Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3956

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
13/669020-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

(Langdurig) seksueel misbruik door vader van twee dochters. Artikel 244 en 245 Sr. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669020-14

Datum uitspraak: 29 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[vderdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Diependaal en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.J. van Oosten naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 1996 tot en met 6 april 2000 in de gemeente Amsterdam en/of Hilversum, in ieder geval in Nederland met zijn, verdachtes (minderjarig) kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) één of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer 1] en/of zijn penis door die [slachtoffer 1] laten likken en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of die [slachtoffer 1] (vervolgens) getongzoend en/of

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en/of gelikt;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 april 2000 tot en met 9 september 2002 in de gemeente Amsterdam en/of Hilversum, in ieder geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarig kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer 1] en/of zijn penis door die [slachtoffer 1] laten likken en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of die [slachtoffer 1] (vervolgens) getongzoend en/of

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en/of gelikt;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 24 oktober 2001 in de gemeente Amsterdam en/of Hilversum, in ieder geval in Nederland met zijn, verdachtes (minderjarig) kind, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) één of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer 2] en/of zijn penis door die [slachtoffer 2] laten likken en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) getongzoend en/of

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] betast en/of gelikt;

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 oktober 2001 tot en met 9 september 2002 in de gemeente Amsterdam en/of Hilversum, in ieder geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarig kind, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer 2] en/of zijn penis door die [slachtoffer 2] laten likken en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) getongzoend en/of

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] betast en/of gelikt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van de goede procesorde. Er is immers gehandeld in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (de Aanwijzing), nu er is verzaakt om advies in te winnen bij de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). Dat had volgens de raadsman wel gemoeten, nu het in deze zaak handelt om verklaringen van aangeefsters die in ieder geval aspecten vertonen van hervonden herinneringen. Het is dan uitdrukkelijk en dwingend voorgeschreven de LEBZ te consulteren.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt.

Hervonden herinneringen in de zin van voornoemde Aanwijzing zijn herinneringen die gedurende lange tijd afwezig zijn en daarna worden hervonden, bijvoorbeeld tijdens behandelingen door hulpverleners.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van aangiftes met (aspecten van) hervonden herinneringen. Hierbij is van belang dat aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] na het ontdekken van het dagboek van [slachtoffer 2] door de moeder van aangeefsters in 2002 met hun moeder over seksueel misbruik door verdachte hebben gesproken en in de jaren hierna dit misbruik ook met anderen hebben besproken. Zo blijkt uit getuigenverhoren van vrienden en kennissen onder andere dat [slachtoffer 2] in de periode van 2003 tot 2005 met klasgenote [persoon 1] heeft gesproken over misbruik van haar en haar zus [slachtoffer 1] door verdachte. Voorts heeft getuige [persoon 2] verklaard dat hij in 2006 een relatie met [slachtoffer 2] had en dat zij toen over misbruik door verdachte heeft verteld. Getuige [persoon 3] heeft verklaard dat – toen hij in 2008 een relatie met [slachtoffer 1] had – [slachtoffer 1] hem vertelde dat zij, toen zij nog jong was, door haar vader is misbruikt en dat dit ook met [slachtoffer 2] gebeurde. Meerdere getuigen verklaren dat aangeefsters in 2013 hebben gesproken over misbruik door verdachte. 30 juli 2013 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte gedaan.

Nu naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken van (aspecten van) hervonden herinneringen, is voormelde Aanwijzing niet van toepassing en is van een ernstige inbreuk op de beginselen van de goede procesorde geen sprake. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak feit 3

In het dagboek gedateerd op 23 juni 2002 schrijft [slachtoffer 2] dat het misbruik een 1/2 jaar

gaande is. In een aanvullend proces-verbaal van 9 januari 2014 verklaart [slachtoffer 2] hierover als volgt: “een half jaar kan niet kloppen, dat weet ik heel zeker. Ik schreef trouwens vroeger mijn breuken niet op deze manier, met een schuine streep, maar onder elkaar, met een streep ertussen dus. Ik denk dat ik toen bedoeld heb: 1 a 2 jaar geleden.” Ondanks de stelligheid van aangeefster dat het misbruik al veel langer gaande was dan een half jaar voor 23 juni 2002, hecht de rechtbank veel waarde aan het feit dat de betreffende dagboekaantekeningen in 2002 zijn genoteerd, terwijl de verklaringen van [slachtoffer 2] die wijzen op misbruik dat al jaren vóór 2002 gaande was, van jaren later dateren. Hierdoor ontstaat twijfel over de vraag of het ten laste gelegde misbruik van [slachtoffer 2] vóór 2002 kan worden bewezen. Het feit dat aangeefster met “1/2 jaar” wellicht heeft bedoeld “1 a 2 jaar” is onvoldoende om deze twijfel weg te nemen. De rechtbank concludeert daarom dat het dossier voor het onder 3 ten laste gelegde feit onvoldoende wettig bewijs bevat. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Bewijsminimum

