Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
C/13/606400 / KG ZA 16-437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De organisator van een militariabeurs komt op tegen publicaties waarin de beurs wordt weggezet als een 'nazibeurs'. Weliswaar is de publicist in zijn uitlatingen ongenuanceerd en door zijn woordkeuze tendentieus, maar die ruimte komt hem toe. Zijn uitlatingen vinden bovendien enige steun in de feiten. De handel in voorwerpen met nazisymbolen mag dan wel niet bij voorbaat strafbaar zijn, geheel onomstreden is het evenmin. De beurs te Houten is niet verboden, maar in het verleden is er wel ‘gedoe’ over een vergelijkbare beurs geweest, zodat de aanduiding ‘verboden beurs’ enigszins de lading dekt. Dat de publicist op de beurs is mishandeld is niet aannemelijk, maar de aangifte daarvan wel. Dat de publicist zijn ‘mishandeling’ aan de orde stelt overschrijdt geen grenzen. De publicist moet ruimte worden gegund om op zijn manier actie te voeren tegen – in zijn ogen – een misstand. Daarbij is overdrijving toegestaan om de aandacht van de lezer te trekken. Verder speelt mee dat de uitlatingen zijn gedaan in - niet zeer gezaghebbende - media met een beperkt lezerspubliek. Dat de belangen van de organisator van de beurs door de uitlatingen onaanvaardbaar in het gedrang zijn gekomen is voorshands niet aannemelijk. Dat de reputatie van de organisator van de beurs als persoon, of zijn exploitatie van de beurs substantiële schade heeft ondervonden is niet concreet toegelicht. Dat de organisator van de beurs als leraar geen baan meer kan vinden is evenmin voldoende met stukken onderbouwd. Het gevorderde verbod voor de toekomst wordt afgewezen omdat toewijzing zou neerkomen op preventieve censuur. Wel moet de portretfoto van de organisator van de beurs van verschillende websites worden verwijderd omdat zijn belang bij eerbiediging van zijn privacy zwaarder weegt dan het belang van de publicist bij plaatsing van die foto.

Wetsverwijzingen
Auteurswet 1912
Auteurswet 1912 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/42
IR 2016/106, UDH:IR/13453 met annotatie van Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/606400 / KG ZA 16-437 MvdV/EB

Vonnis in kort geding van 6 juni 2016

in de zaak van

[de organisator van de beurs] ,

wonende te [woonplaats van de organisator van de beurs] ,

eiser bij dagvaarding van 4 mei 2016,

advocaat mr. R.F. de Jong te Amsterdam,

tegen

[de publicist] ,

wonende te [woonplaats van de publicist] , verblijvende op een geheim adres,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna [de organisator van de beurs] en [de publicist] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 20 mei 2016 heeft [de organisator van de beurs] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [de publicist] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Aanvankelijk was de vonnisdatum bepaald op 3 juni 2016, maar naderhand zijn partijen geïnformeerd dat die datum is verplaatst naar 6 juni 2016.

Ter zitting was [de organisator van de beurs] aanwezig met mr. De Jong. [de publicist] is in persoon verschenen. Als informanten aan zijn zijde waren aanwezig [kernlid van de AFVN] en

[secretaris van de AFVN] (kernlid respectievelijk secretaris van de vereniging Anti Fascistische Oud Verzetsstrijders Nederland / Bond van Anti Fascisten, hierna: de AFVN).

2 De feiten

2.1.

[de organisator van de beurs] is organisator van een militariabeurs die vijf keer per jaar wordt gehouden in de Expo te Houten (hierna: de beurs in Houten). Kort gezegd zijn militaria voorwerpen die betrekking hebben op het krijgswezen. Daarbij valt te denken aan uniformen, gebruiksvoorwerpen en documenten.

2.2.

Tot 6 september 2015 werd de beurs in Huizen georganiseerd (hierna: de beurs in Huizen), door een andere organisator dan [de organisator van de beurs] . [de publicist] heeft actie gevoerd tegen deze beurs. Dat heeft ertoe geleid dat de gemeenteraad Huizen heeft besloten om nadien geen vergunning meer af te geven voor de beurs. Daarop heeft [de organisator van de beurs] , die een stand had op de beurs te Huizen, besloten een eigen beurs te gaan organiseren. Dat is de beurs in Houten geworden. Sindsdien voert [de publicist] actie tegen de beurs in Houten.

2.3.

