Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3789

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
13/659039-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte, een kunstenaar, had een sekskrant en een grote hoeveelheid door hem gemaakte naaktfoto’s van minderjarige modellen in bezit. Kinderporno?

Het Openbaar Ministerie mocht verdachte vervolgen, alhoewel de opsporing en vervolging in vergelijkbare zaken niet de hoogste prioriteit heeft. De rechtbank spreekt verdachte vrij van een groot deel van het in beslag genomen materiaal, omdat daarop geen seksuele gedragingen zijn afgebeeld en geen sprake is van een zodanige context dat de afbeeldingen een onmiskenbare seksuele strekking hebben.

Ten aanzien van 1 fotoserie acht de rechtbank wel bewezen dat sprake is van een seksuele strekking, maar in het concrete geval levert dit geen strafbaar feit op. Onder omstandigheden kan de strafbaarstelling van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht te ruim zijn geredigeerd (vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213) en dat is in dit geval ook zo. Verdachte wordt ten aanzien van deze fotoserie ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van 2 andere fotoseries en de sekskrant is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van strafbare kinderporno. Verdachte wordt daarvoor schuldig verklaard, maar de rechtbank legt geen straf op aan verdachte. De strafbare kinderporno wordt onttrokken aan het verkeer en de rest van de in beslag genomen goederen wordt teruggegeven aan verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/659039-13

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19 mei 2016 en 8 juni 2016.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een gewoonte maken van het in bezit hebben van 614 afbeeldingen, bestaande uit foto’s en negatieven, waarop kinderporno is afgebeeld.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens de raadsvrouw had in dit geval niet tot vervolging mogen worden overgegaan. In de eerste plaats omdat niet uit te leggen is waarom verdachte wel wordt vervolgd, daar waar andere kunstenaars van wie vergelijkbaar materiaal vrij verkrijgbaar is, niet worden vervolgd. Daarnaast is door het Openbaar Ministerie nooit goed naar het aangetroffen materiaal gekeken en is onvoldoende geluisterd naar wat verdachte daarover heeft te verklaren, waardoor onzorgvuldig is gehandeld. De vervolging van verdachte is dan ook in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar aanleiding van een melding over kinderporno heeft de politie het in beslag genomen materiaal in de woning van verdachte aangetroffen. Bevoegde zedenrechercheurs hebben vervolgens een groot deel van dit materiaal als kinderpornografisch gekwalificeerd.

Namens verdachte is op 17 oktober 2013 een brief gestuurd aan het Openbaar Ministerie waarin verzocht wordt om zo snel mogelijke een vervolgingsbeslissing te nemen en het in beslag genomen materiaal terug te geven, met uitzondering van een in beslag genomen sekskrant. Daarnaast heeft verdachte in die brief verzocht om een gesprek met de officier van justitie om een nadere toelichting te geven op zijn werken. Het Openbaar Ministerie heeft hierop gereageerd bij brief van 17 april 2014. In deze brief geeft het Openbaar Ministerie aan dat zij het materiaal als kinderpornografisch beoordeelt, het om die reden niet terug zal geven aan verdachte en ter terechtzitting zal vorderen dat het materiaal wordt vernietigd. De rechtbank constateert dat deze brief laat werd verzonden. Dit laat onverlet dat het standpunt van het Openbaar Ministerie vanaf dat moment kenbaar was voor verdachte.

Voorts is uitgangspunt dat het vervolgingsmonopolie bij het Openbaar Ministerie ligt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting over het vervolgingsbeleid verklaard dat het opsporen en vervolgen van kunstenaars van wie het gemaakte werk naar de huidige maatstaven als kinderpornografisch moet worden aangemerkt, niet de hoogste prioriteit heeft, omdat het veelal om werk uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw gaat en de geportretteerden veelal kinderen of bekenden van de kunstenaar zijn en de schaarse capaciteit meestal besteed wordt aan schrijnender gevallen. Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak echter besloten te vervolgen, omdat het materiaal is aangetroffen naar aanleiding van een melding dat iemand geschokt was door wat hij bij verdachte aan de muur had zien hangen en het materiaal vervolgens door bevoegde rechercheurs als kinderpornografisch is beoordeeld, waardoor teruggave niet in de rede lag.

