Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3870

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
C/13/591397 / FA RK 15-5512 en C/13/601150 / FA RK 16-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeenschap van goederen. Overeenstemming op deelonderwerpen, waaraan partijen gebonden worden geacht. Verzoek benadeling ogv art 1:164 BW, dan wel schade ogv art 6:162 BW en verzoek gebruiksvergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 1 164
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/85 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/591397 / FA RK 15-5512 (echtscheiding) en C/13/601150 / FA RK 16-322 (veve)

Beschikking van 22 juni 2016

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende, tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. J.I. Dierkx te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende, tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

1.2.

De onderhavige zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 21 maart 2016. Bij deze behandeling zijn gehoord: partijen en hun advocaten.

1.3.

Partijen hebben, zoals afgesproken, na de zitting nog stukken toegezonden. Ter griffie is op 23 maart 2016 ingekomen een faxbericht met bijlagen 1 tot en met 3 van de zijde van de man en op 29 maart 2016 een faxbericht (tevens per gewone post) met producties 47 tot en met 50 van de zijde van de vrouw.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op [datum] in [plaats] in wettelijke gemeenschap van goederen.

2.2.

Partijen hebben de huwelijkse samenleving op [datum] verbroken.

3 Verzoeken en verweren

3.1.

De man verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken;

  • -

    hij met ingang van de datum dat de echtscheiding wordt uitgesproken, althans een datum die juist wordt geacht, uitsluitend gerechtigd zal zijn tot het blijven bewonen en gebruiken van de woning aan de [straat] , zulks met uitsluiting van de vrouw, voor onbepaalde tijd, althans tot een datum die juist wordt geacht;

  • -

    de echtelijke woning vanaf het moment dat de echtscheiding wordt uitgesproken, althans een datum die juist wordt geacht, aan hem wordt toebedeeld en dat de vrouw haar volledige medewerking verleent om de toebedeling en tenaamstelling van de woning aan de man te bespoedigen;

  • -

    met ingang van deze beschikking, althans een datum die juist wordt geacht, aan hem door de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een uitkering tot levensonderhoud wordt voldaan van € 5.260,- per maand, althans € 3.213,- per maand, althans een bedrag dat juist wordt geacht;

  • -

    partijen zullen overgaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door hem voorgestelde wijze.

De man verweert zich tegen de hierna te vermelden zelfstandige verzoeken van de vrouw met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding.

3.2.

De vrouw verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken en na wijziging van haar oorspronkelijke verzoeken – zo begrijpt de rechtbank – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

  • -

    te bepalen, althans voor recht te verklaren, dat de man gehouden is de door hem veroorzaakte schade van minimaal € 12.450,- ex artikel 1:164 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de gemeenschap te vergoeden, dan wel de helft daarvan ex artikel 6:162 BW binnen twee weken na beschikking aan haar te voldoen;

  • -

    primair

 te bepalen dat de man per direct de echtelijke woning dient te verlaten en te bepalen dat het haar vervolgens is toegestaan de woning weer te betreden;

 voorwaardelijk (zodra zij weer in de echtelijke woning woont) te bepalen dat zij het alleengebruik van de woning en de inboedel heeft gedurende zes maanden;

 te bepalen dat zij de echtelijke woning toegescheiden krijgt en de man gehouden is om op haar eerste afroep zijn medewerking te verlenen aan de levering van zijn eigendomsdeel aan haar, bij gebreke waarvan hij jegens haar een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag;

 subsidiair

 voorwaardelijk (indien het verzoek van de man tot voortgezet gebruik wordt toegewezen) te bepalen dat de man gehouden is haar een gebruiksvergoeding te betalen van € 416,- per maand, alsmede dat de man gehouden is alle aan het gebruik van de woning verbonden kosten geheel voor eigen rekening te nemen;

 voorwaardelijk (indien het verzoek van de man tot toedelen van de woning aan hem wordt toegewezen) te bepalen dat de man binnen twee weken na beschikking zijn medewerking dient te verlenen aan het verstrekken van de opdracht aan een voor beide partijen aanvaardbare NVM makelaar, tevens beëdigd taxateur, tot het opstellen van een taxatierapport van de echtelijke woning, alsmede aan het faciliteren van de uitvoering van de opdracht, alsmede dat de man gehouden is de helft van de taxatiekosten te voldoen en dat hij binnen twee maanden na beschikking aan haar de stukken dient over te leggen waaruit blijkt dat hij de huidige hypotheekschuld en de helft van de overwaarde kan financieren en aan haar gelijktijdig ontslag wordt verleend uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en aan de vrouw de helft van de overwaarde dient te voldoen en dat hij binnen drie maanden na de beschikking ervoor zorg dient te dragen een notaris benoemd te hebben, die de akte van de levering laat verlijden en dat de kosten daarvoor voor rekening van de man komen en – indien de man een van deze voorwaarden niet nakomt – de woning aan haar wordt toegescheiden, zulks onder door de rechtbank nader te bepalen voorwaarden;

 voorwaardelijk (indien de rechtbank de man toestaat in de woning te verblijven) te bepalen dat de man gehouden is haar op eerste afroep toe te staan haar persoonlijke zaken uit de woning op te halen, zulks onder verbeurte van een aan haar verschuldigde dwangsom van € 250,- per dag gedurende de periode dat de man nalaat hier uitvoering aan te geven;

