Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3843

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
C/13/598952 / HA ZA 15-1108
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

particuliere borgstelling; dwaling; bijzondere zorgplicht; bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1989
INS-Updates.nl 2016-0261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/598952 / HA ZA 15-1108

Vonnis van 6 juli 2016 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.M. Smetsers te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Bekkering te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en ABN AMRO genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 december 2015 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 10 februari 2016 waarbij een comparitie is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juni 2016 en het daarin genoemde stuk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt alle aandelen in [bedrijf 1] , tot in de loop van 2013 genaamd [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Uit hoofde van een koopovereenkomst van 7 maart 2013 heeft [bedrijf 1] haar “voorraad, inventaris, vervoermiddelen en werkzaamheden” verkocht aan [naam 1] . De koopprijs bedroeg € 195.000, waarvan € 110.000 ineens zou worden voldaan en de resterende € 85.000 verspreid over een periode van tien jaar. [naam 1] heeft - via zijn beheervennootschap [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) - een nieuwe vennootschap, eveneens genaamd [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 3] ) opgericht. Vanuit die vennootschap zou de overgenomen onderneming worden geëxploiteerd.

2.2.

Uit hoofde van een op 28 mei 2013 tot stand gekomen kredietovereenkomst heeft ABN AMRO aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] financiering verstrekt van € 323.075. Het betrof een combinatiefaciliteit van € 80.000, een obligofaciliteit van € 8.750 en een vijfjarige lening van € 146.000, welke lening “in het bijzonder ter financiering van bedrijfsuitrusting en goodwill ” diende. Daarnaast omvatte de faciliteit een eerder aan [naam 1] verstrekt borgstellingskrediet van € 74.997 en een eerder aan hem verstrekte lening van € 13.328. Onder de kredietovereenkomst zijn door ABN AMRO verschillende zekerheden bedongen, waaronder:

- hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van [naam 1] en zijn levenspartner, [naam 2] , deels verzekerd met een recht van derde-hypotheek;

  • -

    pandrechten op voorraden, bedrijfsinventaris en vorderingen; en

  • -

    een door [eiser] af te geven borgstelling van € 50.000 (plus rente en kosten).

2.3.

Een dag later is een akte van borgstelling opgemaakt, waarin is vermeld:

“ [eiser] (…) hierna te noemen “Borg”,

verklaart zich te stellen tot borg voor:

[ [bedrijf 3] ](…)

[ [bedrijf 2] ] (…)

hierna (zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk) te noemen “Hoofdschuldenaar”,

ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V. (…)

In aanmerking nemende dat:

- de Bank aan de Hoofdschuldenaar kredietfaciliteiten zal verstrekken (…)

- de Borg een financieel, economisch of affectief belang heeft in of bij de Hoofschuldenaar en mitsdien belang heeft bij het verstrekken van deze kredietfaciliteiten,

Deze borgstelling wordt aangegaan onder de hierna volgende bepalingen:

1. De Borg kan zijn zowel de particuliere als de niet-particuliere Borg.(…)

2. Deze borgtocht geldt voor al hetgeen de Hoofschuldenaar aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn, uit welken hoofde ook, zo[wel] in als buiten rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, echter tot geen hoger bedrag dan EUR 50.000,00 (…)

3. De Borg verbindt zich het bedrag dat de Bank uit hoofde van deze borgstelling te vorderen heeft of zal krijgen, op eerste vordering van de Bank te voldoen.

(…)

10. De Borg verklaart bekend te zijn met de financiële positie van de Hoofdschuldenaar en met de inhoud van de verbintenis van de Hoofdschuldenaar jegens de Bank. De Bank heeft aan de Borg doel en strekking van de borgstelling medegedeeld.

De Borg verklaart de mogelijke consequenties van de borgstelling ten volle te beseffen.

(…)

13. De Borg verbindt zich, in geval van faillissement (…) van de Hoofdschuldenaar, nadat hij zijn uit deze akte voortvloeiende verplichtingen jegens de Bank zal zijn nagekomen en hij in de rechten van de Bank als schuldeiser zal zijn gesubrogeerd, niet in de boedel van de Hoofdschuldenaar op te komen zolang de Bank niet geheel is voldaan. (…)”

2.4.

