Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
CV EXPL 14-34004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hebben passagiers recht hebben op compensatie indien zij bij rechtstreeks aansluitende vluchten, die uitgevoerd worden door verschillende luchtvaartmaatschappijen, hun eindbestemming met meer dan 3 uur vertraging bereiken? Kantonrechter stelt vast dat de passagiers bij de KLM een vlucht hebben geboekt van Düsseldorf naar Buenos Aires. Bij die overeenkomst heeft KLM zich verbonden om dat vervoer volgens het door haar geaccepteerde traject van Düsseldorf naar Buenos Aires met drie vluchten uit te voeren, waarbij de eerste twee vluchten door haarzelf zouden worden uitgevoerd en de laatste vlucht in “code share” met KLM door Aerolineas Argentinas. Door het boeken bij KLM en de codeshare is de kantonrechter van oordeel dat KLM ook de boeking van de laatste vlucht heeft geaccepteerd. De kantonrechter is van oordeel dat gegeven deze omstandigheden de vervoerder van de luchtvaartmaatschappij die de vertraagde aankomst op de eindbestemming heeft veroorzaakt, te weten KLM, kan worden aangesproken voor de compensatie op de voet van art. 7 van de Verordening, ongeacht het feit dat een andere luchtvaartmaatschappij de gemiste aansluitende vlucht heeft uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1661
Prg. 2016/200
S&S 2017/18
VR 2017/58
NTHR 2016, afl. 4, p. 245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3649547 CV EXPL 14-34004

vonnis van: 23 mei 2016

fno.: 94

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

nader te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde]

t e g e n

de besloten vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

gedaagde

nader te noemen: KLM

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding met producties van 10 september 2014;

  • -

    antwoord met producties;

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek met producties;

  • -

    dupliek met producties;

  • -

    akte van de passagiers;

Op 11 april 2016 hebben partijen een pleidooi gehouden. De passagiers hebben ten behoeve van het pleidooi op voorhand producties ingezonden. Verschenen zijn mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. L.J.J. Hoezen en [naam 1] namens de gemachtigde van de passagiers en [naam 2] en [naam 3] namens KLM, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

De passagiers hebben via de website van KLM een vliegreis geboekt van Düsseldorf naar Amsterdam, Amsterdam naar Rio de Janeiro en van Rio de Janeiro naar Buenos Aires.

1.2.

Op de boekingsbevestiging van KLM staat onder meer:
“Vlucht: Düsseldorf – Buenos Aires – Retour”.
Het vluchtschema van de heenreis is volgens deze boekingsbevestiging als volgt:
20/02/2014 Düsseldorf – Amsterdam KL1854 08:15 - 09:15
20/02/2014 Amsterdam – Rio de Janeiro KL0705 10.40 - 18.40
20/02/2014 Rio de Janeiro – Buenos Aires KL9239 20.35 - 23.59
Verder staat er op de boekingsbevestiging dat de laatste vlucht zal worden uitgevoerd door Aerolineas Argentinas.

1.3.

Op de bevestiging van het inchecken van KLM staat dat de passagiers op de drie verschillende vluchten zijn ingecheckt en staan de stoelnummers voor de verschillende vluchten genoemd. Ook staat daarbij vermeld dat de vlucht KL9239 van Rio de Janeiro naar Buenos Aires door AR1257 zal worden uitgevoerd.

1.4.

De vlucht van Amsterdam naar Rio de Janeiro, uitgevoerd door KLM, is met een vertraging van 2 uur en 20 minuten aangekomen. De passagiers hebben daardoor de aansluitende vlucht van Rio de Janeiro naar Buenos Aires gemist. Zij zijn vervolgens omgeboekt en met een vertraging van meer dan vijf uur in Buenos Aires aangekomen.

1.5.

De passagiers hebben compensatie van KLM gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van € 600,00 per persoon.

1.6.

KLM heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

Vordering en verweer

2. De passagiers vorderen dat KLM bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari
2014 tot aan de dag der algehele voldoening;
b. € 181,50 ter zake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 3 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;
c. de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na
het vonnis.