[de publicist] heeft meerdere websites waarop hij (onder meer zelfgeschreven) artikelen over de Tweede Wereldoorlog plaatst. Daarnaast is [de publicist] medeauteur van artikelen die worden geplaatst op de website www.dichtbij.nl en andere lokale sites en regionale bladen. Op de website www.dichtbij.nl, de website van de Groninger Krant en de website van de gemeente Houten staan enkele artikelen van de hand van [de publicist] , waarin hij de beurs een ‘verboden nazibeurs’ noemt en verder schrijft:

 dat het een beurs voor nazispullen is;

 dat hij is mishandeld op de beurs;

 dat de beurs is bezocht door neonazi [lijsttrekker van de NVU] , dat [lijsttrekker van de NVU] daar flyers verspreidde voor zijn partij, de extreemrechtse Nederlandse Volksunie (NVU) en dat de organisatoren van de beurs [lijsttrekker van de NVU] geen haarbreed in de weg legden;

 dat op de beurs enkele honderden verboden nazidolken en exemplaren van het verboden boek Mein Kampf zijn aangetroffen;

 dat [de organisator van de beurs] op de beurs het verboden boek Mein Kampf te koop aanbood.

2.4.

Bij brief van 3 maart 2016 heeft de raadsman van [de organisator van de beurs] [de publicist] gesommeerd – kort gezegd – zijn uitlatingen over [de organisator van de beurs] en de beurs te staken.

2.5.

In reactie op deze sommatie heeft [de publicist] op zijn website www.wo2sharepoint.com een artikel geplaatst, getiteld ‘Handelaren in nazispullen starten proces tegen critici’. Bij dit artikel is een foto van [de organisator van de beurs] geplaatst.

2.6.

Op de website van de beurs te Houten staan voorwaarden vermeld die de bezoekers en standhouders dienen te accepteren. Eén van die voorwaarden is dat uitsluitend materiaal mag worden aangeboden dat bij de Nederlandse wet is toegestaan. In de voorwaarden staat verder:

“(…) De Militariabeurs Houten wil een a-politieke beurs zijn. Bezoekers kunnen geconfronteerd worden met historisch beladen items en het betreden van de beurs is samen met het kopen van een entreeticket een persoonlijke gemaakte serieuze afweging. Niemand kan aldus “per toeval” geconfronteerd worden met historische overblijfselen uit roerige en soms ronduit verschrikkelijke tijden. De beurs en de organisatoren willen benadrukken tegen elke uitingsvorm en politieke overtuiging te zijn. Zogeheten extremisten aan beide kanten van het (historische) politieke spectrum die hun mening willen ventileren worden niet getolereerd. De beurs neemt afstand van de persoonlijke overtuiging van haar bezoekers en standhouders. Iedereen, ongeacht afkomst, overtuiging, geaardheid of mening is welkom, zolang men zich maar netjes gedraagt op de beurs en aan de wet houdt. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[de organisator van de beurs] vordert, kort gezegd:

  1. [de publicist] te veroordelen om de publicaties waarmee [de organisator van de beurs] en de beurs in verband worden gebracht met strafbare feiten of sympathie met het nationaalsocialisme te verwijderen en verwijderd te houden;

  2. [de publicist] te verbieden [de organisator van de beurs] en de beurs nog langer in het openbaar in verband te brengen met strafbare feiten of sympathie met het nationaalsocialisme;

  3. [de publicist] te veroordelen de eigenaar van de website dichtbij.nl opdracht te geven de artikelen waarin [de publicist] uitlatingen doet over [de organisator van de beurs] en de beurs te verwijderen van die website en uit de archieven;

  4. [de publicist] te veroordelen om de foto van [de organisator van de beurs] te verwijderen van de websites www.fpmedia.tk, www.wo2sharepoint.com en www.nieuws-wo2.nl;

  5. [de publicist] te verbieden inbreuk te maken op het portretrecht van [de organisator van de beurs] ;

al het voorgaande op straffe van dwangsommen,

[de publicist] te veroordelen tot betaling aan [de organisator van de beurs] , bij wijze van voorschot op de schadevergoeding, van een bedrag van € 10.000,00; en

[de publicist] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [de organisator van de beurs] ten grondslag, samengevat weergegeven, dat de uitlatingen die [de publicist] op internet over hem en de beurs doet de perken van de vrijheid van meningsuiting te buiten gaan en daarmee onrechtmatig jegens hem zijn. Hij stelt er een spoedeisend belang bij te hebben dat [de publicist] zijn uitlatingen staakt en van internet verwijdert.