Het met de borgstelling gemoeide bedrag van € 50.000 is op een geblokkeerde rekening gezet.

2.5.

Op 3 juni 2013 heeft [naam 1] aan [bedrijf 1] de eerste tranche van de koopprijs van € 110.000 voldaan.

2.6.

Bij brief van 30 september 2013 heeft een financieel adviseur van [eiser] namens hem aan ABN AMRO geschreven:

“(…) namens de borgsteller, [eiser] , zou ik graag willen vernemen of debiteur netjes aan zijn verplichtingen voldoet en of de begrote financiële ontwikkeling in werkelijkheid ook gehaald (liefst nog overschreden) wordt. Ik neem aan dat we als borg hier regelmatig over geïnformeerd worden.(…)”

2.7.

Een medewerker van ABN AMRO heeft deze e-mail alsvolgt beantwoord:

“De verplichting de borg te informeren ligt bij onze kredietnemer. Wij zullen overgaan tot het informeren van de borg op het moment dat wij ons meer zorgen maken over de ontwikkeling van de kredietnemer, dit in het kader van onze zorgplicht naar de borg wanneer zijn risico aangesproken te worden toeneemt.”

2.8.

Op 21 oktober 2013 heeft [eiser] het bericht bereikt dat het faillissement van [bedrijf 3] was aangevraagd.

2.9.

Bij brief van 22 oktober 2013 heeft ABN AMRO het krediet opgezegd. [bedrijf 3] en [bedrijf 2] zijn gesommeerd uiterlijk 5 november 2013 hun schuld bij ABN AMRO af te lossen. Op dat moment was die schuld berekend op € 265.985,62.

2.10.

[eiser] heeft verschillende keren aan ABN AMRO zijn zorgen geuit dat activiteiten althans vermogensbestanddelen werden verplaatst van [bedrijf 3] naar [naam 1] .

2.11.

Op 12 november 2013 is het faillissement van [bedrijf 3] uitgesproken, met benoeming van mr. E.A.S. Jansen tot curator.

2.12.

Op 5 februari 2014 heeft ABN AMRO zich verhaald op het op de geblokkeerde rekening van [eiser] gestorte bedrag van € 50.000,=. Volgens een opgave van ABN AMRO bedroeg haar vordering jegens kredietnemers op 15 januari 2015 nog € 124.854,93.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    i) te bepalen dat bij het aangaan van de overeenkomst van borgtocht sprake was van dwaling, waarmee de overeenkomst wordt vernietigd en de door [eiser] aan ABN AMRO betaalde geldsom van € 50.000 wordt gerestitueerd, vermeerderd met rente;

  • -

    ii) althans te bepalen dat ABN AMRO een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de schijn van kredietwaardigheid op te houden, waardoor [eiser] schade heeft geleden begroot op € 50.000 vermeerderd met rente;

  • -

    iii) althans te bepalen dat ABN AMRO met een zodanige miskenning van de belangen van [eiser] heeft gehandeld dat sprake is van een schending van een op ABN AMRO rustende zorgplicht, zodat ABN AMRO een onrechtmatige daad heeft begaan en [eiser] schade heeft geleden, begroot op € 50.000 vermeerderd met rente;

  • -

    iv) veroordeling van ABN AMRO tot betaling van (buitengerechtelijke) kosten, rente en (na)kosten.

3.2.

ABN AMRO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kwalificatie borgstelling

4.1.