De rechtbank merkt op dat, gezien het standpunt van het Openbaar Ministerie dat zaken als de onderhavige niet de hoogste vervolgingsprioriteit hebben, een gesprek met de verdachte had kunnen bijdragen aan een meer afgewogen beslissing om in deze – zoals hierna nog nader aan de orde zal komen – a-typische kinderpornozaak toch over te gaan tot vervolging. Wellicht dat dan op voorhand geconstateerd had kunnen worden dat sprake is van een grote hoeveelheid en diversiteit aan in beslaggenomen foto’s, die voor het merendeel niet zijn aangemerkt als kinderpornografisch en derhalve in een vroeg stadium hadden kunnen worden teruggegeven.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting immers aangegeven dat het belangrijkste doel van het Openbaar Ministerie was, te voorkomen dat kinderpornografisch materiaal in omloop komt.

De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie er niet voor heeft gekozen om een dergelijk gesprek aan te gaan, levert echter niet een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op, waardoor het belang van verdachte bij een eerlijk proces doelbewust of op grove wijze is veronachtzaamd. Ook is geen sprake van willekeur in de vervolging, nu de officier van justitie de criteria die doorslaggevend zijn geweest om toch verder te vervolgen duidelijk uiteen heeft gezet. Voor niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie bestaat dan ook geen grond. De omstandigheid dat het dagvaarden van verdachte vervolgens nog tot mei 2016 op zich heeft laten wachten, maakt dit op zichzelf niet anders. De rechtbank zal in het navolgende wel rekening houden met dit tijdsverloop.

3.4.

Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het in beslag genomen materiaal dat door bevoegde zedenrechercheurs als kinderpornografisch is beoordeeld, ook als zodanig moet worden gekwalificeerd. Daarvoor acht zij het volgende van belang. Op de afbeeldingen staan de kinderen meestal in een studio-achtige omgeving, veelal in onnatuurlijke houdingen en met onnatuurlijke attributen. Verdachte had een regisserende rol, of had die kunnen nemen en heeft ervoor gekozen om in een aantal gevallen slechts een deel van het lichaam in beeld te brengen, waardoor de nadruk komt te liggen op de geslachtsdelen of de volstrekte naaktheid van het kind. De omstandigheid dat verdachte toestemming had van de modellen en/of hun ouders, maakt niet dat de afbeeldingen daarom niet strafbaar zijn. De officier van justitie acht een serie van foto’s in haar geheel kinderpornografisch, indien één of meer van de foto’s van die serie als kinderpornografisch zijn beoordeeld.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat het in beslag genomen materiaal – met uitzondering van de sekskrant – niet kinderpornografisch is, zodat verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken.

Daarvoor acht zij het volgende van belang. Er is geen sprake van duidelijk seksueel getinte houdingen waarbij de nadruk op de geslachtsdelen ligt, er is geen sprake van kleding die niet bij de leeftijd van de minderjarige past en er is geen gebruik gemaakt van seksattributen. De wijze van totstandkoming is ook niet zodanig dat daaruit een kennelijke seksuele strekking volgt.

Daarnaast heeft verdachte de foto’s gemaakt om die als model te gebruiken voor schilderijen. Uit het werk dat verdachte heeft gemaakt blijkt ook dat daarin in het geheel geen nadruk ligt op de geslachtsdelen. Het maken van kunstwerken vormt weliswaar geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten, maar gelet op artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting) wordt aan kunstenaars wel een zekere ruimte gegeven om shockerend of verontrustend werk te maken. Uit verklaringen van de (ouders van) modellen blijkt dat ook zij – ook na vele jaren – de gemaakte foto’s niet als kinderpornografisch beoordelen.