3.3.

[de publicist] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[de publicist] voert als verweer onder meer dat de zaak te ingewikkeld is voor een kort geding en dat [de organisator van de beurs] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dit verweer wordt verworpen. De zaak dient te worden beslist op basis van een belangenafweging, waarover hierna meer. Dat kan in kort geding net zo goed gebeuren als in een bodemprocedure. [de organisator van de beurs] heeft ook een spoedeisend belang bij de beoordeling van zijn vordering. Voorshands is voldoende aannemelijk dat [de organisator van de beurs] belang heeft bij snelle duidelijkheid over de vraag of sprake is van onrechtmatige uitlatingen van [de publicist] .

4.2.

Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vorderingen van [de organisator van de beurs] in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [de publicist] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [de publicist] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.3.

Het belang van [de publicist] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het opkomend neonazisme is een ernstige misstand die de samenleving raakt en het staat [de publicist] vrij daartegen op te komen en het publiek daarover te informeren. Het belang van [de organisator van de beurs] is erin gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen. Zijn belang om niet te worden geassocieerd met sympathie voor het neonazisme is evident. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Opmerking vooraf

4.4.

[de organisator van de beurs] heeft zich ter zitting uitdrukkelijk gedistantieerd van het nationaalsocialistisch gedachtengoed. Het is volgens hem niet voor niets dat hij in de reglementen van de beurs heeft laten opnemen dat het niet is toegestaan om op de beurs politieke uitingen te doen en op de website van de beurs een steunbetuiging te vinden is aan de doelstellingen van het Comité 4 en 5 mei. Vooralsnog is er geen reden om aan te nemen dat [de organisator van de beurs] hiermee slechts een lippendienst bewijst aan de heersende opinie, zoals volgens [de publicist] het geval is.

4.5.

Duidelijk is dat partijen fundamenteel van mening verschillen over de vraag hoe moet worden omgegaan met de handel in voorwerpen uit het Derde Rijk. [de publicist] is van mening dat het verdienen van geld aan artefacten van de meest gruwelijke ellende volkomen immoreel is en bovendien gevaarlijk. Hij denkt dat bezoekers van de beurs, doordat zij eraan gewend raken voorwerpen uit het Derde Rijk te zien, afstompen voor de gruwelen die zijn voortgekomen uit het nationaalsocialisme. In zijn visie bestaat het gevaar dat verzamelaars op een hellend vlak richting het nationaalsocialistische gedachtengoed geraken als die artefacten thuis worden gekoesterd en niet in de juiste context worden geplaatst, zoals dat bijvoorbeeld in musea gebeurt. [de organisator van de beurs] , geschiedenisleraar, vindt – kort gezegd – dat geen enkele bladzijde uit de geschiedenis onder het tapijt moet worden geschoven. Uiteraard moet de zwarte pagina van het nationaalsocialisme wel met de nodige zorgvuldigheid worden behandeld, aldus [de organisator van de beurs] .

4.6.

De onder 2.3 genoemde uitlatingen geven aanleiding tot de volgende overwegingen.

(Verboden) nazibeurs

4.7.

[de publicist] noemt de beurs steevast een nazibeurs. Volgens hem betreft het merendeel van de daar verhandelde artikelen – naar zijn schatting zo’n 75% – artefacten die betrekking hebben op het Derde Rijk. [de publicist] baseert deze conclusie op zijn eigen waarneming tijdens de eerdere beurs in Huizen en de aanname dat de verhouding op de beurs in Houten hetzelfde zal zijn omdat op de beurs in Houten dezelfde standhouders staan. [de organisator van de beurs] betwist het door [de publicist] genoemde percentage. Volgens hem maakten de objecten uit het Derde Rijk op de beurs in Huizen slechts 10% van het aanbod uit. Hij baseert zich in dit verband op informatie van de organisator van de eerdere beurs in Huizen en diens advocaat, die het percentage hebben nagetrokken ten behoeve van een door hen gevoerde bezwaarschrift-procedure in verband met de weigering van de vergunning. In Houten zal het percentage hetzelfde zijn, aldus [de organisator van de beurs] , omdat het gaat om vrijwel dezelfde standhouders.

