke woning, verdeling gemeenschap, waarde auto, draagplicht lasten (3: 172 BW), verknochtheid letselschadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/590337 / FA RK 15-5010 en C/13/603985 / FA RK

16-1501 (KK/SM)

Beschikking van 6 juli 2016 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. F.J. Donze te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. S. Bouddount te Weesp.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, voor zover van belang;

- het op 13 juli 2015 binnengekomen verzoekschrift tot echtscheiding van de zijde van de man;

- het op 14 oktober 1015 binnengekomen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift op zelfstandig verzoekschrift van verweerster van

11 november 2015 van de zijde van de vrouw;

- het op 7 december 2015 ingediende F9-formulier met bijlage van de man;

- het op 9 december 2015 ingediende formulier verdelen en verrekenen van de vrouw;

- het op 10 mei 2016 ingediende F9-formulier met bijlage van de vrouw;

- de twee op 12 mei 2016 ingediende F9-formulieren met bijlage van de vrouw;

- het op 12 mei 2016 ingediende F9-formulier met brief en bijlagen van de zijde van de man.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 mei 2016.

Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] .

Partijen hebben tezamen het navolgende nog minderjarige kind:

[kind 1] , geboren te [plaats] op [datum] .

Bij beschikking van 19 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat;

- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] , alsmede tot het gebruik van de tot de woning behorende inboedel, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

- het minderjarige kind van partijen, [kind 1] , met onmiddellijke ingang aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- dat de man met ingang van heden € 220,-- per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen en te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus zal zijn dat met ingang van heden: de man de voornoemde minderjarige bij zich heeft iedere dinsdag en donderdag van 13.00 uur tot 17.00 uur; en na verloop van één maand, derhalve met ingang van

14 september 2015 iedere dinsdag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere donderdag van 7.30 uur tot 17.00 uur;

- deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

- het meer of anders verzochte is afgewezen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 januari 2016 is het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing van haar en de minderjarige naar Rotterdam afgewezen.

Bij beschikking van de voorzieningen rechter van deze rechtbank van 8 maart 2016 is de beschikking van deze rechtbank van 19 augustus 2015 - onder handhaving voor het overige – als volgt gewijzigd:

- bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

- bepaald de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man de voornoemde minderjarige bij zich heeft; iedere maandag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere donderdag van 7.30 uur tot 17.00 uur, waarbij de vrouw [kind 1] naar de man in Amsterdam zal brengen en haar bij de man komt ophalen;

- handhaaft de eerder door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en bepaalt dat de man vanaf het moment dat hij weer huurlasten heeft een lagere bijdrage, te weten € 136,-- per maand, zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige;

- verklaard de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

3 De verzoeken en verweren

De man verzoekt de rechtbank aanvankelijk:

- om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [straat] [plaats] ;

- te bepalen dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten conform het door de man opgestelde voorstel zoals omschreven in het (concept)convenant.

De vrouw verzoekt de rechtbank eveneens de echtscheiding uit te spreken. Zij voert geen verweer tegen de verzoeken van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en het huurrecht van de echtelijke woning.

Voorts verzoekt de vrouw de rechtbank de overige verzoeken van de man af te wijzen en bij wijze van zelfstandige verzoeken;

- in het kader van de vaststelling van de zorgregeling te bepalen dat de man iedere maandag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere donderdag van 7.30 uur tot 17.00 uur de zorg heeft voor [kind 1] ;

- te bepalen dat de man gehouden is een kinderbijdrage te voldoen van € 220,-- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of andere regelingen voor die minderjarige zal of kan worden verleend, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie vaststelt;

- de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, zoals omschreven in de punten 9 tot en met 14 in het lijf van haar schriftelijk stuk van 14 oktober 2015;

- kosten rechtens.

De man heeft in zijn schriftelijk stuk van 12 mei 2016 zijn eerdere verzoek met betrekking tot het huurecht van de echtelijke woning gewijzigd. Hij verzoekt toch om het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen.