Ten aanzien van de sekskrant heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar de uitspraak onder nummer ECLI:NL:RBZLY:2010:BM9613, aangevoerd dat die door verdachte is verkregen op een moment dat het verkrijgen van kinderpornografisch materiaal niet strafbaar was gesteld. Nu het bezit van kinderpornografische afbeeldingen pas vele jaren later strafbaar werd gesteld, dient dat niet voor risico van verdachte te komen, zodat verdachte ook ten aanzien van de sekskrant moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige afbeeldingen die verdachte voor de strafbaarstelling van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in 1986 heeft vervaardigd, heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de latere strafbaarstelling niet voor risico van verdachte kan komen, zodat verdachte daarvan ook om die reden moet worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Juridisch kader

Artikel 240b Sr stelt – voor zover van belang – strafbaar het in het bezit hebben van afbeeldingen van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken.

Met de strafbaarstelling wordt beoogd om minderjarigen te beschermen tegen seksueel misbruik dat bij het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal plaatsvindt en tegen het in omloop brengen van dit materiaal. Daarnaast dienen minderjarigen beschermd te worden tegen materiaal dat misbruik inhoudt of suggereert, omdat dit materiaal kan dienen om minderjarigen aan te moedigen of te verleiden deel te nemen aan seksueel gedrag en omdat hiermee een subcultuur die seksueel misbruik van minderjarigen bevordert of als normaal en acceptabel probeert voor te stellen, in stand wordt gehouden.

Verdachte heeft erkend dat hij op 17 januari 2013 het in beslag genomen materiaal in bezit had en dat op deze afbeeldingen veelal minderjarigen staan. Ten aanzien van de sekskrant heeft verdachte ook erkend dat in deze krant kinderpornografisch materiaal is weergegeven.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, betreft of het door verdachte zelf vervaardigde materiaal kinderpornografisch is.

De rechtbank dient in dit kader in de eerste plaats te beoordelen, of aan de bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan.

Hiertoe is de centrale vraag, of sprake is van afbeeldingen van een seksuele gedraging. Het gaat daarbij volgens de Hoge Raad (7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6446, r.o. 3.3) om een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard of om een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard bevat, maar die, gelet op de wijze waarop zij tot stand is gekomen, eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zou kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbare seksuele strekking heeft.

Indien geen sprake is van een gedraging van expliciet seksuele aard, zijn het karakter en de context van de afbeelding van belang voor de vraag of sprake is van een afbeelding van een seksuele gedraging. Bij het karakter van de afbeelding gaat het erom of sprake is van een afbeelding waarbij de minderjarige in een onnatuurlijke pose of in een duidelijk seksueel getinte houding is afgebeeld, of waarbij de nadruk wordt gelegd op de geslachtsdelen, of waarbij uit het totale beeld duidelijk is dat het gaat om de geslachtsdelen. Bij de context van de afbeelding wordt gelet op toegevoegde voorwerpen, kleding of attributen, wordt beoordeeld of sprake is van een omgeving waarin een minderjarige normaal niet verkeerd en wordt de wijze van tot stand komen van de afbeeldingen in ogenschouw genomen.

De rechtbank constateert dat zowel de officier van justitie als de raadsvrouw dit juridisch kader hebben betrokken bij hun standpunten of al dan niet aan de bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan.

De wijze van ten laste leggen brengt mee dat de rechtbank ten aanzien van het materiaal dat in fotomappen in beslag is genomen moet oordelen of de ten laste gelegde serie kinderpornografisch is. Blijkens voornoemd arrest van de Hoge Raad (r.o. 5.4) kan een zodanige samenhang bestaan wat betreft inhoudelijke kenmerken en/of de wijze van totstandkoming van het materiaal dat de hele serie als kinderpornografisch moet worden aangemerkt.

4.3.2.