De borgstelling wordt gekwalificeerd als een particuliere borgtocht in de zin van artikel 7:857 BW. De andersluidende zienswijze van ABN AMRO wordt verworpen. Daartoe is het volgende redengevend. De borgstelling is aangegaan door een natuurlijke persoon, [eiser] , en ter goedkeuring ondertekend door zijn echtgenote. Niet betwist is dat [eiser] zich tot borg stelde met als doel de financiering van de aankoopprijs ten behoeve van de overname van zijn bedrijf door [naam 1] mogelijk te maken. Tot verkoop van zijn bedrijf was [eiser] - zo volgt uit zijn in zoverre onbetwiste toelichting ter comparitie - genoodzaakt geweest om gezondheidsredenen; na hartfalen was hij volledig arbeidsongeschikt verklaard. De opbrengst van de verkoop van het bedrijf diende ter aanvulling van zijn spaargeld. Met de normale bedrijfsuitoefening van [bedrijf 1] - waarvan [eiser] bestuurder was en waarin hij de aandelen hield - had dit allemaal niets van doen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan evenmin worden gezegd dat [eiser] bij het aangaan van de borgtocht handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het bedrijf werd niet door [eiser] maar door [bedrijf 1] uitgeoefend en zij had haar onderneming nu juist net verkocht toen de borgtocht werd aangegaan. De door ABN AMRO genoemde omstandigheid dat in de koopovereenkomst was vermeld dat [eiser] na de bedrijfsovergang nog beschikbaar zou zijn om in overleg werkzaamheden voor [bedrijf 3] te verrichten, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om te oordelen dat [eiser] handelende in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Anders dan ABN AMRO, acht de rechtbank het in het kader van de beoordeling niet van betekenis dat [eiser] na overgang van de onderneming aan [bedrijf 3] een bedrijfspand zou blijven verhuren. Niet is aangevoerd of gebleken dat het krediet waarvoor de borgtocht werd verlangd, met deze huurrelatie verband hield.

Dwaling

4.2.

[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat hij bij het aangaan van de overeenkomst van borgtocht heeft gedwaald. Hij stelt daartoe dat ABN AMRO hem, door verschillende uitlatingen, een onjuiste voorstelling van de financiële positie van de kredietnemers en van hoofdelijk medeschuldenaar [naam 1] heeft gegeven. Bovendien stelt [eiser] dat ABN AMRO bepaalde relevante informatie over de financiële positie van de kredietnemers en van [naam 1] voor hem zou hebben verzwegen. Hij heeft zich hierdoor geen juist oordeel kunnen vormen over de kans dat de borgtocht werd uitgewonnen. Had hij een juiste voorstelling van zaken gehad dan was [eiser] , zo stelt hij, de borgtocht niet aangegaan. [eiser] beroept zich aldus op onderdelen a en b van artikel 6:228 lid 1 BW (het verstrekken van verkeerde inlichtingen en het schenden van een spreekplicht).

4.3.

Een overeenkomst van borgstelling kan wegens dwaling vernietigbaar zijn wanneer de borg bij het vormen van zijn oordeel over de kans dat hij tot nakoming wordt aangesproken, is uitgegaan van de een zodanig verkeerde voorstelling van zaken dat hij, wanneer hij een juiste voorstelling had gehad, niet bereid zou zijn geweest de borgtocht aan te gaan. In dat kader is van belang dat op een professionele kredietverstrekker - als ABN AMRO - jegens een particuliere borg - als [eiser] - een bijzondere zorgplicht rust. Deze zorgplicht strekt ertoe te verzekeren dat de borg zich bewust is van de risico’s die hij aangaat door zich borg te stellen voor de schuld van een derde. Een particuliere borg behoeft, zo heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij artikel 7:857 BW overwogen - immers bescherming tegen eigen ondoordachtheid bij het aangaan van een overeenkomst waarvan de financiële gevolgen vooralsnog uitblijven, maar die, als zij zich voordoen, een zware last plegen te vormen. De invulling van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de relatie tussen de beoogde borg en de schuldenaar (zie: Hoge Raad 1 juni 1990, HR:1990:AB7632 (Van Lanschot/Bink) en Hoge Raad 1 april 2016, HR:2016:543).

4.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiser] wel een juiste voorstelling van zaken had toen hij de borgtocht aanging. Hun geschil strekt zich ook uit tot de vraag of ABN AMRO [eiser] wel (voldoende) op de met de borgtocht gemoeide risico’s heeft gewezen.