Op de stelling van partijen zal hierna verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ouderschapsplan

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Partijen hebben voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen.

4.2.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlandse recht is van toepassing ten aanzien van de echtscheiding en de hierna te noemen nevenvoorzieningen, nu beide partijen in Nederland wonen.

Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (hierna Verdrag) van toepassing.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Nu de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit gemeenschappelijke hadden en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, wordt op grond van artikel 4, tweede lid, onder 1 van genoemd Verdrag hun huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlands recht. Partijen zijn dan ook in gemeenschap van goederen gehuwd.

4.3.

Echtscheiding en de hoofdverblijfplaats

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw verzoekt de rechtbank eveneens om de echtscheiding uit te spreken. Nu het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar.

De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 1] , zodat dit verzoek kan worden toegewezen zoals verzocht.

4.4.

De zorgregeling

De vrouw stel dat [kind 1] thans iedere maandag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere donderdag van 7.30 uur tot 17.00 uur bij de man is. Zij wil deze regeling tot haar verhuizing handhaven. De vrouw vindt [kind 1] op dit moment nog te jong voor een vakantieregeling. Ze wil pas met de man over een vakantieregeling praten als [kind 1] vier jaar is geworden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij de thans lopende zorgregeling wenst te handhaven totdat hij op doordeweekse dagen zal gaan werken.

Nu de man tevens heeft aangegeven dat hij de huidige zorgregeling wenst te handhaven, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw met betrekking tot de zorgregeling toewijzen zoals verzocht.

4.5.

Huurrecht echtelijke woning

Omdat de huur van de echtelijke woning te hoog was heeft zij een andere woning gezocht en de huur van de echtelijke woning opgezegd. Inmiddels woont de vrouw met [kind 1] in [plaats] . De vrouw stelt dat de man in eerste instantie aan haar heeft laten weten dat hij geen belang heeft bij de echtelijke woning, zij vond het dan ook niet nodig hem te informeren over de beëindiging van de huur van de echtelijke woning. De man is het niet eens is met haar beslissing om naar Rotterdam te verhuizen. Er loopt nu een hoger beroepsprocedure in verband met deze verhuizing.

De man stelt dat de vrouw de huur van de echtelijke woning heeft beëindigd zonder hem daarover te informeren, waardoor de woningbouwvereniging de woning inmiddels aan iemand anders heeft verhuurd. De man wil nu dat de rechtbank in de hoofdzaak het huurrecht toch aan hem toekent, want alleen dan willen de woningbouwvereniging hem tegemoet komen met een vervangende woonruimte.

De rechtbank is van oordeel dat inmiddels is gebleken dat de man belang heeft bij toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan hem, echter nu de huur van de woning reeds is beëindigd door de vrouw – zonder de man daarin te kennen –, kan de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning niet toewijzen aan de man aangezien dit huurrecht niet langer bestaat, de man had hier echter wel recht op. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

4.6.

Kinderbijdrage

4.6.1.

Behoefte

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de behoefte van [kind 1] € 565,-- per maand bedraagt.

4.6.2.

Het netto besteedbaar inkomen van partijen

Voor het bepalen van het netto gezinsinkomen van partijen voor de berekening van de draagkracht wordt in de regel gekeken naar de middelen die de ouder(s) hebben, ten tijde van de periode waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld. Dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten uit arbeid, uitkering en/of vermogen, dan wel het in redelijkheid te verdienen inkomen, verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, en vermeerderd met eventuele heffingskortingen die kunnen worden verzilverd door de minst verdienende partner.

Partijen zijn het er over eens dat de rechtbank voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uit dient de gaan van een bruto inkomen van € 22.720,-- per jaar, dit is

€ 19.518,-- netto per jaar en € 1.626,-- netto per maand, inclusief de op de man van toepassing zijnde heffingskortingen.

Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van het huidige inkomen van de vrouw, nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij inmiddels 24 uren per week werkt. Uit de door de vrouw overgelegde loonstrook van de maand maart 2016 blijkt dat zij een bruto inkomen heeft van € 1.605,-- per maand, zijnde een bruto inkomen inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering van € 22.741,-- per jaar. Rekening houdend met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen, het kindgebonden budget en de eenouderkop van € 3.902,-- per jaar, heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 25.572,-- per jaar, zijnde € 2.131,-- netto per maand.

4.6.3.

De woonlast van de man

De vrouw heeft gesteld dat de man thans geen woonlasten heeft. De rechtbank dient volgens haar dan ook alleen te rekenen met een forfaitair basis draagkrachtloos inkomen van € 890,-- en dient dit inkomen niet te verhogen met 30% van het NBI.

De rechtbank acht het redelijk om toch rekening te houden met een forfaitaire woonlast aan de zijde van de man, nu het de bedoeling is dat deze beslissing voor langere termijn zal gelden en het aannemelijk is dat de man binnen niet al te lange tijd een eigen woonruimte zal betrekken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man uitgaan van de gehele woonkostencomponent.

4.6.4.

De schulden

De man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossingen die hij doet ten aanzien van de huwelijkse schuld van partijen bij DUO.

De man stelt dat hij maandelijks € 128,-- aflost op deze schuld.

De vrouw betwist het bestaan van de schuld niet, maar stelt dat de man ten aanzien van de schuld bij DUO slechts een bedrag van maximaal € 50,-- per maand behoeft af te lossen.

De rechtbank acht het, gelet op het feit dat de man naar het oordeel van de rechtbank, voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij de voornoemde schuld thans daadwerkelijk aflost, redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met een maandelijkse aflossing op deze schulden van in totaal € 50,--.

Gelet op het voorgaande zal aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen worden vermeerderd met een bedrag van € 50,--.

4.6.5.

Zorgkorting

Gelet op de door partijen overeengekomen zorgregeling, acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een zorgkorting van 15%, zijnde € 85,--.

4.6.6.

De draagkracht van partijen

Volgens de formule 70% X [NBI – (0,3 NBI + 890)] is de draagkracht van de vrouw afgerond € 421,-- en de draagkracht van de man bedraagt volgen de formule 70% X [NBI – (0,3 NBI + 890 + 50)] € 138,-- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt dan ook € 559,-- per maand. Er bestaat dan ook een tekort aan draagkracht van € 6,-- per maand.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [kind 1] te voorzien, verminderd het tussen partijen gelijkelijk gedeelde tekort aan draagkracht de zorgkorting van de man van € 85,-- met € 3,--. De man kan zijn zorgkorting dan ook slechts verzilveren tot een bedrag van € 82,--.

Na toepassing van de resterende zorgkorting komt de rechtbank tot de conclusie dat de man gehouden is een kinderbijdrage ten behoeve van [kind 1] te voldoen van € 56,-- per maand.

4.7.

De verdeling van de gemeenschap van goederen

4.7.1.

Peildatum omvang van de huwelijksgemeenschap

Op 14 juli 2015 heeft de man bij de rechtbank een echtscheidingsverzoekschrift ingediend.

De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is dan ook 14 juli 2015, het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift.

4.7.2.

Peildatum van de waarde van de huwelijksgemeenschap

Bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Indien niet is gesteld of gebleken dat partijen een andere datum zijn overeengekomen, dan wel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden, zal de rechtbank derhalve de waarde op het tijdstip van de (feitelijke) verdeling hanteren.

De peildatum van de waardering van schulden en vorderingen (waaronder saldi op bankrekeningen) is echter de datum van ontbinding van de gemeenschap, zijnde 14 juli 2015. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. Ook betekent dit uitgangspunt dat inkomsten, aflossingen en betalingen gedaan na 14 juli 2015 buiten het bestek van deze procedure vallen.