3. De passagiers baseren hun vordering primair op artikel 6 jo. artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening), subsidiair op artikel 5 jo. 7 van de Verordening. De passagiers stellen zich op het standpunt dat vanwege een vertraging van de vlucht KL0705 van Amsterdam naar Rio de Janeiro van 20 februari 2014, zij de aansluitende vlucht naar Buenos Aires hebben gemist en daardoor meer dan vijf uur later hun eindbestemming hebben bereikt. KLM dient hen daarom te compenseren voor een bedrag van € 1.200,- in totaal.

4. De passagiers stellen, kort gezegd, dat de vluchten van Düsseldorf naar Amsterdam, van Amsterdam naar Rio de Janeiro en van Rio de Janeiro naar Buenos Aires niet afzonderlijk maar als een geheel dienen te worden beschouwd, en dat gekeken dient te worden naar de totale vertraging waarmee zij hun eindbestemming Buenos Aires hebben bereikt. De passagiers hebben immers bij de KLM één ticket met de gehele vliegreis geboekt, waarbij de KLM heeft besloten om de laatste vlucht aan te bieden via “code sharing”, en uit te laten voeren door Airolineas Argentinas. Buenos Aires dient derhalve volgens hen als eindbestemming in de zin van art. 2 sub h van de Verordening te worden beschouwd.

5. KLM betwist gehouden te zijn tot enige compensatie. KLM voert daartoe aan dat haar betrokkenheid eindigde in Rio de Janeiro. De vlucht van Rio de Janeiro naar Buenos Aires is niet door haar uitgevoerd. Daarbij komt dat Rio de Janeiro ook als eindbestemming stond vermeld op de KLM-boardingpass. Rio de Janeiro dient derhalve te gelden als eindbestemming van de vlucht. Een vertraging van 2 uur en 20 minuten geeft volgens haar geen recht op compensatie.

6. Van rechtstreeks aansluitende vluchten is volgens haar ook geen sprake. De passagiers hebben niet met KLM een overeenkomst gesloten die hen naar Buenos Aires zou brengen. Derhalve dient Rio de Janeiro volgens haar als eindbestemming te gelden van de vlucht die door KLM werd uitgevoerd.

Beoordeling

7. In deze zaak staat de vraag centraal of passagiers recht hebben op compensatie indien zij bij rechtstreeks aansluitende vluchten, die uitgevoerd worden door verschillende luchtvaartmaatschappijen, hun eindbestemming met meer dan 3 uur vertraging bereiken.

8. De Verordening bepaalt in artikel 3 lid 5 dat deze van toepassing is “op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.” Op grond van artikel 2 onder b van de Verordening dient onder “luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” te worden verstaan: “een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”

9. Hieruit volgt in beginsel dat de Verordening van toepassing is op de
luchtvaartmaatschappij die de vlucht feitelijk uitvoert of voornemens is uit te voeren. Vaststaat dat KLM niet de luchtvaartmaatschappij was die de aansluitende gemiste vlucht feitelijk uitvoerde, maar dat dat Earolineas Argentinas was. Met betrekking tot deze aansluitende vlucht kan KLM in beginsel niet als “de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” als bedoeld in art. 3 lid 5 van de Verordening worden beschouwd. Echter in het onderhavige geval moet aangenomen worden dat de bestemming van de aansluitende vlucht ten aanzien van KLM overeenkomstig het bepaalde in art. 2 sub h van de Verordening als eindbestemming bepalend kan worden geacht voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een vertraging van meer dan drie uur, ook al is deze laatste vlucht niet door haar uitgevoerd.