4.5.

[eiser] beantwoordt deze beide vragen ontkennend. Hij stelt niet te hebben geweten dat het bankkrediet (in verband waarmee de borgtocht werd verstrekt) een bedrag van € 323.075 betrof. Hij was in de veronderstelling - zo begrijpt de rechtbank uit de toelichting die [eiser] ter comparitie heeft gegeven - dat dit slechts betrekking had op de eerste tranche van de koopprijs van € 110.000. Bovendien stelt [eiser] niet bekend te zijn geweest met de slechte financiële positie van [naam 1] ; ABN AMRO heeft, aldus [eiser] , steeds voor hem verzwegen dat [naam 1] (die een eenmanszaak dreef) ten tijde van het aangaan van de borgtocht al een schuldenlast had van € 600.000, terwijl diens verdiencapaciteit bovendien gering was. ABN AMRO – in de persoon van [naam 3] – heeft [eiser] zelfs voorgehouden dat het ondenkbaar zou zijn dat hij, [eiser] , onder de borgtocht zou worden aangesproken. [naam 1] en zijn partner hadden zich immers hoofdelijk mede-aansprakelijk verklaard voor de verplichtingen uit de kredietovereenkomst en ook anderszins, zo werd [eiser] door de bank verzekerd, was ruim voldoende zekerheid verstrekt voor het krediet. De borgtocht droeg bovendien, zo werd aan [eiser] destijds door [naam 3] gemeld, een subsidiair karakter in die zin dat eerst [naam 1] en [naam 2] zouden worden aangesproken en andere zekerheden zouden worden uitgewonnen voordat [eiser] werd aangesproken.

4.6.

ABN AMRO bestrijdt dat [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken had toen hij de overeenkomst van borgtocht aanging. [eiser] was volgens de bank goed bekend met de financiële positie van [naam 1] . Zij werkten al geruime tijd samen en [eiser] was volledig bekend met het bedrijf dat (indirect) door [naam 1] werd overgenomen. Bovendien had [eiser] hiernaar zelf onderzoek moeten doen. Ook betwist ABN AMRO dat zij [eiser] zou hebben voorgehouden dat hij geen risico liep en dat de borgtocht een subsidiair karakter droeg. Voor zover [eiser] al een onjuiste voorstelling van zaken had, was dit volgens ABN AMRO niet aan haar te wijten. De borgstelling is uitgebreid tussen ABN AMRO en [eiser] besproken en daarbij zijn geen verkeerde inlichtingen verstrekt. Artikel 10 levert dwingend bewijs op van het feit dat ABN AMRO [eiser] voor de risico’s heeft gewaarschuwd. Ook de omstandigheid dat € 50.000,= op een geblokkeerde rekening is gestort, duidt daarop, aldus ABN AMRO.

4.7.

Zelfs indien, zoals ABN AMRO aanvoert maar [eiser] weerspreekt, moet worden aangenomen dat [naam 1] en [eiser] al een tijd samenwerkten, kan daaruit niet worden afgeleid dat [eiser] ook bekend was met de financiële situatie waarin (de hoofdelijk mede-aansprakelijke) [naam 1] zich bevond. Evenmin mocht de bank uit de enkele omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] werden overgenomen, afleiden dat [eiser] dús met de financiële positie van de kredietnemers bekend was. Ten eerste werd het krediet niet alleen aan [bedrijf 3] verstrekt, maar ook aan [bedrijf 2] . Ten tweede betrof kredietnemer [bedrijf 3] een andere entiteit dan het destijds door [eiser] geleide [bedrijf 1] en kon zij andere verplichtingen zijn aangegaan, zoals volgens [eiser] overigens ook is gebeurd doordat [bedrijf 3] in het kader van de herfinanciering bepaalde financieringsverplichtingen van [naam 1] had overgenomen. Voor zover ABN AMRO aan de hand van het voorgaande heeft bestreden dat [eiser] bij het aangaan van de borgtocht een onjuiste voorstelling van zaken had, kan zij daarin dus niet worden gevolgd.

4.8.

Dit betekent dat het erop aankomt welke concrete mededelingen al dan niet namens ABN AMRO aan [eiser] zijn gedaan voordat hij de overeenkomst van borgtocht aanging.

4.9.

Omdat [eiser] de vernietiging van de borgtocht inroept en daartoe stelt dat de bank aan hem onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (over de kans dat de borgtocht zou worden aangesproken) danwel ten onrechte relevante zaken heeft verzwegen (over de omvang van het krediet en de gegoedheid van de kredietnemers en van [naam 1] ), en ABN AMRO dit betwist, draagt [eiser] van die stellingen ook de bewijslast. Door [eiser] zijn onvoldoende omstandigheden aangedragen die maken dat - zoals bijvoorbeeld in de zaak Van Lanschot/Bink gebeurde - van de hoofdregel van art. 150 Rv moet worden afgeweken. [eiser] wordt dus in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van zijn concrete stellingen:

  • -

    dat ABN AMRO hem niet duidelijk heeft gemaakt dat de door hem afgegeven borgstelling betrekking had op méér dan de financiering van de eerste tranche van de koopprijs van € 110.000 (namelijk op het gehele bankkrediet van € 323.075 dat deels de herfinanciering van schulden van [naam 1] betrof);

  • -

    dat ABN AMRO hem heeft medegedeeld dat het risico dat hij onder de borgtocht zou worden aangesproken vrijwel “nihil” was;

  • -

    dat ABN AMRO hem heeft medegedeeld dat de borgtocht een subsidiair karakter had in die zin dat zij slechts zou worden aangesproken nadat [naam 1] en [naam 2] als hoofdelijk medeschuldenaren waren aangesproken en andere zekerheden waren uitgewonnen;

  • -

    dat de bank hem niet duidelijk heeft gemaakt dat [naam 1] reeds een aanzienlijke schuldenlast had en in een slechte financiële positie verkeerde.

4.10.

Slaagt [eiser] in het bewijs van al deze stellingen, dan is de conclusie gerechtvaardigd dat [eiser] heeft gedwaald doordat ABN AMRO met haar uitlatingen bij [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken heeft teweeggebracht over de kans dat hij onder de borgtocht zou worden aangesproken. Slaagt [eiser] maar gedeeltelijk in het bewijs van deze stellingen, dan zal de rechtbank op basis van de dan wel bewezen feiten - met inachtneming van de hiervoor bedoelde bijzondere zorgplicht van de bank waarvan de reikwijdte door de omstandigheden wordt ingekleurd - dienen te beoordelen of [eiser] bij het aangaan van de borgtocht heeft gedwaald doordat hij door de uitlatingen van ABN AMRO een verkeerde voorstelling van zaken heeft gekregen danwel doordat ABN AMRO heeft nagelaten om hem in te lichten waar dit wel had gemoeten (zie art. 6:228 lid 1 sub a en b BW). Anders dan ABN AMRO aanvoert, komt bij de beoordeling van het dwalingsberoep geen (doorslaggevende) betekenis toe aan artikel 10 van de overeenkomst van borgstelling. Ter beoordeling ligt immers juist voor of die overeenkomst - waarvan datzelfde artikel 10 onderdeel uitmaakt - op grond van dwaling moet worden vernietigd.

4.11.

Wordt geoordeeld dat [eiser] heeft gedwaald doordat ABN AMRO haar mededelingsplicht heeft verzaakt danwel een onjuiste voorstelling van zaken bij [eiser] heeft veroorzaakt, dan moet vervolgens ook worden beoordeeld of de dwaling in dit geval voor rekening van [eiser] behoort te blijven (zie art. 6:228 lid 2 BW). In dit kader overweegt de rechtbank nu al dat zij ABN AMRO niet volgt in haar betoog dat de borgtocht een meer zakelijk karakter droeg zodat de dwaling voor rekening van [eiser] moet blijven. Zo is niet gebleken dat [eiser] financieel deskundig was. Bovendien was de verkoop van de bedrijfsactiviteiten in verband waarmee de borgtocht werd verstrekt, ingegeven door de slechte gezondheidstoestand van [eiser] . De onderhavige casus toont dan ook weinig gelijkenis met die waarin sprake is van een zakelijke borg of waarin een borgtocht vanwege puur zakelijke motieven wordt verstrekt. Anders dan ABN AMRO aanvoert, kunnen de omstandigheden dat het met de borgtocht gemoeide bedrag van € 50.000 op een geblokkeerde rekening was geplaatst en dat [eiser] ook als verhuurder van het bedrijfspand optrad, niet de conclusie dragen dat een (eventuele) dwaling bij [eiser] voor zijn rekening behoort te komen.

4.12.

Slaagt het beroep op dwaling, dan zal de vordering, die er, zoals ter comparitie is toegelicht, toe strekt dat een verklaring voor recht wordt verkregen dat de borgtocht wordt vernietigd, worden toegewezen. ABN AMRO heeft immers niet betwist dat [eiser] , zoals hij stelt, de borgtocht niet was aangegaan wanneer hij een juiste voorstelling van zaken had gehad. Hetgeen onder de borgtocht door [eiser] is betaald (€ 50.000) zal dan aan hem moeten worden terugbetaald.

Overige gronden

4.13.

Voor het geval de primaire vordering strandt, worden nu alvast de subsidiaire en de meer subsidiaire vorderingen beoordeeld.

4.14.

[eiser] grondt haar subsidiaire vordering op de stelling dat ABN AMRO heeft nagelaten om maatregelen te treffen nadat [eiser] haar ermee bekend had gemaakt dat [naam 1] doende was vermogensbestanddelen aan [bedrijf 3] te onttrekken. Deze vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft verzuimd te stellen welke maatregelen ABN AMRO dan had moeten treffen en waarom dit zijn schade (in de vorm van de uitwinning van de borgtocht) had kunnen voorkomen.

4.15.

Ook de meer subsidiaire vordering zal worden afgewezen. De daaraan ten grondslag gelegde stelling dat ABN AMRO in strijd met de subsidiariteitseis van artikel 7:855 BW heeft gehandeld door niet eerst de schuldenaren en de hoofdelijk medeschuldenaren aan te spreken, wordt verworpen. [bedrijf 3] en [bedrijf 2] zijn in de kredietovereenkomst als kredietnemers aangeduid. ABN AMRO heeft - onweersproken - aangevoerd dat zij de kredietovereenkomst bij brief van 22 oktober 2013 heeft opgezegd en dat beide kredietnemers daarbij zijn gesommeerd om de uitstaande schuld te betalen. Vast staat dat [bedrijf 3] en [bedrijf 2] niet aan deze sommatie hebben voldaan en zijn tekortgeschoten. [eiser] heeft een kopie van voormelde brief ontvangen. Aan het bepaalde in artikel 7:855 BW is dus voldaan. [naam 1] en [naam 2] zijn niet als hoofschuldenaren in de zin van die bepaling aan te merken. Anders dan [eiser] stelt, was ABN AMRO op grond van die bepaling evenmin gehouden hen eerst aan te spreken of eerst andere zekerheidsrechten uit te winnen.

Slot

4.16.

Hangende de procedure wordt iedere verdere beslissing aangehouden, zoals die over de gevorderde rente en de met deze procedure gemoeide kosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

draagt [eiser] op bewijs te leveren van zijn in rov. 4.9 genoemde stellingen;

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 3 augustus 2016 opdat [eiser] aldaar kan mededelen:

( i) of hij bewijs wenst te leveren door het horen van getuigen, en, zo ja, opgave doet van die getuigen en van de verhinderdata van alle betrokkenen in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 januari 2017, waarna een dag en uur voor de getuigenverhoren zal worden bepaald;

( ii) of hij bewijs wenst te leveren door overlegging van bewijsstukken, in welk geval de zaak naar een nader te bepalen rolzitting wordt verwezen voor het nemen van een akte met dit doel;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. van Hassel en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2016.