4.7.3.

De auto, Volkswagen Polo, [kenteken]

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat de auto van partijen aan de vrouw dient te worden toebedeeld. Zij zijn het echter niet eens over de waarde van de auto.

De vrouw stelt dat voor de waardering van de auto gekeken moet worden naar de waarde van de auto op het moment van feitelijke verdeling, zijnde de huidige waarde. De vrouw heeft een taxatie van de auto overgelegd opgesteld door Occasion Manager Eric Bot van Heron Auto waarin de waarde van auto wordt vastgesteld op € 5.000,--.

De man stelt dat gekeken moet worden naar de waarde van de auto op de peildatum. Hij stelt dat de auto, vanwege de vele opties die de auto heeft, destijds een waarde had van € 7.000,--.

Voor de bepaling van de waarde van de auto van partijen dient de rechtbank uit te gaan van de waarde van de auto op het moment van feitelijke verdeling, zijnde het moment waarop de vrouw de auto voor het eerst alleen voor eigen gebruik onder zich had. Nu tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw de auto reeds geruime tijd onder zich had voor eigen gebruik en uit de door de vrouw overgelegde taxatie niet blijkt dat er rekening is gehouden met de vele opties die deze auto heeft, acht de rechtbank het redelijk om de auto van partijen toe te delen aan de vrouw voor een waarde van € 7.000,--, onder de gehoudenheid om een bedrag van € 3.500,-- aan de man te voldoen.

4.7.4.

De inboedel van de echtelijke woning

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat de aan de rechtbank overgelegde inboedellijsten niet volledig zijn. In verband daarmee hebben zij afgesproken om samen naar de opslag te gaan waar de gemeenschappelijke inboedel staat opgeslagen en aldaar om beurt een goed uit te kiezen. Ten aanzien van de kinderkamer van [kind 1] hebben partijen afgesproken dat deze bij de vrouw blijft, nu [kind 1] bij de vrouw haar hoofdverblijfplaats heeft.

De rechtbank zal de voornoemde afspraak van partijen vastleggen in het dictum van deze beschikking.

4.7.5.

De bankrekeningen

4.7.5.1. De Groei groter rekening [nummer] van [kind 1]

Partijen zijn het er over eens dat er op de peildatum op de Groei groter rekening een saldo had moeten staan van € 1.042,--. De man heeft dit bedrag echter vlak voor de peildatum van deze rekening afgehaald. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd om de helft van dit bedrag aan de vrouw te vergoeden.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man gehouden is uit hoofde van de verdeling van het saldo van de Groei groter rekening een bedrag van € 521,-- aan de vrouw te voldoen.

4.7.5.2. De en/of rekening [nummer]

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de rekening met nummer [nummer] op de peildatum een negatief saldo had van € 1.006,--. Nu de vrouw de roodstand op deze rekening heeft aangezuiverd, zijn partijen overeengekomen dat de man de helft van dit bedrag, inclusief de door de vrouw betaalde rente, aan de vrouw zal voldoen, zijnde een totaal bedrag van € 515,--.

4.7.5.3. Overige rekeningen

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de volgende rekeningen op de peildatum een saldo hadden van € 0,--:

  • -

    de betaalrekening van het minderjarige kind van partijen [nummer]

  • -

    de en/of rekening [nummer]

  • -

    de rekening op naam van de vrouw [nummer]

  • -

    de rekening op naam van de man [nummer]

Nu op deze rekeningen geen saldo stond op de peildatum, behoeven deze rekeningen niet in de verdeling te worden betrokken en behoeft de rechtbank ten aanzien van deze rekeningen geen beslissing te nemen.

4.7.6.