  • -

    te bepalen dat de man gehouden is alle afschriften over te leggen van de op zijn naam staande bankrekeningen (inclusief die van zijn creditcard) over de periode 1 februari tot 1 augustus 2015;

  • -

    te bepalen dat de door de man gekochte auto met kenteken [kenteken 1] tegen de aanschafwaarde van € 31.650,- in de verdeling betrokken wordt en aan de man wordt toebedeeld tegen gelijktijdige betaling aan haar van een bedrag van € 15.825,-;

  • -

    te bepalen dat de man gehouden is alle stukken over te leggen waaruit de omvang van de nalatenschap afgeleid kan worden en deze nalatenschap te betrekken bij de verdeling tegen de waarde per 1 augustus 2015 en te bepalen dat de man primair de sanctie ex artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt jegens haar en subsidiair gehouden is de helft van de op 1 augustus 2015 vast te stellen waarde van de nalatenschap binnen twee weken na beschikking aan haar te voldoen;

  • -

    te bepalen dat de man gehouden is alle bankafschriften over te leggen, waaruit de saldi blijken op 26 februari 2015 en te bepalen dat de man gehouden is haar de helft van die saldi, dan wel de helft van de saldi op een juist geachte datum, binnen twee weken aan haar te voldoen;

  • -

    te bepalen dat partijen binnen twee weken na beschikking een lijst dienen over te leggen waarop zij aangeven op welke wijze zij de inboedel wensen te verdelen, en dienaangaande de verdeling van de inboedel te bepalen.

De vrouw verweert zich tegen de verzoeken van de man met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding.

4 De beoordeling

Echtscheiding

4.1.

Tussen partijen staat vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding is dan ook toewijsbaar.

Overeenstemming verdeling en alimentatie?

4.2.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat partijen op 26 februari 2015 reeds overeenstemming hebben bereikt over de verdeling en over de door haar aan de man te betalen partneralimentatie. Zij verwijst daartoe naar een door haar overgelegde emailwisseling tussen haar en de man van 26 februari 2015. Ter zitting heeft zij haar aanvankelijke primair ingenomen standpunt, dat het verzoek van de man tot het vaststellen van alimentatie dient te worden afgewezen, in zoverre gewijzigd.

4.3.

De man betwist dat er reeds afspraken tussen hen gelden ten aanzien van de verdeling en de partneralimentatie. Hij ontkent niet dat de desbetreffende emailberichten door hem en de vrouw naar elkaar zijn verzonden, maar stelt zich op het standpunt dat de daarin gemaakte afspraak bedoeld was als uitgangspunt te fungeren voor de door partijen opgepakte mediation. Hij stelt dat de vrouw nadien, gedurende de mediation, op dit uitgangspunt is teruggekomen. Naar zijn mening zouden partijen gaan overeenkomen dat niet de vrouw maar hij de woning zou krijgen toebedeeld, hoewel het mediationtraject niet heeft geleid tot een definitieve overeenkomst. Verder heeft hij er op gewezen dat de bijbehorende berekeningen in de door de vrouw overgelegde uitdraaien van de emailberichten ontbreken.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het bedoelde emailbericht van de man aan de vrouw gedateerd 26 februari 2015 vermeldt onder meer:

Hierbij mijn berekening. Ik denk dat het een redelijke berekening is !!! (geen van beide partijen zal onder deze omstandigheden financiële “pijn” lijden).

Toelichting:

Woning + rest schuld – gaat naar [naam 1]

Auto verdeling conform afspraak

Inboedel – gaat naar [naam 1]

Naast de berekening/cq vermogensverdeling geldt natuurlijk nog altijd een partneralimentatie van 500 euro p/mnd.

Ik hoop dat jij je erin kunt vinden. Indien je akkoord bent, kunnen wij (met veel pijn in mijn hart, en met veel tegenzin) z.s.m. tekenen.

De vrouw antwoordt in haar emailbericht gedateerd 26 februari 2015:

“Fijn dat ik in de woning mag blijven. Bijgaand mijn berekening, hoor graag of je hierin kunt vinden.”

4.5.

De vrouw stelt dat zij het aanbod van de man, inhoudende dat de woning, de restschuld en de inboedel naar haar gaat, de auto’s worden verdeeld conform afspraak en dat zij aan hem een partneralimentatie zou betalen van € 500,- per maand, met haar emailbericht van 26 februari 2015 heeft aanvaard, hetgeen de man niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft betwist. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in ieder geval op deze punten en op dat moment tussen partijen sprake was van wilsovereenstemming. De toelichting van de man dat de afspraak als uitgangspunt zou moeten dienen in mediation, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Immers kan, zonder dat sprake is van finale overeenstemming over de financiële uitwerking van een vermogensverdeling, al op onderdelen overeenstemming zijn bereikt. Eerder nog ondersteunt het standpunt van de man het oordeel van de rechtbank dat partijen reeds op 26 februari 2015 op die hiervoor genoemde punten (toedeling woning+restschuld, inboedel en auto’s en hoogte partneralimentatie) overeenstemming hebben bereikt, waaraan zij beiden gebonden wilden zijn. Dat het partijen in mediation ondanks die overeenstemming vrij stond om in onderling overleg toch tot andere afspraken te komen, moge zo zijn, maar vast staat dat de mediation voortijdig is afgebroken, zonder dat er een overeenkomst tot stand is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat partijen het, met de wederzijdse instemming over de toedeling van de woning + restschuld en inboedel aan de vrouw en de toedeling van de auto’s, ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft, met andere woorden: het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling. Hoewel er daarom geen volledige verdeling heeft plaatsgevonden – en er voor de rechtbank nog ruimte is om de wijze van verdeling te gelasten c.q. de verdeling vast te stellen – acht de rechtbank partijen aan de op 26 februari 2015 gemaakte deelafspraken gebonden en zal derhalve met inachtneming van de afspraken beslissen.

Partneralimentatie

4.6.

De man verzoekt een ten laste van de vrouw uitkering tot levensonderhoud vast te stellen van € 5.260,- per maand, althans € 3.213,- per maand, althans een bedrag dat juist wordt geacht, met ingang van de datum van de beschikking, althans met ingang van een datum die juist wordt geacht. Zoals hiervoor is overwogen zijn partijen naar het oordeel van de rechtbank met elkaar overeengekomen dat de vrouw aan de man een alimentatie van € 500,- per maand zal betalen, waaraan partijen geacht worden gebonden te zijn. Door de man is niet, althans onvoldoende concreet gesteld dat die overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven of anderszins inmiddels is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak staat het de rechter niet vrij de bij de echtscheidingsbeschikking of latere uitspraak te bepalen partneralimentatie te doen ingaan op een eerdere datum dan die van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (o.a. HR 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:AC0478, en HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999LZC2961). De rechtbank zal aldus bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking aan de man een uitkering tot zijn levensonderhoud zal betalen van € 500,- per maand.

Verdeling

4.8.

Partijen zijn op 7 augustus 1992 te Amsterdam in gemeenschap van goederen gehuwd. Een wettelijke gemeenschap van goederen wordt van rechtswege ontbonden in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Het verzoek tot echtscheiding is ter griffie van de rechtbank ingekomen op 31 juli 2015. Dat brengt mee dat de huwelijksgemeenschap die tussen partijen bestond op 31 juli 2015 is ontbonden. Na die datum kan de omvang van de gemeenschap niet meer wijzigen, de omvang staat op dat moment vast en alle financiële transacties die daarna nog plaatsvinden hebben daarom geen effect op de omvang van die ontbonden huwelijksgemeenschap.

4.9.

De vrouw vraagt zich af of van haar gevergd kan worden dat de omvang van de huwelijksgemeenschap wordt bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, aangezien de man volgens haar reeds sinds januari 2013 een nieuwe vriendin heeft voor wie hij hoge kosten voldoet. Voor zover die uitgaven zien op de periode van zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek –dus vanaf 1 februari 2015- vallen die uitgaven volgens de vrouw onder de reikwijdte van artikel 1:164 lid 1 BW. Om de omvang van de schade te kunnen beoordelen, verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat de man gehouden is alle afschriften van de op zijn naam staande bankrekeningen over genoemde periode over te leggen.

4.10.

Ter zitting is met partijen de mogelijkheid besproken van een eerdere peildatum voor wat betreft de saldi van de bankrekeningen van partijen, mede gelet op het verzoek van de vrouw om voor wat de bankrekeningen uit te gaan van de datum uiteengaan van partijen, te weten 26 februari 2015. Van de zijde van de vrouw waren reeds de saldi bankrekeningen op 26 februari 2015 in het geding gebracht. De man heeft zich ter zitting bereid verklaard om voor wat betreft zijn bankrekeningen uit te gaan van 1 februari 2015, zodat in zoverre tegemoetgekomen wordt aan het bezwaar van de vrouw dat zij anders, indien voor wat betreft zijn saldi zou worden uitgegaan van de datum indiening verzoekschrift, meebetaalt aan de uitgaven van de man vanaf 1 februari 2015 tot 1 augustus 2015. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank, nog los van de vraag of zij dit belang had, een rechtens te respecteren belang van de vrouw tot inzage in de bankrekeningen vanaf 1 februari 2015 tot 1 augustus 2015 komen te vervallen. Nu er in zoverre overeenstemming tussen partijen bestaat over de te hanteren peildata voor wat betreft het saldo van de bankrekeningen zal de rechtbank daarvan uitgaan. De man heeft zoals afgesproken na de zitting de bankafschriften overgelegd waaruit de saldi per 1 februari 2015 blijken.