Hoe de percentages liggen kan in dit kort geding niet worden vastgesteld nu betrouwbare gegevens daarover ontbreken. Hoewel in het algemeen degene die de bestreden uitlatingen doet aannemelijk moet maken dat deze waar zijn, had het in dit geval mede op de weg van [de organisator van de beurs] gelegen om inzichtelijk te maken dat de uitlatingen van [de publicist] niet kloppen. [de organisator van de beurs] is immers (mede)organisator van de beurs te Houten en moet uit dien hoofde makkelijk toegang hebben tot gegevens/cijfers over de (hoeveelheid) voorwerpen die op die beurs verhandeld worden. Hoe dan ook, vastgesteld kan worden dat op de beurs voorwerpen uit het Derde Rijk te koop worden aangeboden.

4.8.

[de publicist] betitelt de beurs als ‘verboden’, omdat voor de eerdere militariabeurs in Huizen in 2015 geen vergunning meer werd verleend en omdat op de beurs in Houten dezelfde standhouders staan als destijds in Huizen.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de beurs in Houten - in tegenstelling tot die in Huizen - wel een vergunning is verleend.

Mishandeling [de publicist]

4.9.

[de publicist] heeft geschreven dat hij zonder enige aanleiding is mishandeld in het zalencomplex waar de beurs werd gehouden. Hij heeft ook aangifte van mishandeling gedaan. [de organisator van de beurs] heeft hiertegen ingebracht dat een politieagent in burger, die toevalligerwijze ter plaatse was, heeft geconstateerd dat het verhaal van [de publicist] niet klopte en dat van mishandeling geen sprake was. Op zijn beurt heeft [de organisator van de beurs] aangifte tegen [de publicist] gedaan van belediging/smaad. [de organisator van de beurs] stelt dat binnenkort de beslissing zal worden genomen of [de publicist] zal worden vervolgd wegens het doen van een valse aangifte.

Hoe één en ander precies is verlopen kan voorshands niet worden vastgesteld. Op de gedetailleerde betwisting door [de organisator van de beurs] is [de publicist] niet ingegaan. Vooralsnog is niet voldoende aannemelijk dat [de publicist] daadwerkelijk is mishandeld op de beurs, wel dat hij daarvan aangifte heeft gedaan.

Flyeren door neonazi’s

4.10.

Partijen zijn het erover eens dat [lijsttrekker van de NVU] als een ‘neonazi’ kan worden aangemerkt. [de organisator van de beurs] betwist op zichzelf niet dat [lijsttrekker van de NVU] de beurs heeft bezocht, en dat iedereen, dus ook [lijsttrekker van de NVU] , wordt toegelaten zolang men zich aan de regels houdt. Wel betwist hij dat [lijsttrekker van de NVU] op de beurs in Houten heeft geflyerd voor zijn extreemrechtse partij, de NVU. [de publicist] heeft ter zitting een kopie getoond van een flyer die [lijsttrekker van de NVU] op de parkeerplaats bij het beursgebouw aan hem en [kernlid van de AFVN] zou hebben overhandigd. Vooralsnog is er geen reden om te betwijfelen dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Dat [lijsttrekker van de NVU] ook in de zaal waar de beurs wordt gehouden heeft geflyerd is voorshands niet aannemelijk geworden.

De verkoop van ‘verboden’ artikelen

4.11.

[de publicist] heeft geschreven dat op de beurs onder meer het verboden boek Mein Kampf te koop wordt aangeboden. Hij heeft een foto overgelegd waarop – daar zijn partijen het over eens – te zien is dat op de stand van [de organisator van de beurs] een exemplaar van het boek tentoongesteld wordt, maar tussen partijen staat vast dat dit op de beurs in Huizen was en niet op de beurs in Houten. [de organisator van de beurs] heeft toegelicht dat hij het boek niet te koop aanbood, maar had meegenomen als cadeau voor een bevriende leraar die het als onderwijsmateriaal wilde gebruiken. Hij heeft verzekerd dat het ging om een incident en dat één van de voorwaarden die hij aan de deelnemers van de beurs in Huizen oplegt is dat zij geen exemplaren van Mein Kampf zullen aanbieden.

4.12.