Het door verdachte vervaardigde materiaal

De rechtbank stelt voorop dat het algemene beeld dat uit het in beslag genomen materiaal naar voren komt is dat door het vervaardigen en het door verdachte in bezit hebben hiervan geen schade is toegebracht aan de afgebeelde minderjarigen, of aan minderjarigen in zijn algemeenheid.

Het in beslag genomen materiaal betreft foto’s die verdachte lange tijd geleden van zijn eigen kinderen heeft gemaakt, of van kinderen van familie of bekenden, waarbij de betrokkenen uit vrije wil poseerden. Het materiaal is derhalve veelal vervaardigd in een tijd waarin op een andere en minder beladen wijze werd aangekeken tegen naakte kinderen. Gebleken is dat door ouders en kinderen destijds ook toestemming voor het maken van de foto’s is gegeven. Verdachte heeft verklaringen van betrokken kinderen overgelegd waaruit blijkt dat deze – vele jaren later en inmiddels meerderjarig – nog steeds achter deze keuze staan. Daarbij is het materiaal alleen fysiek in de woning van verdachte aangetroffen en niet ook digitaal en/of op internet. Niet gebleken is dat het materiaal door verdachte zonder toestemming van de modellen is verspreid of aan derden getoond.

Vast staat dat verdachte, waar sprake is van naaktfoto’s van de kinderen, deze foto’s vrijwel allemaal heeft gemaakt om te gebruiken als model voor de werken die hij als kunstenaar maakt. Bij het in beslag genomen materiaal zijn ook schetsen te zien van mogelijke uitwerkingen en verdachte heeft de rechtbank ter terechtzitting werken laten zien die zijn gemaakt op basis van in beslag genomen materiaal. In dit werk zijn de geslachtsdelen van de modellen doorgaans bedekt en is van een seksuele strekking geen sprake. De omstandigheid dat een deel is vervaardigd in een studio-omgeving – hetgeen op zich een aanwijzing kan zijn voor een mogelijk kinderpornografisch werk– moet naar het oordeel van de rechtbank tegen deze achtergrond worden bezien. De rechtbank constateert overigens dat ook een deel van het materiaal is vervaardigd in een natuurlijke omgeving, zoals een camping.

De rechtbank constateert verder, dat op het merendeel van het in beslag genomen werk geen sprake is van – voor de leeftijd van het model – onnatuurlijke poses, of van onnatuurlijke attributen. Waar wel van dergelijke poses of attributen sprake is, worden deze grotendeels verklaard door de omstandigheid dat deze als model dienden voor later te vervaardigen werk zoals hiervoor aangegeven. De rechtbank acht aannemelijk dat deze foto’s zijn gemaakt in het kader van voorstudies ten behoeve van niet-seksueel getinte kunstwerken en dat met dit materiaal niet is beoogd om seksuele prikkels op te wekken. Dit geldt temeer, nu nagenoeg al het materiaal uit analoge foto’s bestaat, waarbij het pas na het ontwikkelen van de foto’s mogelijk is om te zien wat uiteindelijk in het beeld is gevangen. In die situatie valt niet uit te sluiten dat een afbeelding met een wat meer seksuele strekking als een ‘ongelukstreffer’ is aan te merken, zeker wanneer slechts één of enkele afbeeldingen binnen een serie een wat meer seksuele strekking hebben. Aannemelijk is dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, alle foto’s en negatieven bewaarde en in die zin geen uitdrukkelijke keuze heeft gemaakt om bepaalde foto’s en negatieven al dan niet te bewaren. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang te constateren dat verdachte in zijn woning nog een veelvoud aan mappen met foto’s van volwassen naakte modellen had liggen, en dat het in beslag genomen materiaal een door de politie gemaakte (beperkte) selectie van de totale verzameling van modellenfoto’s van verdachte betreft.

Verdachte heeft als maker van de afbeeldingen een zekere regie gehad of hij had die regie in elk geval kunnen hebben. De rechtbank acht het gelet op de aard van de afbeeldingen echter aannemelijk dat verdachte – voor zover hij de afbeeldingen heeft geregisseerd – dit heeft gedaan met het oog op het verkrijgen van een modelfoto voor het vervaardigen van zijn kunstwerken, en niet met de bedoeling om een seksuele gedraging vast te leggen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de afbeeldingen, hoewel op sommige daarvan een uitdagende houding door de modellen wordt aangenomen, geen seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b Sr weergeven. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een zodanige context dat die afbeeldingen (daardoor) een onmiskenbare seksuele strekking hebben.

Ten aanzien van een groot deel van het in beslag genomen materiaal is de rechtbank aldus van oordeel dat deze afbeeldingen waarvan verdachte het bezit wordt verweten, niet vallen binnen het bereik van artikel 240b Sr, en met betrekking tot dat deel van de afbeeldingen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De uitzonderingen

De rechtbank is van oordeel dat een klein deel van het in beslag genomen materiaal dat door verdachte is vervaardigd wel moet worden beoordeeld als kinderpornografisch. Ten aanzien van die afbeeldingen is sprake van een dusdanige focus op geslachtsdelen en/of kleding dat daardoor de seksuele lading van de afbeelding wordt versterkt.

Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat ook deze afbeeldingen zijn vervaardigd door verdachte met het oog op te maken kunstwerken, is het resultaat van die afbeeldingen zodanig dat deze, in afwijking van hetgeen hiervoor werd opgemerkt, naar de huidige maatstaven geacht moeten worden een onmiskenbare seksuele strekking te hebben. Daarmee wordt op die afbeeldingen de grens van het toelaatbare zoals geformuleerd in artikel 240b Sr overschreden. Daarbij speelt mee dat de maatschappelijke houding ten aanzien van kinderporno nu en in 2013 minder tolerant is dan in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de strafbaarstelling van artikel 240b Sr in 1986 en de (forse) aanscherpingen daarvan in 1996 en 2002.

Deze kinderpornografische afbeeldingen maken telkens deel uit van een reeks afbeeldingen. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de afbeeldingen is de rechtbank van oordeel dat in deze gevallen sprake is van series die in het geheel als kinderpornografisch moeten worden aangemerkt.

De rechtbank is – nadat zij ter terechtzitting en in raadkamer kennis heeft genomen van het in beslag genomen materiaal – aldus van oordeel dat ten aanzien van de volgende series van foto’s en/of negatieven die door verdachte zijn vervaardigd sprake is van een zodanig onmiskenbare seksuele strekking, dat sprake is van een afgebeelde seksuele gedraging in de zin van artikel 240b Sr.

Het gaat om de foto’s en/of negatieven van ‘fotoserie aug/okt 1992’ (goednummer 4452103‑1, pag. 7-21), ‘fotoserie mei 1997’ (goednummer 4452103‑5) en ‘fotoserie 16 oktober 1993’ (goednummer 4452103‑6).

4.3.3.

De sekskrant

De rechtbank acht ten aanzien van de sekskrant bewezen dat verdachte de daarin opgenomen kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het in bezit hebben (en het verwerven) van die afbeeldingen pas na het verwerven is strafbaar gesteld voor het risico van verdachte behoort te komen. Ten aanzien van deze afbeeldingen is sprake van evidente kinderporno waarbij duidelijk een minderjarige betrokken is. Daarmee verschilt de onderhavige zaak ook wezenlijk van de uitzonderlijke situatie in het vonnis van de rechtbank waarnaar de raadsvrouw heeft verwezen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voor zover hetzelfde verweer subsidiair is gevoerd ten aanzien van (een deel van) de door verdachte vervaardigde afbeeldingen, verwerpt de rechtbank het verweer eveneens. Verdachte wist als maker van de afbeeldingen dat hij die in bezit had, hij kende de modellen en wist steeds dat zij minderjarig waren. Er is dan ook geen sprake van een zodanig uitzonderlijke situatie dat het risico van de latere strafbaarstelling niet voor rekening van verdachte dient te komen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 17 januari 2013 te Amsterdam afbeeldingen, te weten een aantal foto’s en negatieven in bezit heeft gehad terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer)

- een sekskrant met 6 foto's met goednummer 4452139

Het betreft foto's waarop steeds hetzelfde meisje, met de geschatte leeftijd van 8 tot 12 jaar seksuele handelingen verricht of ondergaat. Te zien is (onder andere) dat zij de penis van een volwassen man naast zich vasthoudt, dat zij likt aan de vagina van een volwassen vrouw, dat een man en een vrouw haar vagina en borst vastpakken, dat zij met het hoofd tussen de billen van een ander persoon zit, dat zij voorover gebukt zit en de penis van een volwassen man in haar mond heeft terwijl een volwassen vrouw met haar gezicht bij de anus van het meisje zit

en

- een fotomap met goednummer 4452103-1

Fotoserie aug/okt 1992

Op deze foto's is het meisje, aangeduid met [naam 1] (14 jr) te zien, terwijl zij naakt poseert op diverse plaatsen en in diverse poses in een woonkamer of kantoor op telkens eenzelfde doek met een blauwe print. Op sommige foto's draagt het meisje roodkleurige hooggehakte sandalen, op de andere draagt zij een rode haarband om haar pols. Op de achtergrond is zittend aan een bureau een ander (gekleed) meisje op de rug te zien. Op enkele foto's is het meisje [naam 1] afgebeeld in terwijl zij zijwaarts ligt, leunend op haar onderarm. Hierdoor is goed zicht op haar gehele naakte lichaam. In deze pose trekt zij ook op enkele foto's haar linkerbeen op, zodat haar vagina zich iets opent en zodat deze nog nadrukkelijker in beeld is. Verder is zij afgebeeld zittend met opgetrokken en uit elkaar geplaatste knieën, waardoor haar iets geopende vagina goed zichtbaar is. Ook is zij afgebeeld terwijl zij volledig voorover bukt, met haar billen naar de camera toe en in de lens kijkend door haar benen heen. Hierdoor is ook haar vagina goed zichtbaar. Op enkele foto's zit zij gehurkt met haar billen naar de camera toe en kijkt zij opnieuw door haar benen heen naar de camera. Hierdoor zijn haar (geopende) anus en vagina centraal in beeld gebracht

en

- een fotomap/roze ringband met goednummer 4452103-5

Fotoserie mei 1997

Op de foto's die deel uitmaken van deze serie zijn twee meisjes naakt poserend afgebeeld. Blijkens bijschriften bij de foto's is de fotoserie vervaardigd in mei 1997 en zijn de meisjes die zijn afgebeeld [naam 2] en [naam 1] . Deze [naam 2] is in mei 1997, het kennelijke moment van het vervaardigen van de foto, 16 jaar oud. [naam 1] is op dat moment 18 jaar oud. Op de foto's zijn beide meisjes naakt poserend, liggend op de linker-en rechterzijde van een bank met over elkaar geslagen benen afgebeeld, in iets van elkaar verschillende poses. Van de meisjes zijn borsten en vagina zichtbaar

en

- een fotomap (lichtblauw) met goednummer 4452103-6 met opschrift " [naam 3] "

Fotoserie 16 oktober 1993

Op deze foto's is de jongen [naam 3] naakt poserend afgebeeld in diverse poses. Hij is voortdurend afgebeeld in een ruimte en met accessoires die wij herkennen van ander fotomateriaal, vervaardigd door de verdachte van andere modellen, onder meer een zwarte doek met bloemen, aronskelken, een doek met diverse blauwtinten en een Mickey Mouse masker. [naam 3] neemt diverse poses aan, waarbij zijn penis altijd nadrukkelijk in beeld is. Op sommige foto's is zijn gezicht (deels) niet afgebeeld en zijn slechts zijn bovenlichaam en onderlichaam zichtbaar.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 De strafbaarheid van het feit