De schadevergoeding van de vrouw

Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen, in verband met een verkeersongeval op 8 juli 2010, een schadevergoeding heeft ontvangen van € 10.000,--.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een brief van [naam 1] , letselschade-jurist, overgelegd met daarbij een getekende vaststellingsovereenkomst van Nationale Nederlanden. Uit de voornoemde brief blijkt onder andere dat de zaak destijds is geregeld met een betaling van € 10.500,-- en dat de slotbetaling € 10.000,-- was. De vergoeding vanwege immateriële schade oftewel smartengeld bedroeg € 5.000,--. Een bedrag van € 648,74 is betaald voor daadwerkelijk gemaakte kosten.

Partijen zijn het er over eens dat het bedrag aan smartengeld van € 5.000,-- verknocht is aan de vrouw. Ten aanzien van de overige vergoeding stelt de vrouw dat deze vergoeding eveneens verknocht is, nu dit bedrag ziet op verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid in de periode voor het huwelijk. Ter onderbouwing van haar standpunt doet de vrouw een beroep op het Whiplash I arrest, HR 24-10-1997, LJN ZC2470, NJ 1998.

De man voert verweer tegen de stelling van de vrouw ten aanzien van de overige vergoeding en stelt dat er geen enkele reden is om uit te gaan van verknochtheid. Hij stelt dat vrouw de uitgekeerde vergoeding nog ergens moet hebben en maakt aanspraak op het niet verknochte deel van de schadevergoeding.

Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW – af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de voor de persoon van die echtgenoot nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord.

In het onderhavige geval is door de vrouw onbetwist gesteld dat de vergoeding waar partijen over twisten zag op verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid in de periode vóór het huwelijk, echter de vrouw heeft niet aangetoond dat zij deze vergoeding daadwerkelijk voor dan wel tijdens het huwelijk van partijen geheel of gedeeltelijk heeft gebruikt ter aanvulling dan wel vervanging van inkomen. Er kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gezegd dat deze vergoeding verknocht is.

Hierbij merkt de rechtbank op dat partijen in de huwelijkse periode over en weer geen rekening en verantwoording af hoeven te leggen over de wijze waarop zij in financiële zin hebben gehandeld. Dit brengt de aard van de huwelijkse relatie met zich mee. De rechtbank heeft gelet op hetgeen door partijen naar voren is gebracht niet kunnen vaststellen dat de vrouw de door haar ontvangen – niet verkocht zijnde – bedragen, bewust buiten de gemeenschap heeft willen houden. Hierbij geldt dat de man dient te bewijzen dat de vrouw op de peildatum beschikte over een geldsom naast de hiervoor reeds genoemde banksaldi. De man heeft dit niet kunnen aantonen. Mocht echter achteraf komen vast te staan dan de vrouw desondanks over een bedrag beschikte op de peildatum dat zij buiten de verdeling heeft gehouden, dan is de sanctie hierop dat zij haar aandeel in dat bedrag aan de man heeft verbeurd.

4.7.7.

De Marokkaanse jurken

Nu de man zijn verzoek met betrekking tot de Marokkaanse jurken tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, behoeft dit verzoek geen nadere bespreking meer.

4.7.8.

De DUO schuld

Gebleken is dat de man op de peildatum een schuld hadden bij DUO, welke schuld in de gemeenschap valt. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij beiden voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld, de rechtbank zal dit dan ook in het dictum van deze beschikking vastleggen.

4.7.9.

Kosten huishouding over de periode 1 mei tot en met 13 juli 2015

De vrouw stelt dat de man over de periode 1 mei 2015 tot en met 13 juli 2015 niet heeft bijgedragen aan de gezamenlijke kosten van de huishouding. De man heeft zijn salaris van april 2015 naar een andere rekening laten overmaken. De totale kosten van de huishouding in deze periode bedroegen volgens haar € 5.225,27. Van dit bedrag dienen de door de vrouw in die periode ontvangen tegemoetkomingen te worden afgetrokken, zodat er een bedrag van € 4.807,62 overblijft aan kosten. Gelet op het voorgaande meent de vrouw een vordering te hebben op de man van de helft van voornoemd bedrag.

De man voert verweer tegen de stelling van de vrouw met betrekking tot de kosten van de huishouding. De door de vrouw genoemde kosten zijn voldaan uit de op haar naam staande rekening NL92 INGB0671413643, die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Het saldo van deze rekening was op de peildatum nihil, waarin de verrekening van deze kosten is verdisconteerd. Alsnog verrekenen van deze kosten zou neerkomen op een dubbele verrekening.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de ontbinding van de gemeenschap ontstaat een zogenaamde gestolde gemeenschap. Op basis van artikel 3:172 BW dienen deelgenoten ieder de lasten te dragen van de ontbonden gemeenschap. Indien één van de deelgenoten meer dan 50% van een last van de gemeenschap heeft voldaan, ontstaat van rechtswege een vordering op de andere deelgenoot.

Nu de man de hoogte van het door de vrouw berekende bedrag aan kosten voor de huishouding over de periode 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 niet betwist en de man tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij zijn salaris vanaf april 2015 op de rekening van zijn broer heeft laten storten, waardoor zijn inkomen over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 buiten de gemeenschap viel, acht de rechtbank het redelijk als de man de helft van het door de vrouw genoemde bedrag aan kosten van € 4.807,62, zijnde afgerond een bedrag van € 2.404,-- aan de vrouw voldoet. De rechtbank zal deze regresvordering dan ook opnemen in het dictum van deze beschikking.

4.7.10.

BOXX opslagverhuur

De vrouw stelt dat de man gehouden is de helft van de huur voor de periode mei/juni 2016 bij BOXX te voldoen, zijnde de helft van € 444,61.

De man voert hier verweer tegen en stelt onbetwist dat de vrouw de huur van de echtelijke woning zonder zijn toestemming heeft beëindigd en de gezamenlijke inboedel heeft opgeslagen. Gelet op het voorgaande stelt de man dat de kosten van de opslag zonder verrekening volledig voor de vrouw dienen te komen.

Nu de vrouw, zonder de man daarin te kennen en ruim na de peildatum, een huurovereenkomst is aangegaan bij BOXX, zijn de betreffende huurtermijnen niet te kwalificeren als een huwelijkse schuld. De vrouw zal deze huurtermijnen dan ook zelf dienen te voldoen.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met nummer C/13/590337/ FA RK 15-5010 (echtscheiding)

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

- stelt de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarige vast bij de vrouw;

- bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat [kind 1] iedere maandag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere donderdag van 7.30 uur tot 17.00 uur bij de man zal zijn;

- bepaalt dat de man met ingang van heden € 56,-- (zesenvijftig euro) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

In de zaak met nummer C/13/603985/FA RK 16-1501 (verdeling gemeenschap van goederen)

- bepaalt dat in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen dat:

  • -

    de auto, Volkswagen Polo, [kenteken] , voor een waarde van € 7.000,-- aan de vrouw wordt toebedeeld, onder de gehoudenheid een bedrag € 3.500,-- aan de man te voldoen;

  • -

    partijen samen naar de opslag gaan waar de gemeenschappelijke inboedel staat opgeslagen en zij aldaar om beurt een goed uit kiezen;

  • -

    dat de kinderkamer van [kind 1] bij de vrouw blijft, dat de man gehouden is uit hoofde van de verdeling van het saldo van de Groei groter rekening met [nummer] een bedrag van € 521,-- aan de vrouw te voldoen;

  • -

    dat de man de helft van het door de vrouw betaalde negatieve saldo op de en/of-rekening met nummer [nummer] , inclusief de door de vrouw betaalde rente, aan de vrouw dient te voldoen, zijnde een totaal bedrag van € 515,--;

  • -

    dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van de man bij DUO;

  • -

    de man de helft van de door de vrouw betaalde kosten van de huishouding over de periode van 1 mei 2015 tot 13 juli 2015 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde afgerond een bedrag van € 2.404,--;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. de Koning, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op

6 juli 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.