Het te koop aanbieden van exemplaren van Mein Kampf of andere voorwerpen uit het Derde Rijk, zoals dolken met nazisymbolen, is niet onomstreden. Anderzijds staat niet vast dat dit altijd strafbaar is. In november 2014 heeft de rechtbank Amsterdam, in een strafzaak tegen een Amsterdamse galeriehouder die een antiquarisch exemplaar van Mein Kampf te koop aanbood, de galeriehouder ontslagen van rechtsvervolging omdat een veroordeling wegens overtreding van artikel 137e Sr (het verbod op discriminatie, belediging en aanzetten tot haat en geweld) in strijd zou komen met de vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:RBAMS:2014:7866). Een veroordeling was volgens de rechtbank niet nodig ter bescherming van de rechten van derden in een democratische samenleving en zou daarmee niet voldoen aan de in het EVRM gestelde eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Van belang voor deze uitspraak is onder meer geweest dat van de inhoud van Mein Kampf op eenvoudige wijze kennis kan worden genomen via internet, hetzij door het downloaden van de tekst, hetzij door het aankopen van het boek via bijvoorbeeld Amazon.com, en dat het boek bovendien ook te lezen is in Nederlandse bibliotheken en vrij verkrijgbaar in diverse omringende landen. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd (ECLI:NL:GHAMS:2016:299).

Uit de rechtspraak (NJ 1986, 30: Rechtbank Alkmaar, 15 oktober 1985, nr. 61593, NJ 1988, 300: Hoge Raad, 22 september 1987, nr. 81648 en ECLI:NL:GHARN:2012:BY2774) blijkt verder dat voorwerpen met nazisymbolen op zichzelf niet per definitie voorwerpen zijn waarin een uitlating als bedoeld in artikel 137e Sr is vervat, maar dat het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of verkoop van die voorwerpen tot overtreding van dat artikel leidt. Als omstandigheden zijn onder meer genoemd de bestemming van het voorwerp en het doel waartoe de voorwerpen worden verspreid. Het gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad hebben geoordeeld dat het ten verkoop in voorraad hebben voor verzamelaars van militaire curiosa de voorwerpen met nazisymbolen nog niet tot verboden voorwerpen maakt.

Samenvatting

4.13.

Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:

  • -

    de militariabeurs in Houten is niet verboden. Door de gemeente Houten is een exploitatievergunning verleend. Voor de beurs in Huizen is de vergunning in 2015 ingetrokken.

  • -

    dat [de publicist] op de beurs te Huizen is mishandeld is vooralsnog niet aannemelijk, wel dat hij van die mishandeling aangifte heeft gedaan;

  • -

    [lijsttrekker van de NVU] , die kan worden aangemerkt als ‘neonazi’, mag de beurs bezoeken zolang hij zich aan de regels houdt. [lijsttrekker van de NVU] heeft op het parkeerterrein van de beurs in Houten geflyerd voor de NVU;

  • -

    op de beurs in Houten worden voorwerpen uit het Derde Rijk te koop aangeboden, waaronder dolken met nazisymbolen. Dit is niet zonder meer strafbaar, maar of het altijd legaal is, is evenmin duidelijk.

4.14.

Om te kunnen beoordelen of sprake is van onrechtmatige uitlatingen dienen – als hiervoor onder 4.3 is weergegeven – de belangen van partijen te worden afgewogen. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen zijn onder andere de aard van de uit de uitlatingen (impliciet af te leiden) verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen en de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal.

4.15.

[de organisator van de beurs] vordert de verwijdering van publicaties van [de publicist] waarmee ‘ [de organisator van de beurs] of de beurs in verband wordt gebracht met strafbare feiten of nationaalsocialisme’.

Voorop staat dat er geen aanwijzingen zijn dat [de organisator van de beurs] en/of de door hem georganiseerde militariabeurs in Houten sympathiseert met het neonazistisch gedachtengoed. Voor zover [de organisator van de beurs] heeft willen betogen dat [de publicist] deze indruk met zijn uitlatingen heeft gewekt gaat zijn standpunt niet op. Uit de door [de organisator van de beurs] in het geding gebrachte publicaties is de gewekte suggestie van sympathie met het neonazisme niet voldoende duidelijk af te leiden. [de publicist] heeft bovendien op de zitting verklaard dat hij er niet vanuit gaat dat [de organisator van de beurs] neonazistische sympathieën heeft, en dat het hem niet om [de organisator van de beurs] te doen is, maar om de handel in ‘nazivoorwerpen’ die hij wil aanpakken.

4.16.

Voorts is uitgangspunt dat onvoldoende aannemelijk is dat [de organisator van de beurs] , al dan niet als organisator van de beurs, strafbare feiten pleegt of dat op de beurs door anderen strafbare feiten worden gepleegd. Voor zover [de organisator van de beurs] stelt dat [de publicist] dit (impliciet) in zijn publicaties beweert, en die uitlatingen van [de publicist] inderdaad die indruk kunnen wekken, is dit onterecht. Dit levert echter geen onrechtmatigheid jegens [de organisator van de beurs] op. Weliswaar is [de publicist] in zijn uitlatingen ongenuanceerd en door zijn woordkeuze tendentieus, maar die ruimte komt hem toe. Zijn uitlatingen vinden bovendien enige steun in de feiten, zoals hiervoor onder 4.13 is samengevat. De handel in voorwerpen met nazisymbolen mag dan wel niet bij voorbaat strafbaar zijn, geheel onomstreden is het evenmin. De beurs te Houten is niet verboden, maar in het verleden is er wel ‘gedoe’ over een vergelijkbare beurs geweest zodat de aanduiding ‘verboden beurs’ enigszins de lading dekt. De mishandeling van [de publicist] is niet aannemelijk, maar de aangifte daarvan wel. Dat [de publicist] zijn ‘mishandeling’ aan de orde stelt overschrijdt geen grenzen.

[de publicist] moet ruimte worden gegund om op zijn manier actie te voeren tegen – in zijn ogen – een misstand. Daarbij is overdrijving toegestaan om de aandacht van de lezer te trekken. Verder speelt mee dat de uitlatingen zijn gedaan in - niet zeer gezaghebbende - media met een beperkt lezerspubliek. Dat de belangen van [de organisator van de beurs] door de uitlatingen onaanvaardbaar in het gedrang zijn gekomen is voorshands niet aannemelijk. Dat de reputatie van [de organisator van de beurs] als persoon, of zijn exploitatie van de beurs substantiële schade heeft ondervonden is niet concreet toegelicht. Dat [de organisator van de beurs] als leraar geen baan meer kan vinden is evenmin voldoende met stukken onderbouwd. De vordering onder i) en iii) zal worden afgewezen

4.17.

De vordering onder ii) is gericht op toekomstige uitlatingen en zal eveneens worden afgewezen omdat toewijzing neerkomt op preventieve censuur. Of in de toekomst onrechtmatige uitlatingen worden gedaan door [de publicist] zal op basis van het dan aanwezige feitencomplex moeten worden beoordeeld.

De portretfoto

4.18.

Bij zijn publicatie “Handelaren in nazispullen starten proces tegen critici” heeft [de publicist] een portretfoto van [de organisator van de beurs] geplaatst. De foto is niet in opdracht of ten behoeve van [de organisator van de beurs] gemaakt. Openbaarmaking daarvan is dan ook niet geoorloofd voor zover een redelijk belang van de geportretteerde zich verzet tegen openbaarmaking (artikel 21 Auteurswet). De vraag of de geportretteerde een zodanig redelijk belang heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken.

Het belang van [de publicist] bij publicatie van de foto is beperkt te noemen. Hij heeft als reden voor de publicatie gegeven dat het hem logisch leek om bij een artikel over de beurs een foto te plaatsen van de organisator ervan. Dat belang legt het af tegen het belang van [de organisator van de beurs] bij eerbiediging van zijn privacy. Overigens is de plaatsing van de foto niet goed te rijmen met de stelling van [de publicist] dat hij geen actie voert tegen de persoon [de organisator van de beurs] , maar tegen de beurs. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verzet een redelijk belang van [de organisator van de beurs] zich tegen openbaarmaking van zijn portret in de context van het artikel. [de publicist] heeft niet betwist dat hij de beheerder van deze website is. Hij zal dan ook worden veroordeeld dit artikel, inclusief de foto, binnen een week na betekening van het vonnis van de site te verwijderen. [de publicist] heeft ook niet betwist dat de foto van [de organisator van de beurs] ook, in dezelfde context, terug te vinden is op de websites www.fpmedia.tk en www.nieuws-wo2.nl. Evenmin heeft hij betwist dat die websites onder zijn beheer staan. Ook van die sites zal [de publicist] de foto moeten verwijderen, binnen dezelfde termijn van een week. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing vermeld.

4.19.

Het onder vi) gevorderde voorschot op schadevergoeding zal worden afgewezen, nu [de organisator van de beurs] zijn schadevordering onvoldoende heeft toegelicht.

4.20.

Nu partijen over en weer op enig punt in het debat in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [de publicist] om binnen een week na betekening van dit vonnis de foto van [de organisator van de beurs] te verwijderen van de websites www.wo2.sharepoint.com, www.fpmedia.tk en www.nieuws-wo2.nl,

5.2.

veroordeelt [de publicist] om aan [de organisator van de beurs] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan de onder 5.1 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2016.1

1 type: eB coll: MV