Nu de rechtbank ten aanzien van een deel van de tenlastelegging heeft geoordeeld dat aan alle bestanddelen van artikel 240b Sr is voldaan moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het gedrag van verdachte een strafbaar feit oplevert. Daarvoor is van belang dat de Hoge Raad in een recent arrest (9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213) heeft geoordeeld dat artikel 240b Sr te ruim is geredigeerd, in die zin dat deze bepaling ook gevallen bestrijkt waarin volgens de wetsgeschiedenis strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege kan of dient te blijven. Relevante factoren voor het bepalen van dergelijke gevallen zouden daarbij in het bijzonder zijn de concrete gedraging van de verdachte, de leeftijd van de betrokkenen, de instemming van de betrokkenen en het ontbreken van enige aanwijzing voor een risico van verspreiding van de afbeelding(en) onder anderen dan de betrokkenen. De rechtbank moet dan ook de vraag onder ogen zien of het gedrag van verdachte, gelet op alle omstandigheden, van dien aard is dat het moet worden gekwalificeerd als het in het bezit hebben van kinderporno.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ten aanzien van ‘Fotoserie mei 1997’ ontkennend moet worden beantwoord. Op de foto’s staat de zestienjarige dochter van verdachte afgebeeld, samen met een achttienjarige vriendin. De dochter heeft hier destijds mee ingestemd en zij staat hier nog steeds achter. Niet is gebleken dat de afbeeldingen verder zijn verspreid of dat de dochter van verdachte door het vervaardigen en bewaren van de afbeeldingen is geschaad. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen strafbaar feit heeft gepleegd door het in bezit hebben van de foto’s van ‘fotoserie mei 1997’, zodat verdachte ten aanzien van deze fotoserie zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de overige bewezen verklaarde fotoseries en de sekskrant is de rechtbank van oordeel dat het in het bezit hebben van die afbeeldingen wel volgens de wet strafbaar is. Ten aanzien van die afbeeldingen is het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Strafoplegging

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

9.2.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft kinderpornografische afbeeldingen in bezit gehad. De ver voor de strafbaarstelling van artikel 240b Sr door verdachte aangeschafte sekskrant bevat expliciet seksuele gedragingen waarbij een minderjarige is betrokken. Bij het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke straf aan verdachte moet worden opgelegd, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte deze krant niet heeft gekocht met het oog op de daarin afgebeelde kinderpornografische gedragingen, maar als verzamelitem van parafernalia uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw.

Daarnaast heeft verdachte kinderpornografische afbeeldingen vervaardigd van minderjarige bekenden, waarmee de modellen destijds hebben ingestemd, en waar, naar de meeste modellen hebben laten weten, nog steeds achterstaan. Aannemelijk is geworden dat verdachte de afbeeldingen heeft gemaakt en in bezit heeft gehad met het oog op te maken kunstwerken. Daarbij is ook niet gebleken dat de afgebeelde minderjarigen of minderjarigen in het algemeen zijn geschaad door het handelen van verdachte.

Verder heeft verdachte strafbare materiaal verworven in een tijd dat dit niet strafbaar was en vervaardigd in een tijd waarin de maatschappelijke houding ten opzichte van kinderporno toleranter was. De kern van het verwijt dat aan verdachte gemaakt kan worden is dat hij niet tijdig is geweest met het weggooien van (inmiddels) strafbare kinderpornografische afbeeldingen.

De rechtbank houdt verder rekening met een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 3 mei 2016, waaruit blijkt dat verdachte verder niet met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat het materiaal in januari 2013 in beslag is genomen en dat de rechtbank pas in juni 2016 uitspraak doet. Gelet daarop is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze strafzaak hem zwaar valt en dat hij daardoor niet de rust vind om als kunstenaar/fotograaf te werken. Ook is sprake van langdurig beslag op een deel van de foto’s van verdachte en op door hem gemaakte kunstwerken, terwijl de rechtbank slechts een klein deel van het beslag als kinderpornografisch heeft beoordeeld.

De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om – naast de afwikkeling van het beslag – verder aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

10 Beslag

10.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat alle in beslag genomen voorwerpen aan het verkeer worden onttrokken. Voor zover sprake is van vermenging van strafbaar en niet-strafbaar materiaal is dat een omstandigheid die voor rekening en risico van verdachte dient te komen.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om alle in beslag genomen voorwerpen aan verdachte te retourneren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in elk geval (niet kinderpornografische) foto’s waarop de moeder van verdachte staat geportretteerd aan verdachte terug te geven. De raadsvrouw verzet zich tegen het standpunt van de officier van justitie dat bij vermenging van strafbaar en niet-strafbaat materiaal dit voor rekening en risico van verdachte moet komen, omdat dit mede het gevolg is van de wijze waarop de politie, zonder onderzoek naar de foto’s, de fotoalbums in beslag heeft genomen.

10.3.

Het oordeel van de rechtbank

Onder verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen die nog niet zijn teruggegeven. Het gaat in totaal om één (seks)krant, één fotoalbum, zes mappen en drie kleine mapjes met foto’s, tien fotolijsten met foto’s en daarnaast nog acht foto’s.

Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van kinderpornografische afbeeldingen of series dienen de in beslag genomen voorwerpen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn die daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vast uitgangspunt is dat wanneer strafbaar en niet-strafbaar materiaal is vermengd, dit voor rekening en risico van verdachte dient te komen. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om hiervan enigszins af te wijken. Onder verdachte is een groot aantal foto’s in beslag genomen, waarvan de rechtbank uiteindelijk slechts een klein deel als kinderpornografisch aanmerkt. Ook is gebleken dat het merendeel van de foto’s in ringmappen in beslag is genomen, zodat het praktisch goed mogelijk is om onderscheid te maken tussen wel en niet strafbare delen van een in beslag genomen map. Daar waar dit redelijkerwijs mogelijk is moet worden voorkomen dat niet-kinderpornografisch materiaal ook aan het verkeer wordt onttrokken als gevolg van vermenging van strafbaar en niet-strafbaar materiaal.

Met in achtneming van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat van het in beslag genomen materiaal de sekskrant en enkele fotoseries uit de fotomappen aan het verkeer zullen worden onttrokken. Voor zover het beslag niet aan het verkeer wordt onttrokken, dient dit aan verdachte te worden teruggegeven.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in rubriek 5 ten aanzien van ‘fotoserie mei 1997’ bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Het in rubriek 5 ten aanzien van de sekskrant, ‘fotoserie aug/okt 1992’ en ‘fotoserie 16 oktober 1993’ bewezen verklaarde levert op:

- een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Verklaart het ten aanzien van de sekskrant, ‘fotoserie aug/okt 1992’ en ‘fotoserie 16 oktober 1993’ bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf wordt opgelegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Volgnr object specificatie

(goednummer)

6 krant 1 STK

(4452139)

12 map

(4452103-1) uitsluitend: ‘fotoserie aug/okt 1992’ (pag. 7-21)

(4452103-6) uitsluitend: ‘fotoserie 16 oktober 1993’

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Volgnr object specificatie

(goednummer)

1. fotoalbum kl: blauw 1 STK

(4452080)

2 fotolijst 1 STK

(4452113)

3 fotolijst 2 STK

(4452117)
4 map 3 STK

(4452127)

5 foto 5 STK

(4452130)

7 fotolijst 1 STK

(4452082)

8 fotolijst 2 STK

(4452087)

9 fotolijst 2 STK

(4452091)

10 foto 1 STK

(4452092)

11 foto 2 STK

(4452098)

12 map

(4452103-1) met uitzondering van: ‘fotoserie aug/okt 1992’ (pag. 7-21)

(4452103-2)

(4452103-3)

(4452103-4)

(4452103-5)

(4452103-6) met uitzondering van: ‘fotoserie 16 oktober 1993’

13 fotolijst 1 STK

(4452108)

14 fotolijst 1 STK

(4452111)

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. J. Edgar en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2016.