5.1.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat alle belastende verklaringen afkomstig zijn uit één bron, namelijk van [slachtoffer 1] dan wel [slachtoffer 2] . Er is in het dossier onvoldoende steunbewijs voor handen op basis waarvan tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Er is daarom niet voldaan aan het bewijsminimum ex artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

5.1.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer niet slaagt. Hierbij is met name van belang dat de rechtbank – anders dan de raadsman – wel bewijswaarde toekent aan het gesprek dat aangeefsters op 5 mei 2013 met verdachte hebben gevoerd en waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verdachte voorhouden dat hij hen jarenlang heeft misbruikt. De reden dat volgens de raadsman aan dit gesprek geen bewijswaarde moet worden toegekend, is gelegen in het feit dat verdachte zich destijds overrompeld zou hebben gevoeld, zijn dochters erg emotioneel waren en verdachte zich daarover zorgen maakte; verdachte zou daarom hebben besloten om niet tegen zijn dochters in te gaan, maar met hen mee te buigen en toe te geven. Verdachte heeft dit ook meerdere keren verklaard; hij zou hebben geprobeerd om zoveel mogelijk met zijn dochters mee te gaan, omdat hij merkte dat het gesprek alleen maar verder escaleerde.

De rechtbank overweegt allereerst dat het moeilijk voorstelbaar is dat een vader, om verdere escalatie van een gesprek met zijn dochters te voorkomen, erkent dat hij zijn dochters jarenlang seksueel heeft misbruikt, terwijl dit nooit is gebeurd. Gelet op de inhoud van het gesprek op 5 mei 2013, waarvan geluidsopnames zijn gemaakt die woordelijk zijn uitgewerkt, acht de rechtbank de lezing van verdachte ten aanzien van het betreffende confrontatiegesprek niet aannemelijk. Verdachte beweegt naar het oordeel van de rechtbank in dit gesprek immers niet mee met zijn dochters door toe te geven wat hem wordt voorgehouden, maar hij licht ook behoorlijk gedetailleerd toe “hoe het begon” (het incident waarbij er seksboekjes werden gevonden) en legt uit dat “het ging en gebeurde in een roes”. De rechtbank wijst hierbij voorts op het feit dat verdachte in het gesprek (onder andere) verklaart dat hij weet hoeveel jaren het geleden is, dat hij het afschuwelijk vindt, maar er niets meer aan kan doen en dat het duidelijk is dat het niet had mogen gebeuren. Geconfronteerd met de verdenking dat verdachte iets met een vriendin van [slachtoffer 2] , [persoon 4] , zou hebben gedaan, zegt verdachte: “Nee, ik heb niets met enig ander kind gedaan”. De rechtbank is van oordeel dat de antwoorden en opmerkingen uit verdachte zelf komen en hem niet door zijn dochters in de mond zijn gelegd. Het voorgaande leidt er reeds toe dat de belastende verklaringen niet slechts afkomstig zijn uit één bron. Het verweer wordt verworpen.

5.2

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters

5.2.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Er is sprake van onwaarheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen en er is bij aangeefsters nooit letsel geconstateerd. Voorts zijn de losse pagina’s van het dagboek van [slachtoffer 2] mogelijk op een latere datum gefabriceerd en zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op basis van deze losse pagina’s van het dagboek op elkaar afgestemd.

Ten aanzien van de gestelde onwaarheden heeft de raadsman gewezen op het feit dat aangeefsters hebben gesuggereerd dat verdachte ook [persoon 4] en [persoon 5] zou hebben misbruikt, terwijl uit het dossier blijkt dat dit niet het geval is geweest. Aangeefsters willen hun vader kennelijk in een nog kwader daglicht stellen.

Voorts hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaard dat zij telefonisch contact hebben gehad met de zus van verdachte, [persoon 6] . Dit gesprek zou op 16 maart 2013 hebben plaatsgevonden. [persoon 6] heeft echter verklaard nooit telefonisch contact met [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] te hebben gehad.

De raadsman heeft ook gewezen op het feit dat uit de medische gegevens van [slachtoffer 2] blijkt dat psychiater Van Ham heeft vastgesteld dat zij veel liegt.

Ten aanzien van de gestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsman betoogd dat de seksuele handelingen die zij hebben moeten ondergaan en verrichten verschillend zijn en ook de modus operandi wezenlijk anders is. Dit roept vragen op ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen. De raadsman heeft in dit verband onder andere gewezen op het feit dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij met verdachte naar pornofilms moest kijken, zichzelf moest bevredigen en dat verdachte haar ook anaal heeft gepenetreerd. [slachtoffer 2] heeft hieromtrent niets verklaard. Verdachte zou tegen [slachtoffer 1] hebben gezegd dat ze moest zwijgen over het seksuele contact, terwijl [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte dit nooit tegen haar heeft gezegd. Ook zou verdachte wel in [slachtoffer 1] zijn klaargekomen en niet in [slachtoffer 2] .

De verklaringen van aangeefsters bevatten voorts inconsistenties met betrekking tot de periode dat [slachtoffer 2] haar vader na september 2002 niet zou hebben gezien en ten aanzien van de gesprekken die [slachtoffer 2] met [slachtoffer 1] en haar moeder zou hebben gevoerd eind 2002. [slachtoffer 1] heeft tegenstrijdig verklaard over de eerste keer dat zij gepenetreerd zou zijn – in Amsterdam of Hilversum? – terwijl de door haar opgegeven reden waarom zij op haar achttiende bij verdachte is gaan wonen, niet strookt met de overige verklaringen in het dossier.

5.2.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefsters wel betrouwbaar zijn.

5.2.3

Oordeel van de rechtbank

Ook de rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters te twijfelen en overweegt daartoe als volgt.

Onwaarheden?

De zorgen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geuit over mogelijk misbruik door verdachte van [persoon 4] en [persoon 5] is , gelet op hetgeen aangeefsters verklaren over hun eigen ervaringen met verdachte, niet onbegrijpelijk. Het feit dat het dossier verder geen aanwijzingen bevat dat verdachte deze [persoon 4] en [persoon 5] heeft misbruikt, doet daarom geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters ten aanzien van hun eigen ervaringen met verdachte.

Hoewel de tante van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij nooit telefonisch contact met [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft gehad, wordt het door aangeefsters gestelde telefoongesprek met hun tante op 16 maart 2013 ondersteund door onderzoeksbevindingen waaruit blijkt dat op die datum ruim 26 minuten is gebeld naar het nummer van [persoon 6] . Ook de jongere zus van aangeefsters, [persoon 7] , heeft verklaard dat zij een deel van een gesprek tussen haar zussen enerzijds en haar tante heeft gehoord – het gesprek stond op “luidspreker”. Wat er ook zij van de alternatieve lezing van verdachte ten aanzien van voornoemd telefoongesprek op 16 maart 2013 – mogelijkerwijs zou de man van [persoon 6] de telefoon hebben opgenomen, maar zijn weggelopen omdat hij geen Nederlands verstaat, waarbij per abuis de verbinding niet is verbroken –, van een onwaarheid in de verklaringen van aangeefsters is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Over de bevinding van psycholoog Van Ham dat [slachtoffer 2] veel zou liegen, heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij zich destijds heel ongemakkelijk bij deze psycholoog voelde en heeft gelogen om van hem af te komen. De rechtbank acht deze verklaring, in het licht van het dossier en gelet op de aard en aanleiding van het gesprek met de psycholoog, niet onaannemelijk.

Van onwaarheden die de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beïnvloeden is naar het oordeel van de rechtbank aldus geen sprake.

Tegenstrijdigheden?

Ten aanzien van de gestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen overweegt de rechtbank als volgt. Dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van het seksueel misbruik door hun vader niet volledig gelijkluidend zijn, acht de rechtbank geenszins opmerkelijk.

Aangeefsters hebben beide uitgebreid en gedetailleerd over hun eigen – op punten verschillende, doch ook grotendeels gelijkluidende – ervaringen met verdachte verteld.

Het niet volledig gelijkluidend zijn strookt met het feit dat de band van verdachte met elk van zijn dochters verschilt. Bovendien speelt het verschil in leeftijd tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een rol. De door de raadsman aangestipte inconsistenties betreffen ondergeschikte punten waarbij, met name gelet op het lange tijdsverloop tussen de feiten en de aangiftes en de jonge leeftijd van aangeefsters ten tijde van de feiten, een kleine mate van inconsistentie niet onbegrijpelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomsten in de verklaringen van aangeefsters eerder elkaar onderling ondersteunen. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat [slachtoffer 2] een keer haar kamer binnenkwam, terwijl zij en haar vader seksuele handelingen verrichtten. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij de kamer binnenliep waar verdachte en [slachtoffer 1] een middagdutje zouden doen, maar waar zij zag dat haar vader schrok en de hand van [slachtoffer 1] bij zijn piemel wegsloeg.

Dagboek en letsel

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat de losse pagina’s van het dagboek van [slachtoffer 2] mogelijk op een latere datum zijn gefabriceerd om de beschuldiging kracht bij te zetten. Ook de losse pagina’s van het dagboek kenmerken zich door een leeftijdseigen en authentiek aandoende beschrijving van de ervaringen van [slachtoffer 2] . De dagboekaantekeningen ondersteunen de aangiftes dan ook. Reeds ten tijde van het misbruik in 2002 heeft [slachtoffer 2] immers over het seksuele misbruik geschreven. Voor nader onderzoek naar de oudheid van het papier en de inkt ziet de rechtbank – voor zover dergelijk onderzoek nog mogelijk is – geen aanleiding.

Het feit dat geen letsel is geconstateerd als gevolg van het seksueel misbruik doet naar het oordeel van de rechtbank evenmin afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

5.3

Confrontatiegesprekken in 2002 en 2013

5.3.1

Standpunt van de verdediging

In 2002 heeft de moeder van aangeefsters, [moeder van slachtoffer] , verdachte geconfronteerd met het vermeende seksuele misbruik. Verdachte zou volgens [moeder van slachtoffer] niet geprotesteerd hebben bij de beschuldigingen en hij zou zijn handen voor zijn ogen hebben geslagen. Verdachte en zijn raadsman hebben deze reactie aldus uitgelegd dat verdachte destijds met stomheid was geslagen en totaal overdonderd was. Bovendien zou verdachte reeds murw zijn door allerlei zakelijke tegenslagen, zodat hij de beschuldiging er eenvoudigweg niet bij kon hebben. Verdachte heeft het geparkeerd en gehoopt dat alles vanzelf weer goed zou komen.

Met betrekking tot het gesprek dat aangeefsters op 5 mei 2013 met verdachte hebben gevoerd en waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verdachte voorhouden dat hij hen jarenlang heeft misbruikt, heeft de verdediging – zoals onder punt 5.1.2 reeds is besproken – aangevoerd dat verdachte zich destijds overrompeld zou hebben gevoeld, zijn dochters erg emotioneel waren en verdachte zich daarover zorgen maakte. Verdachte zou daarom hebben besloten om niet tegen zijn dochters in te gaan, maar met hen mee te buigen en toe te geven.

5.3.1

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de lezingen van de verdachte en zijn raadsman met betrekking tot de confrontatiegesprekken in 2002 en 2013 niet aannemelijk zijn. Ten aanzien van het gesprek op 5 mei 2013, verwijst de rechtbank naar hetgeen reeds is overwogen onder punt 5.1.2. Ten aanzien van het gesprek in 2002 overweegt de rechtbank dat het moeilijk voorstelbaar is dat verdachte – uitgaande van zijn lezing dat er nooit seksueel misbruik heeft plaatsgevonden – toen hij door zijn ex-partner werd geconfronteerd met de verdenking van seksueel misbruik met zijn dochters, in het geheel niet heeft geprotesteerd. De rechtbank acht de verklaring en conclusie van de moeder van aangeefsters daarentegen wel geloofwaardig en aannemelijk als zij zegt: “Hij zei niets. Hij protesteerde helemaal niet, dat was ik niet van hem gewend. Hij deed zijn handen voor zijn ogen. Normaal is hij heel dominant en geeft hij meteen een tegenreactie. Toen nam ik aan dat het waar was.”

5.4

Start periodes seksueel misbruik

Met betrekking tot de start van de periode van het seksueel misbruik met [slachtoffer 2] is hiervoor reeds geoordeeld onder punt 4. Hieruit volgt dat de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 2] tot een bewezenverklaring komt van seksueel misbruik over de periode vanaf 1 januari 2002 (tot 9 september 2002).

Ten aanzien van [slachtoffer 1] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring vanaf mei 1996 (eveneens tot 9 september 2002). Hierbij is van belang dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij denkt dat zij tijdens de eerste keer seksueel misbruik zes of zeven jaar oud was, dat het gebeurde in de woning aan de [adres 2] in Amsterdam en dat haar vader oppaste omdat haar moeder op reis was naar New Castle. Uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat de moeder van 10 tot 12 mei 1996 op reis was naar Londen en pas ruim negen jaar later (van 29 tot 30 juli 2005) naar New Castle. Tevens blijkt uit haar verklaring dat zij van maart 1989 tot juli 2001 aan de [adres 2] heeft gewoond. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [slachtoffer 1] in haar verklaring over de start van het seksueel misbruik per abuis als bestemming van haar moeders reis New Castle heeft genoemd in plaats van Londen. De reis naar New Castle vond immers in 2005 plaats, terwijl het seksueel misbruik in 2002 is gestopt. Bovendien woonde [moeder van slachtoffer] in 2005 niet meer aan de [adres 2] . In mei 1996 was [slachtoffer 1] acht jaar.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder punt 6 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van mei 1996 tot en met 6 april 2000 in de gemeente Amsterdam en/of Hilversum met zijn, verdachtes, minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd en zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en zijn penis door die [slachtoffer 1] laten likken en

- zijn tong en zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en

- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en gelikt;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van [geboortedatum] 2000 tot en met 9 september 2002 in de gemeente Hilversum met zijn, verdachtes, minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte:

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd en zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en zijn penis door die [slachtoffer 1] laten likken en

- zijn tong en zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en

- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en gelikt;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 9 september 2002 in de gemeente Hilversum met zijn, verdachtes, minderjarig kind [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd en die [slachtoffer 2] getongzoend en

- zijn tong en zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en

- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 2] betast en gelikt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf en maatregel

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

10.2

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich langdurig en veelvuldig schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee van zijn jonge dochters. Het misbruik van [slachtoffer 1] heeft ruim zes jaren geduurd en begon toen zij nog slechts acht jaar was. De seksuele handelingen bestonden mede uit het veelvuldig op allerlei manieren seksueel binnendringen van haar lichaam. Het misbruik met [slachtoffer 2] is bewezenverklaard voor een periode van 8 maanden, terwijl zij toen nog slechts 12 jaar was. Ook bij [slachtoffer 2] bestonden de handelingen mede uit het meermalen binnendringen van haar lichaam. Verdachte heeft aldus op grove wijze misbruik gemaakt van zijn morele en fysieke overmacht op zijn dochters en daarbij in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat zijn dochters in hem als vader mochten stellen. Verdachte heeft bevrediging gezocht van zijn eigen seksuele verlangens en is daarbij volledig voorbijgegaan aan onder meer de psychische schade die hierdoor aan zijn dochters kon worden toegebracht. De ervaring leert dat een dergelijk seksueel misbruik nadelige psychische gevolgen van veelal lange duur met zich meebrengt. De rechtbank acht aannemelijk dat deze nadelige psychische gevolgen worden versterkt door de proceshouding van verdachte, die de beschuldigingen stelselmatig en op calculerende wijze ontkent en zijn dochters daarbij kwalificeert als leugenachtig, verward en psychisch niet in orde. Verdachte heeft op geen enkele wijze berouw getoond of verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met justitie.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport d.d. 1 juli 2014, opgemaakt door drs. ML. de Groot, GZ-psycholoog i.o., onder supervisie van drs.

J.M. Oudejans, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Betrokkene is lijdend aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dit was eveneens het geval ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene is zich waarschijnlijk goed bewust geweest van de wederrechtelijkheid en de (seksuele) grensoverschrijdendheid van zijn gedrag, mits bewezen. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van beide slachtoffers, die melden dat betrokkene hen veelvuldig manipuleerde om het seksueel misbruik geheim te houden. Door zijn beperkte empathische vermogens en het onvermogen zich in te leven in anderen, werd hij echter onvoldoende geremd in de seksueel grensoverschrijdende contacten met zijn dochters, die vooral bepaald lijken door een combinatie van macht uitoefenen en seksueel opportunisme. Zijn dochters waren gezien hun jonge leeftijd afhankelijk van hem en vanwege de hiërarchische verhouding die een vader-dochterrelatie eigen is aldus niet in staat om hun vader te begrenzen. Hierdoor bestond er voor hem weinig risico dat hij zou worden afgewezen en gekrenkt in zijn toenaderingspogingen. Deze angst voor krenking speelt in alle andere (seksuele) relaties met vrouwen wel een rol, waardoor hij (seksuele) relaties met vrouwen hoofdzakelijk uit de weg gaat. Het was voor hem psychologisch gezien aldus verleidelijk om de grenzen van zijn machtspositie over zijn dochters steeds meer op te zoeken en te overschrijden, indien laatste bewezen wordt geacht.

Gezien bovenstaande wordt geadviseerd om betrokkene licht verminderd toerekeningsvatbaar te houden voor hetgeen hem ten laste wordt gelegd, indien bewezen.

Het is, gelet op de specifieke gezinscontext waarbinnen de ten laste gelegde feiten zich hebben afgespeeld, in combinatie met zijn angst om een nieuwe relatie te beginnen met een vrouw, met of zonder kinderen, onaannemelijk dat betrokkene zich opnieuw in een relatie zal begeven waarbinnen kinderen in het spel zijn en hij opnieuw tot vergelijkbaar seksueel grensoverschrijdend gedrag zal komen. Op basis van het huidige onderzoek wordt het recidive-risico dan ook klein geacht.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 9 juli 2014, opgemaakt door drs. I. Maksimovic, psychiater. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met narcistische trekken. Een persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken is een chronische aandoening die gedurende betrokkenes volwassenheid aanwezig is. Betrokkene ontkent het ten laste gelegde stellig. Daarom kan het ten laste gelegde met betrokkene niet worden geëxploreerd. Ondergetekende is vanwege dat feit niet in staat om een uitspraak te doen over een eventueel verband tussen betrokkenes stoornis en het ten laste gelegde, indien bewezen, noch over de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene. Aangezien er geen verband geëxploreerd en/of geconstateerd kan worden tussen betrokkenes stoornis en het ten laste gelegde, is het vanuit gedragskundig perspectief niet goed mogelijk om gefundeerde uitspraken te doen over de kans op herhaling.

Hoewel de conclusies van de psycholoog en de psychiater niet geheel gelijkluidend zijn, neemt de rechtbank hun beider oordeel omtrent de persoonlijkheidsstoornis over, evenals het oordeel van de psycholoog omtrent de toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico en maakt die tot de hare. Aldus houdt de rechtbank rekening met de narcistische persoonlijkheidsstoornis van verdachte, dan wel de persoonlijkheidsstoornis niet nader omschreven met narcistische trekken. De rechtbank acht verdachte op grond hiervan licht verminderd toerekeningsvatbaar. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat het recidiverisico, met name gelet op de specifieke gezinscontext waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond, gering moet worden geacht.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in januari 2014 is aangehouden en dat thans – twee en een half jaar later – op de zaak wordt beslist, terwijl uitgangspunt is dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na het moment waarop verdachte de verwachting kon hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de termijn van twee jaren met vijf maanden rechtvaardigt, zodat om die reden een strafkorting van 5 % wordt toegepast.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en tevens nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 3, is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht alles afwegende in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 51 maanden aangewezen. Rekening houdend met voornoemde strafkorting acht de rechtbank een gevangenisstraf van afgerond 48 maanden, aldus 4 jaar, passend en geboden.

Beslag

Onder aangeefsters zijn een dicteerapparaat ( [slachtoffer 1] ) en twee mappen met diverse papieren ( [slachtoffer 2] ) in beslag genomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze voorwerpen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen te worden geretourneerd.

11 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) vordert € 45,42 aan materiële schadevergoeding en € 45.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) vordert € 920,49 aan materiële schadevergoeding en € 45.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat aan [slachtoffer 1] door het onder 7 – de feiten 1 en 2 – bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht en dat aan [slachtoffer 2] door het onder 7 – feit 4 – bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht

De rechtbank overweegt dat de in beide vorderingen opgevoerde reiskosten vanwege een eventueel in te stellen hoger beroep van € 5,92 dienen te worden afgewezen, nu het onzeker is of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. Ditzelfde geldt voor de door [slachtoffer 2] gevorderde toekomstige kosten van € 60,-- in het kader van de Talking Circle-behandeling.

De rechtbank concludeert dat beide vorderingen tot materiële schadevergoeding voor het overige toewijsbaar tot een bedrag van € 39,50 in het geval van [slachtoffer 1] en een bedrag van € 854,57 in het geval van [slachtoffer 2] .

Immateriële schade

De verdediging heeft gesteld dat de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade veel te hoog zijn, onvoldoende zijn onderbouwd en een te zware belasting voor het strafproces vormen en derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade haar redelijk voorkomen en aldus toewijsbaar zijn, gelet op de ernst van de feiten en de impact daarvan op de slachtoffers.

De rechtbank is van oordeel dat aan [slachtoffer 1] door het onder 7 – de feiten 1 en 2 – bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en dat aan [slachtoffer 2] door het onder 7 – feit 4 – bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op de ernstige inbreuk die is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de benadeelde partijen, acht de rechtbank in beide gevallen een vergoeding tot in ieder geval een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schade, redelijk en billijk.

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank ziet aanleiding de wettelijke rente over de toe te wijzen schade toe te wijzen vanaf de dag van de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te weten 30 juli 2013.

De rechtbank zal ten aanzien van beide vorderingen de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten – ten aanzien van [slachtoffer 1] de feiten 1 en 2 en ten aanzien van [slachtoffer 2] feit 4 – zijn toegebracht. De vervangende hechtenis, bij gebreke van betaling en verhaal, wordt door de rechtbank vastgesteld op een duur van 20 dagen.

12 Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft verzocht om opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis.

De raadsman heeft – kort gezegd – verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, althans de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te laten voortduren, zodat verdachte de behandeling van een eventueel hoger beroep in vrijheid kan afwachten.

De rechtbank oordeelt dat de grond voor de voorlopige hechtenis, mede gelet op de in dit vonnis gegeven beslissingen, ook thans nog aanwezig is.

De grond voor de voorlopige hechtenis is gelegen in de omstandigheid dat sprake is van feiten waarop een gevangenisstraf van 12 jaar is gesteld en de rechtsorde ernstig is geschokt. Bij dit laatste overweegt de rechtbank tevens dat verdachte bij vonnis van heden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank dient bij het nemen van een beslissing over de voorlopige hechtenis de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de verdachte tegen elkaar af te wegen en na te gaan of het voortduren van de voorlopige hechtenis wenselijk is. Bij die belangenafweging speelt de eis van rechtshandhaving een rol maar ook het bepaalde in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) met betrekking tot de bescherming van het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid (artikel 5).

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een geval waarin een inbreuk op genoemd recht mag worden gemaakt, nu sprake is van rechtmatige detentie na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. De rechtbank onderkent het belang van verdachte bij het afwachten van een eventueel hoger beroep in zijn zaak in vrijheid. Bij afweging van zijn belangen tegen de belangen van de samenleving en de slachtoffers, wegen laatstgenoemde belangen echter zwaarder. Dit leidt tot het oordeel dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven. De rechtbank ziet aanleiding hier een termijn van 14 dagen aan te verbinden, aldus dat de schorsing per 13 juli 2016 wordt opgeheven.

De beslissing tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat niet meer wordt toegekomen aan het door de officier van justitie gevorderde contactverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij is van belang dat de thans geldende schorsingsvoorwaarden, inclusief contactverbod, van kracht blijven tot de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis over 14 dagen.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

14 Beslissing

Verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

ten aanzien van feit 4:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [vderdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van:

1 dicteerapparaat, Yamaha Pocketra, beslagnummer: 4612229.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van:

  • -

    1 steekmap met dagboekaantekeningen, beslagnummer: 4771407;

  • -

    1 map met diverse papieren, beslagnummer: 4807838.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 39,50 aan materiële schadevergoeding.

Wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade voor het overige af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding.

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar overige vordering tot vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, te betalen een bedrag van in totaal € 10.039,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 10.039,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 854,57 aan materiële schadevergoeding.

Wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade voor het overige af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding.

Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar overige vordering tot vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] voornoemd, te betalen een bedrag van in totaal € 10.854,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen de som van € 10.854,57, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 13 juli 2016.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.E.B. Nyman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2016.