10. Uit de arresten van Het Europese Hof van 19 november 2009 (Sturgeon/Böck C-402/07 en C-432/07) en 26 februari 2013 (Air France/Folkert C-11/11) volgt dat passagiers van vertraagde vluchten aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie wanneer zij door dergelijke vluchten drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken. In geval van rechtstreeks aansluitende vluchten is de vertraging op de eindbestemming dus bepalend. Het begrip “eindbestemming” is in artikel 2, sub h, van de Verordening, voor zover relevant, als volgt gedefinieerd:
“de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht. (…)”

11. In het onderhavige geval betekent dit dat de derde vlucht een rechtstreeks aansluitende vlucht op de tweede vlucht is en dat Buenos Aires in deze zaak derhalve als eindbestemming moet worden aangemerkt. De passagiers hebben bij de KLM een vlucht geboekt van Düsseldorf naar Buenos Aires. Bij die overeenkomst heeft KLM zich verbonden om dat vervoer volgens het door haar geaccepteerde traject van Düsseldorf naar Buenos Aires met drie vluchten uit te voeren, waarbij de eerste twee vluchten door haarzelf zouden worden uitgevoerd en de laatste vlucht in “code share” met KLM door Aerolineas Argentinas. Door het boeken bij KLM en de codeshare is de kantonrechter van oordeel dat KLM ook de boeking van de laatste vlucht heeft geaccepteerd. De kantonrechter is van oordeel dat het gegeven deze omstandigheden de vervoerder van de luchtvaartmaatschappij die de vertraagde aankomst op de eindbestemming heeft veroorzaakt, te weten KLM, kan worden aangesproken voor de compensatie op de voet van art. 7 van de Verordening, ongeacht het feit dat een andere luchtvaartmaatschappij de gemiste aansluitende vlucht heeft uitgevoerd. Een andere uitleg van de Verordening zou leiden tot schending van het gelijkheidsbeginsel bij passagiers die zich in dezelfde situatie bevinden, namelijk passagiers die aansluitende vluchten hebben die onderdeel uitmaken van een boeking en feitelijk uitgevoerd worden door dezelfde luchtvaartmaatschappijen. Daarbij verdient nog opmerking dat daarmee ook tegemoet wordt gekomen aan het doel van de Verordening om een hoog niveau van bescherming van de passagier te waarborgen. Tenslotte wordt daarbij in aanmerking genomen dat een dergelijke mogelijkheid ook al bestaat bij een klacht of vordering tot schadeloosstelling van een passagier op basis van EG Verordening 889/2002 waarbij de passagier zowel de contractuele als de feitelijke vervoerder kan aanspreken.

12. Vaststaat dat de passagiers met een vertraging van meer dan 5 uur op hun eindbestemming zijn aangekomen. Ook staat vast dat dat de oorzaak van de vertraagde aankomst is gelegen in de vertraging van ongeveer 2,5 uur van de voorafgaande vlucht van Amsterdam naar Rio de Janeiro waardoor de passagiers de aansluitende vlucht naar Buenos Aires hebben gemist. Dit betekent dat de passagiers terecht aanspraak maken op vergoeding van € 1.200,00. Niet is immers gesteld of gebleken dat er sprake was van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan de passagiers hun aansluitende vlucht naar Buenos Aires hebben gemist als bedoeld in art. 5 lid 3 Verordening.

13. KLM is de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij in verzuim is geraakt. Ingevolge art. 6:82 BW treedt verzuim in wanneer KLM in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij haar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. Blijkens de door de passagiers overgelegde producties is KLM aangemaand tot betaling van compensatie binnen 14 dagen na dagtekening van de brief van 3 juli 2014. Hieruit volgt dat KLM binnen 14 dagen na dagtekening van bovengenoemde brief in verzuim is geraakt.

14. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen. Niet is immers gesteld of gebleken dat de verrichtingen van de passagiers meer hebben omvat dat werkzaamheden ter instructie van de procedure. Voor het overige zijn slecht twee gestandaardiseerde aanmaningsbrieven overgelegd bij dagvaarding.

15. KLM zal als de voor het grootste gedeelte in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de passagiers.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt KLM tot betaling aan de passagiers van:
- € 1.200,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juli 2014 tot aan de voldoening;

veroordeelt KLM in de proceskosten, aan de zijde van de passagiers tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 219,00

-kosten dagvaarding: € 93,80

-salaris gemachtigde: € 300,00

--------------

Totaal: € 612,80

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

veroordeelt KLM tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te
verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het
vonnis heeft plaatsgevonden en de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving
vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing,
inclusief btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2016 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter