Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3550

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
13/845068-06, RK: 16/840
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. De rechtbank heeft het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van verdachte ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/845068-06

RK: 16/840

BESCHIKKING

op het op 4 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift tegen de dagvaarding van:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1] , [woonplaats] , domicilie kiezend ten kantore van De Roos & Pen, [adres 2] , [plaats] .

1 Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift richt zich tegen de op 28 januari 2016 aan verdachte betekende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer, waarbij hij is gedagvaard ter zake van de feiten als omschreven in de aan deze beschikking gehechte, voor eensluidend aan het origineel gewaarmerkte fotokopie van die dagvaarding, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

2 Procesgang

Voornoemd bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding aan verdachte bij de rechtbank ingediend. Verdachte is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar. De rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 31 mei 2016 de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman B.T. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, in raadkamer gehoord.

3 Standpunt van de verdediging

Het bezwaarschrift houdt – zakelijk weergegeven – in dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging, dan wel de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren.

De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd. Als gevolg van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn, in samenhang met na te noemen schendingen, is vervolging van verdachte niet meer opportuun. Bovendien wordt door deze overschrijding – indien de strafzaak tegen verdachte inhoudelijk zal worden behandeld en nog getuigen moeten worden gehoord – het belang van de waarheidsvinding op voorhand in ernstige mate geschonden.

Voorts heeft het openbaar ministerie nagelaten om de in de rechtshulpverzoeken aan de justitiële autoriteiten van de staat Californië in de Verenigde Staten genoemde onderzoeken volledig te laten verrichten. Als gevolg hiervan is sprake van ernstige omissies in het onderzoek, zodat vervolging in strijd is met het recht op een eerlijk proces en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Daarnaast zijn tijdens het onderzoek geheimhouderstukken in beslag genomen. De officier van justitie en het opsporingsteam hebben deze stukken bestudeerd, en van de inhoud een procesverbaal opgemaakt. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat deze handelswijze niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regelgeving. Hoewel niet achterhaald kan worden wat de invloed van de bestudering van deze stukken is geweest op de totstandkoming van het dossier, staat wel vast dat zowel de officier van justitie als het opsporingsteam kennis heeft genomen van deze geheimhouderstukken, hetgeen (mede) richtinggevend kan zijn geweest voor de opsporing en het verloop van het onderzoek. Hierdoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, schending van het recht op een eerlijk proces en schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Tot slot handelt het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel door uitsluitend verdachte te dagvaarden en verder te vervolgen, terwijl uit de inhoud van het dossier volgt dat meerdere personen als verdachte zijn aangemerkt.

Gelet op de hiervoor weergegeven gronden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft de verdediging verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren.

4 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

5 Beoordeling

5.1.

Inleidende overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat al hetgeen namens verdachte is opgeworpen, aan de orde komt in het kader van de behandeling van het namens verdachte ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding als bedoeld in artikel 262 Sv. Het onderzoek naar aanleiding van een dergelijk bezwaarschrift draagt een summier karakter en dient niet vooruit te lopen op de behandeling ter terechtzitting. Er vindt dan ook geen diepgaand onderzoek plaats naar de feitelijke gang van zaken.

Voor de beoordeling van de in het bezwaarschrift genoemde gronden is van belang dat deze moeten voldoen aan de eis dat zij met redenen zijn omkleed. Deze eis heeft niet alleen tot doel chicaneuze bezwaarschriften te weren, maar ook om de omvang van de behandeling van het bezwaar in te kaderen. In dat licht dient aan die eis mede de betekenis te worden toegekend dat het verdachte niet vrijstaat bij de behandeling in raadkamer nieuwe bezwaren naar voren te brengen, die niet reeds hun grondslag vinden in het bezwaarschrift. Op die wijze wordt ook voorkomen dat de officier van justitie bij de behandeling wordt verrast met nieuwe bezwaren waarop hij wellicht niet aanstonds kan reageren.

Voor zover namens verdachte ter terechtzitting in de toelichting op het bezwaarschrift zodanige nieuwe bezwaren naar voren zijn gebracht, zal de rechtbank deze dan ook buiten beschouwing laten.

5.2.

Bespreking verweren

5.2.1.

Schending van de redelijke termijn

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn en de eventuele gevolgen daarvan met betrekking tot de waarheidsvinding dienen te leiden tot nietontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden.

Wat betreft de berechting van de strafzaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Na constatering van een overschrijding van de redelijke termijn dient deze in de regel te worden gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens de Hoge Raad niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Gelet op het bovenstaande is de enkele overschrijding van bovenbedoelde redelijke termijn onvoldoende voor gegrondverklaring van het bezwaarschrift.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts in deze fase van het proces niet op voorhand worden vastgesteld dat, als gevolg van het tijdsverloop, eventueel te horen personen als getuige niet meer kunnen verklaren over de aan verdachte ten laste gelegde gedragingen en de achtergronden daarvan, zodat op grond daarvan geen sprake meer zou zijn een eerlijk proces. Ook de gestelde gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zijn derhalve onvoldoende voor gegrondverklaring van het bezwaarschrift.

5.2.2.

Het nalaten van onderzoek door de officier van justitie in de Verenigde Staten

Op 16 augustus en 5 oktober 2006 zijn bij de justitiële autoriteiten van de staat Californië in de Verenigde Staten rechtshulpverzoeken ingediend, waarin onder meer is verzocht om doorzoekingen ter inbeslagneming van gegevens te verrichten op (bedrijfs)adressen, uitlevering en inbeslagname van (bedrijfs)gegevens en het horen van getuigen. Een deel van het rechtshulpverzoek is op 22 augustus 2007 uitgevoerd en heeft geen bewijs voor de ten laste gelegde oplichting en belastingfraude opgeleverd.

Het besluit om af te zien van actieve navraag over de voortgang van de overige uitvoering van voornoemde rechtshulpverzoeken is ingegeven door de resultaten van het opsporingsonderzoek, aldus de officier van justitie. Uit de reeds verzamelde bewijsmiddelen was voor het openbaar ministerie immers duidelijk geworden dat uit de Verenigde Staten belastend noch ontlastend bewijs voor de ten laste gelegde feiten zou worden verkregen.

De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat voornoemde beslissing van de officier van justitie, om af te zien van verdere uitvoering van de rechtshulpverzoeken, niet onbegrijpelijk is. Thans kan bovendien niet worden geconcludeerd dat het niet uitgevoerde onderzoek in de Verenigde Staten, in het bijzonder het eventueel horen van de zich daar bevindende personen als getuige, niet alsnog kan worden uitgevoerd. Het staat de verdediging immers vrij om in het kader van waarheidsvinding – alsnog – onderzoekswensen in te dienen, dan wel te verzoeken om bepaalde personen als getuige te doen horen.

5.2.3.

Geheimhouderstukken

Op 17 oktober 2006 zijn geheimhouderstukken in beslag genomen. Ten aanzien van de inbeslagneming van deze geheimhouderstukken heeft het openbaar ministerie niet de juiste procedure gevolgd, hetgeen na vaststelling daarvan door de rechtbank is rechtgezet. De originele stukken zijn vervolgens in handen gesteld van de rechter-commissaris en alle afschriften en processen-verbaal omtrent de geheimhouderstukken zijn vernietigd.

Het dossier bevat geen enkel geheimhouderstuk, of een (feiten)vaststelling die direct of indirect op de onrechtmatige aanvankelijke kennisneming van de geheimhouderstukken is gebaseerd, aldus de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de verdediging geen specifieke informatie in het dossier heeft kunnen aanwijzen, waaruit blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat deze informatie direct of indirect afkomstig moet zijn uit geheimhouderstukken, en de rechtbank hiervan thans niet is gebleken, op dit moment niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De enkele omstandigheid dat de officier van justitie en het opsporingsteam hebben kennisgenomen van geheimhouderstukken, is bovendien onvoldoende om aan te nemen dat deze kennis op enigerlei wijze richtinggevend is geweest voor de opsporing en de bewijsvoering.

5.2.4.

Gelijkheidsbeginsel en schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde

In onderhavig onderzoek wordt vooralsnog uitsluitend verdachte vervolgd voor het plegen van oplichting en belastingfraude.

Gelet op artikel 167, eerste lid, Sv is aan het openbaar ministerie een ruime bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie vrij staat om tot vervolging van verdachte over te gaan, nu uit de inhoud van het dossier volgt dat de positie van verdachte niet zonder meer gelijk te stellen is aan die van andere betrokkenen, waarbij bovendien van belang is dat ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel de beginselen van een behoorlijke procesorde is in het licht van het bovenstaande hoe dan ook geen sprake.

5.2.5.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, ook in onderling verband en samenhang bezien, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging.

De kennelijk subsidiaire grondslag van het bezwaarschrift, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren, is in het bezwaarschrift niet met redenen omkleed, zodat deze grondslag onbesproken kan blijven.

Gelet hierop dient het bezwaarschrift ongegrond te worden verklaard.

6 Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank door

mr. D.J. Cohen Tervaert,

voorzitter,

mrs. B. Vogel en M.R.J. van Wel,

rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

griffier,

mr. D.J. Cohen Tervaert is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.