4.11.

De vrouw stelt daarnaast dat de man mogelijk in de periode voorafgaand aan de peildatum een nalatenschap heeft ontvangen, die de man dan heeft verzwegen. Zij verzoekt te bepalen dat de man gehouden is alle stukken over te leggen waaruit de omvang van die nalatenschap kan worden afgeleid alsmede deze nalatenschap te betrekken bij de verdeling tegen de waarde per peildatum en daarbij primair te bepalen dat de man de sanctie ex artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt, subsidiair dat de man de helft van de op de peildatum vast te stellen waarde van de nalatenschap aan haar dient te voldoen.

4.12.

De man betwist dat hij een nalatenschap heeft ontvangen en stelt in dit kader dat niet hij, maar zijn moeder, een erfenis heeft ontvangen van haar ouders.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reële mogelijkheid dat een door de man ontvangen nalatenschap in de verdeling dient te worden betrokken, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de man op haar weg lag, zodat haar verzoeken dienaangaande worden afgewezen.

4.14.

De man stelt op zijn beurt dat het juist de vrouw is die een bedrag uit erfenis heeft ontvangen en dat ter zake daarvan – zo begrijpt de rechtbank – op de peildatum een vordering bestond van de vrouw op haar broer, welke vordering in de verdeling dient te worden betrokken.

4.15.

De vrouw heeft met stukken onderbouwd betwist dat die vordering op de peildatum nog bestond, hetgeen door de man onvoldoende onderbouwd is weersproken.

4.16.

Gelet daarop gaat de rechtbank aan het verzoek van de man om terzake daarvan een bedrag in de verdeling te betrekken voorbij.

4.17.

De vrouw verzoekt nog de door partijen met betrekking tot het jaar 2014 verschuldigde Inkomstenbelasting (IB) en bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) van in totaal € 49.040,- in de verdeling te betrekken, waarvan zij stelt dat deze op de peildatum bestond. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij deze schuld na de peildatum heeft voldaan. Zij is in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling nog stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij de desbetreffende schuld na de peildatum heeft voldaan. Uit een door haar overgelegd afschrift van haar ondernemersrekening met [nummer] blijkt dat er van die rekening op 23 november 2015 een bedrag van € 2.829,- en op 24 november 2015 een bedrag van € 47.163,- is overgemaakt ten gunste van de Belastingdienst. Nu de gemotiveerde en met stukken onderbouwde stelling van de vrouw door de man onvoldoende gemotiveerd is weersproken, zal de rechtbank aan de passiva zijde rekening houden met het totaal aan de Belastingdienst overgemaakte bedrag van € 49.992,-, in die zin dat bij de afwikkeling rekening wordt gehouden met de regresvordering die de vrouw ter zake heeft op de man.

4.18.

Met inachtneming van het voorgaande en hetgeen uit het verhandelde ter zitting is gebleken, staat vast dat de huwelijksgemeenschap op de peildatum, te weten 31 juli 2015, bestond uit de volgende bestanddelen:

Activa

  • -

    echtelijke woning gelegen aan de [straat] ;

  • -

    inboedel;

  • -

    auto op naam van de man met kenteken [kenteken 1] ;

  • -

    auto op naam van de (onderneming van de) vrouw met kenteken [kenteken 2] ;

  • -

    saldi bankrekeningen op naam van de vrouw;

  • -

    saldi bankrekeningen op naam van de man;

  • -

    activa eenmanszaak [bedrijf] .

Passiva

  • -

    hypothecaire geldlening Rabobank verbonden aan de echtelijke woning;

  • -

    schuld IB/ZVW 2014.

4.19.

De door de man genoemde verzekeringen, die overigens in het overzicht van de vrouw ontbreken, betreffen risicoverzekeringen, zodat er ten aanzien van die verzekeringen geen sprake is van vermogensbestanddelen die in de verdeling dienen te worden betrokken.

4.20.

Door de vrouw is onvoldoende betwist gesteld dat (enkel) de volgende bankrekeningen op haar naam, althans op naam van haar onderneming, stonden op de van toepassing zijnde peildatum:

  • -

    ING betaalrekening met [nummer] ;

  • -

    ING spaarrekening met [nummer] ;

  • -

    ABN Amro zakelijke betaalrekening met [nummer] ;

  • -

    ABN Amro zakelijke depositorekening met [nummer] .

4.21.

Verder heeft zij onbetwist gesteld dat het saldo van de Rabobank spaarrekening met [nummer] , die inmiddels is opgeheven, op de bedoelde peildatum zodanig laag was (€ 0,04) dat er geen verdeling behoeft plaats te vinden.

4.22.

Door de man is onvoldoende betwist gesteld dat (enkel) de volgende bankrekeningen op zijn naam stonden op de van toepassing zijnde peildatum:

ING betaalrekening met [nummer] ;

ING spaarrekening met [nummer] .

4.23.

Ten aanzien van de waardering van de bestanddelen geldt het volgende.

Echtelijke woning

4.24.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank gelasten dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld. Niet in geschil tussen partijen is dat de woning een overwaarde vertegenwoordigt, nu de woning, blijkens de opgave van de man, slechts is bezwaard met een hypotheek van € 22.000,-. Partijen verschillen echter van mening over de waarde van de woning. Door de man is een (inmiddels gedateerde) taxatie overgelegd, waarvan de taxatiewaarde door de vrouw wordt betwist. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de woning naar de huidige waarde dient te worden getaxeerd door een makelaar/taxateur en hebben zich ter zitting ermee bereid verklaard dat de rechtbank een makelaarskantoor zal aanwijzen zonder hun voorafgaande akkoord over dit kantoor.

4.25.

De rechtbank bepaalt daarom dat door partijen binnen twee weken na heden een gezamenlijke opdracht dient te worden gedaan aan makelaarskantoor Hoekstra en Van Eck, gevestigd aan de Meer en Vaart 82 te Amsterdam (amsterdamwest@hoekstraenvaneck.nl/ tel nr. 020-2051070), welke opdracht inhoudt:

te taxeren de huidige onderhandse verkoopwaarde van de woning aan de [straat] , vrij van huur en gebruik, mede in acht genomen de bestemming die de woning op grond van publiekrechtelijke regelgeving heeft.

4.26.

De rechtbank ziet aanleiding om, mede gelet op het tijdsverloop sedert de tussen partijen getroffen afspraak om de woning aan de vrouw toe te delen, de onvoldoende weersproken suggestie van de vrouw om deze taxatie bindend te laten zijn, te volgen.

4.27.

Dat brengt mee dat de rechtbank zal gelasten dat aan de vrouw wordt toebedeeld de onroerende zaak staande en gelegen aan de [straat] , tegen de taxatiewaarde zoals deze tussen partijen bindend zal worden vastgesteld na een door partijen gezamenlijk gegeven opdracht aan het hiervoor bedoelde makelaarskantoor, onder de opschortende voorwaarde dat tevens de met deze woning verbonden hypothecaire geldlening, afgesloten bij de Rabobank, door de vrouw wordt overgenomen en de man ter zake deze hypothecaire lening gelijktijdig door de hypotheekhouder volledig wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. De vrouw is in verband met deze toedeling gehouden aan de man te voldoen de hiervoor bedoelde taxatiewaarde minus de aan de taxatie en de verdeling van de woning verbonden kosten minus de hypothecaire schuld op het moment van toedeling.

4.28.

De man dient zijn medewerking te verlenen aan zowel een spoedige taxatie als toedeling van de woning aan de vrouw. Het verzoek van de vrouw aan deze medewerking (op haar eerste afroep) een dwangsom te verbinden, wijst de rechtbank af, nu er thans geen aanleiding is te veronderstellen dat de man de beslissing van de rechtbank niet zal nakomen.

Inboedel

4.29.

Nu partijen aanvankelijk zijn overeengekomen dat met de toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw ook de inboedel aan de vrouw wordt toebedeeld, terwijl uit de standpunten van partijen niet blijkt dat zij zich hiertegen thans (nog) verzetten, zal de rechtbank aldus bepalen. De man heeft een inboedellijst overgelegd waaruit een door hem totaal geschatte waarde blijkt van € 7.500,-. De vrouw heeft deze lijst met de door de man geschatte waardes niet betwist en heeft evenmin zelf een overzicht in het geding gebracht. De rechtbank zal daarom gelasten dat de inboedel aan de vrouw dient te worden toebedeeld met de verplichting een vergoeding uit overbedeling te voldoen van € 3.750,-.

Bankrekeningen

4.30.

Ten aanzien van de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw geldt dat zal worden uitgegaan van de saldi per datum 26 februari 2015, te weten:

  • -

    € 2.554,- (saldo ING betaalrekening met [nummer] );

  • -

    € 12.999,- (saldo ING spaarrekening met [nummer] ).

4.31.

Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi van de zakelijke rekeningen eveneens per 26 februari 2015 in de verdeling dienen te worden betrokken.

Deze saldi van de rekeningen op naam van de eenmanszaak van de vrouw bedragen:

  • -

    € 26.595,- (saldo ABN Amro zakelijke betaalrekening met [nummer] );

  • -

    € 42.814,- (saldo ABN Amro zakelijke depositorekening met [nummer] ).

4.32.

Ten aanzien van de saldi van de bankrekeningen op naam van de man geldt dat zal worden uitgegaan van de saldi per datum 1 februari 2015, te weten:

  • -

    € 3.480,- (afgerond saldo ING betaalrekening met [nummer] );

  • -

    € 2.800,- (saldo ING spaarrekening met [nummer] ).

4.33.

De bankrekeningen op naam van de vrouw (of haar onderneming) worden aan haar toebedeeld en de bankrekeningen op naam van de man aan hem. De vrouw is dan overbedeeld en de man is dan onderbedeeld met een bedrag van € 39.341,-

Auto’s

4.34.

De man stelt voor de waarde van de auto’s tegen elkaar weg te strepen, nu het gaat om qua merk, type en bouwjaar identieke auto’s. De vrouw verweert zich hiertegen. Zij was het aanvankelijk eens met het wegstrepen van de auto’s omdat de man destijds nog een andere auto had en partijen het toen met elkaar eens waren dat zowel die auto als die van haar een waarde vertegenwoordigden van circa € 18.000,-. Zij stelt dat de man echter inmiddels, in februari 2015, een andere auto heeft gekocht met een hogere waarde dan die van haar. Ter onderbouwing legt zij een advertentie over waarin de desbetreffende auto van de man, met kenteken [kenteken 1] , wordt aangeboden voor een bedrag van € 31.650,-.

4.35.

De rechtbank overweegt als volgt.

Geen van partijen heeft inzicht gegeven in de recente dagwaarde van de auto’s, noch in die van een eerdere datum. Gelet op de onbetwist gebleven stelling van de man dat de auto’s qua merk, type en bouwjaar identiek zijn aan elkaar, volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat de waardes van de auto’s gelijk moeten worden geacht. Dat de aanschafwaarde van de door de man in februari 2015 gekochte auto mogelijk hoger ligt, doet daar niet aan af. Daarbij is in aanmerking genomen dat partijen de banksaldi van de man per 1 februari 2015 verdelen en dat de vrouw derhalve niet ‘meebetaalt’ aan de aanschafprijs van die auto. Indien de rechtbank uit zou moeten gaan van de waarde per 1 februari 2015, aansluitende bij het moment dat de saldi van de bankrekeningen van de man tussen partijen zullen worden verdeeld, zou eveneens sprake zijn van auto’s die een gelijke waarde vertegenwoordigen, blijkens de standpunten van partijen daarover. Gelet daarop zal de verdeling van de auto’s niet leiden tot een over- of onderbedelingsvergoeding. De verzoeken van de vrouw dienaangaande wijst de rechtbank daarom af. De rechtbank zal gelasten dat de auto op naam van de man aan hem dient te worden toebedeeld en de auto van de vrouw, die feitelijk deel uitmaakt van de activa van haar eenmanszaak, middels het toedelen van die activa aan haar, zoals hierna wordt overwogen, aan de vrouw, zonder gehoudenheid tot vergoeding.

Eenmanszaak

4.36.

De vrouw heeft een onderneming, een eenmanszaak, genaamd [bedrijf] . De man schat de waarde van die onderneming op € 50.000,-. Hij acht het wenselijk als de onderneming door een deskundige wordt getaxeerd.

4.37.

De vrouw stelt, onderbouwd met een verklaring door haar accountant, dat er geen sprake is van op geld te waarderen goodwill in de onderneming, omdat de werkzaamheden die zij middels de onderneming verricht erg persoonsgebonden zijn en dat er, anders dan de auto en de banksaldi op de ondernemingsrekeningen, geen activa in de onderneming aanwezig zijn. Zij meent dat nu de banksaldi en de auto reeds in de verdeling worden betrokken er met het toescheiden van de activa van de onderneming aan haar geen plaats meer is voor een overbedelingsvergoeding van haar aan de man.

4.38.

Tussen partijen is niet in geschil dat de activa van de onderneming aan de vrouw worden toebedeeld. De rechtbank is met de vrouw van mening dat, nu tussen partijen niet in geschil is dat de saldi op de ondernemingsrekeningen per 26 februari 2015 tussen partijen worden verdeeld en ook de auto in de verdeling wordt betrokken, met het toedelen van de activa van de onderneming aan de vrouw er geen plaats meer is voor een overbedelingsvergoeding van de vrouw jegens de man. Daarbij is in aanmerking genomen dat alleen al het totaal aan saldi op die rekeningen de door de man geschatte waarde van € 50.000,- overtreft.

IB schuld

4.39.

Nu vaststaat dat de vrouw de gemeenschapsschuld inmiddels heeft voldaan heeft zij terzake daarvan een regresrecht op de man voor de helft van dit bedrag, te weten een bedrag van € 24.996,- (de helft van € 49.992,-).

(Voortgezet) gebruik echtelijke woning

4.40.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man per direct de echtelijke woning dient te verlaten en te bepalen dat het haar is toegestaan de echtelijke woning te betreden en zij verzoekt (voorwaardelijk, zodra zij weer in de echtelijke woning woont) te bepalen dat zij jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking.

4.41.

De rechtbank is van oordeel dat nu de woning aan de vrouw zal worden toebedeeld daarmee voldoende is komen vast te staan dat de vrouw belang heeft bij een spoedige terugkeer in de woning. Anderzijds acht de rechtbank het redelijk dat aan de man een termijn wordt gegund om alternatieve woonruimte te zoeken. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat de vrouw bevoegd is met uitsluiting van de man de woning te bewonen, op de dag dat het eigendomsrecht van de woning aan de vrouw wordt overgedragen, doch niet later dan op de dag waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat de door deze rechtbank bepaalde alimentatieverplichting van de vrouw jegens de man eerst zal ingaan per datum inschrijving van deze beschikking en de vrouw thans nog de beschikking heeft over een huurwoning, die voor haar maandelijks opzegbaar is.

4.42.

Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van de vrouw om de man te bevelen de woning te verlaten toe te wijzen, in zoverre dat de man de woning uiterlijk op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zal dienen te verlaten en uitsluitend ter beschikking dient te stellen aan de vrouw, met dien verstande dat mocht het eigendomsrecht van de echtelijke woning reeds vóór de datum inschrijving van deze beschikking worden overgedragen aan de vrouw, die datum van eigendomsoverdracht zal gelden als uiterste dag waarop de man de woning ook feitelijk aan de vrouw dient over te dragen. De rechtbank acht dit verzoek voldoende samenhangend met de echtscheiding. Dit brengt tevens mee dat het verzoek van de vrouw dat zij jegens de man bevoegd is – kort gezegd – de bewoning en het gebruik van de woning gedurende zes maanden voort te zetten vanaf datum inschrijving echtscheiding wordt toegewezen. Voorts acht de rechtbank het verzoek van de man, te bepalen dat hij met ingang van deze beschikking uitsluitend gerechtigd is tot het blijven bewonen en gebruiken van de woning, voldoende samenhangend met de echtscheiding. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de woning voort te zetten tot de dag waarop het eigendomsrecht van de man wordt overgedragen aan de vrouw, doch uiterlijk op de dag waarop de echtscheiding wordt ingeschreven in de daartoe bedoelde registers. Voor het overige wordt het verzoek van de man afgewezen.

4.43.

Nu de vrouw op afzienbare termijn weer haar intrek in de echtelijke woning zal kunnen nemen, wijst de rechtbank haar verzoek te bepalen dat de man gehouden is haar op eerste afroep toe te staan haar persoonlijke zaken uit de woning op te halen (onder verbeurte van een dwangsom) wegens gebrek aan voldoende belang af.

Schadevergoeding huur en gebruiksvergoeding

4.44.

De vrouw stelt dat zij de echtelijke woning noodgedwongen heeft moeten verlaten omdat de man haar mishandeld en bedreigd heeft en door voortdurende bedreiging van de man inmiddels tijdelijk haar intrek heeft moeten nemen in een huurwoning. De reeds door haar sinds 1 april 2015 betaalde huurtermijnen beschouwt zij daarom als schade, waarvoor zij de man schadeplichtig acht. Zij meent dat de man gehouden is het totaal van de door haar betaalde huurtermijnen aan de gemeenschap te vergoeden, althans de helft daarvan aan haar. Tevens verzoekt zij te bepalen, indien de rechtbank het verzoek van de man tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning toewijst, dat de man haar een gebruiksvergoeding verschuldigd is.

4.45.

De man betwist dat de vrouw de woning noodgedwongen heeft moeten verlaten en betwist daarnaast de door de vrouw gedane aantijgingen. Hij stelt dat het juist de vrouw is die hem heeft mishandeld en bedreigd. Bovendien meent hij dat een dergelijke vordering niet thuishoort in een echtscheidingsprocedure en dat de vrouw daarom niet ontvankelijk is in haar verzoek dienaangaande en dat zij overigens onvoldoende heeft gesteld om tot vaststelling van benadeling (op grond van artikel 1:164 BW) of schade (op grond van artikel 6:162 BW) te kunnen concluderen. Voorts betwist hij een gebruiksvergoeding verschuldigd te zijn.

4.46.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu de echtscheiding tussen partijen nog niet is ingeschreven is het huwelijk tussen partijen nog niet ontbonden. Zolang het huwelijk nog niet is ontbonden, zijn partijen op grond van artikel 1:81 BW verplicht elkaar het nodige te verschaffen. Artikel 1:84 BW, dat een uitwerking geeft aan het begrip ‘het nodige verschaffen’, schrijft onder meer voor dat kosten van de huishouding naar evenredigheid van inkomen dienen te worden voldaan. Hoewel de exacte hoogte van het inkomen van de vrouw in geschil is, staat voldoende vast dat het inkomen van de vrouw hoger is dan dat van de man. Voorts staat vast dat partijen reeds in februari 2015 met elkaar zijn overeengekomen dat de vrouw met een bedrag van € 500,- per maand in het levensonderhoud van de man zal bijdragen. Niet in geschil is dat de man van de vrouw sinds hun feitelijke uiteengaan geen bijdragen heeft ontvangen of ontvangt ten behoeve van zijn levensonderhoud, terwijl bij deze beschikking zal worden bepaald dat de vrouw vanaf datum inschrijving echtscheiding verplicht is tot het betalen van een alimentatie van € 500,- per maand aan de man. Daartegenover staat dat de man tot op heden in de echtelijke woning heeft kunnen verblijven en gedurende de hele periode enkel (een deel van de) gebruikerskosten daarvan voor zijn rekening heeft genomen. In het licht van genoemde bepalingen en de genoemde omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende rechtsgrond aanwezig voor het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man zou dienen mee te betalen aan de huurtermijnen van de vrouw, zelfs niet indien zou komen vast te staan dat de vrouw de echtelijke woning noodgedwongen wegens toedoen van de man zou hebben verlaten. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw dienaangaande af. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de periode dat de man nog in de echtelijke woning verblijft (die gelet op het voorgaande uiterlijk tot de datum inschrijving echtscheiding zal zijn) een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding te bepalen. Voor zover de vrouw bedoeld heeft haar voorwaardelijk verzoek ook op deze periode betrekking te doen hebben, wijst de rechtbank haar verzoek derhalve af.

4.47.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4.48.

De rechtbank beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

- bepaalt dat de vrouw € 500,= (vijfhonderd euro) per maand zal betalen aan de man als uitkering tot zijn levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning te Amsterdam aan de [straat] tot de dag waarop zijn eigendomsrecht van de woning wordt overgedragen aan de vrouw, doch uiterlijk tot de dag waarop de uitspraak van de echtscheiding wordt ingeschreven in de toepasselijke registers;

- bepaalt dat de man de echtelijke woning op de dag waarop het eigendomsrecht van de man wordt overgedragen aan de vrouw, doch uiterlijk op de dag waarop de uitspraak van de echtscheiding wordt ingeschreven, ter bewoning en gebruik ter beschikking dient te stellen aan de vrouw en beveelt de man de woning uiterlijk op die dag te verlaten;

- bepaalt dat de vrouw, indien zij ten tijde van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding (nog) de echtelijke woning bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;

- bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden een gezamenlijke opdracht dienen te geven aan makelaarskantoor Hoekstra en Van Eck, gevestigd aan de Meer en Vaart 82 te Amsterdam (amsterdamwest@hoekstraenvaneck.nl/ tel nr. 020-2051070), welke opdracht inhoudt:

te taxeren de huidige onderhandse verkoopwaarde van de woning aan de [straat] , vrij van huur en gebruik, mede in acht genomen de bestemming die de woning op grond van publiekrechtelijke regelgeving heeft;

- bepaalt dat voornoemde taxatie partijen bindt in het kader van de onderstaande wijze van verdeling;

- gelast de wijze van verdeling als volgt:

aan de man wordt toebedeeld:

 de auto met kenteken [kenteken 1] , zonder nadere vergoeding;

 de bankrekeningen ING betaalrekening met [nummer] en ING spaarrekening met [nummer] , onder de gelijktijdige verplichting van de man de helft van de saldi per 1 februari 2015 aan de vrouw te voldoen;

aan de vrouw wordt toebedeeld

 de echtelijke woning gelegen aan de [straat] , onder de opschortende voorwaarde dat tevens de met deze woning verbonden hypothecaire geldlening, afgesloten bij de Rabobank, door de vrouw wordt overgenomen en de man ter zake deze lening gelijktijdig door de hypotheekhouder volledig wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid, onder de gelijktijdige verplichting van de vrouw aan de man wegens overbedeling te voldoen de tussen partijen bindende taxatiewaarde minus de aan de taxatie en de verdeling van de woning verbonden kosten minus de hypothecaire schuld op het moment van toedeling;

 de inboedel van de echtelijke woning, onder de gelijktijdige verplichting van de vrouw wegens overbedeling aan de man een bedrag van € 3.750,- (drieduizend zevenhonderd vijftig euro) te voldoen;

 de auto met kenteken [kenteken 2] , zonder nadere vergoeding;

 de bankrekeningen ING betaalrekening met [nummer] , ING spaarrekening met [nummer] , ABN Amro zakelijk betaalrekening met [nummer] en ABN Amro zakelijke depositorekening met [nummer] , onder de gelijktijdige verplichting van de vrouw de helft van de saldi per 26 februari 2015 aan de man te voldoen;

 de activa van de onderneming [bedrijf] , voor zover die met de voorgaande bestanddelen niet reeds zijn toegescheiden, zonder nadere vergoeding;

- stelt vast dat de vrouw een regresrecht heeft op de man ter zake van de schuld IB/ZVW 2014 op de man voor een bedrag van € 24.996,- (vierentwintigduizend negenhonderd zesennegentig euro);

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans, griffier, op 22 juni 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.