Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3409

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
13/751223-16, 16/2128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering. Belgische detentieomstandigheden. Cipiersstaking. Heropening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751223-16

RK-nummer: 16/2128

Datum uitspraak: 7 juni 2016

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 maart 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 februari 2016 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994

[adres] , [woonplaats]

thans gedetineerd in het [detentie adres] .

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 mei 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. F. visser, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd op

5 februari 2016 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van de stukken

De raadsman heeft ter zitting van de rechtbank aangevoerd dat de stukken van het EAB ongenoegzaam zijn nu de pleegperiode ruim twee jaar lang is, terwijl het eerste tijdstip dat de naam van de opgeëiste persoon in het EAB bij de omschrijving van de feiten wordt genoemd ongeveer één jaar later is dan de aanvang van de pleegperiode. Op grond hiervan dient de overlevering van de opgeëiste persoon te worden geweigerd.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer geen doel treft.

Het door de verdediging bedoelde tijdstip ligt in de in het EAB genoemde periode, zodat aan het vereiste zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid onder e, OLW is voldaan. De rechtbank acht de stukken dan ook genoegzaam en verwerpt het verweer.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Procureur des Konings heeft op 18 mei 2016 de volgende garantie gegeven:

"Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik U de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door U overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan

[opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan.

De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een Lidstaat van Europese Unie (2006/909/JBS). Na de terugkeer kan de Belgische vrijheidsbenemende straf of maatregel worden aangepast."

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten oplevert.

De onder 4 bedoelde feiten leveren inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2 onder A/B/C van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 3 onder A/B/C van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd dat:

- het bewijs zich in België bevindt;

- medeverdachten (in ieder geval 12 personen) in België zijn aangehouden en vervolgd;

- de verdovende middelen waren bestemd voor de Belgische markt waardoor de rechtsorde aldaar direct is geschaad.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Heropening van het onderzoek

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW nu er een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het overleveringsverzoek zou leiden tot een flagrante schending van de in het EVRM vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Uit recente berichtgeving in de media blijkt dat sinds de cipierstaking eind april 2016 sprake is van gevaarlijke en mensonterende detentieomstandigheden in de Belgische gevangenissen zoals bedoeld in artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest) en er is geen zicht op een einddatum van de staking.

De verdediging haalt meerdere artikelen aan van de periode van 9 mei t/m 17 mei 2017 waaruit onder meer blijkt van een dodelijke vechtpartij; van ongedierte en erbarmelijke hygiëne, waarbij het ontbreken van toilet en douche op de cel geen uitzondering zijn en van overbevolking in de Belgische gevangenissen.

Uit artikelen van 13 mei 2016 van het Nieuwsblad.be en De Standaard.be blijkt dat de Belgische kort geding rechter twee Belgische gevangenissen hebben veroordeeld tot het betalen van dwangsommen om een menselijker behandeling van gedetineerden af te kunnen dwingen.

Uit een artikel van 24 mei 2016 van nu.nl blijkt dat de Belgische onderzoeksrechter

tien gedetineerden in vrijheid heeft gesteld nu de ernst van de feiten die zij hebben begaan niet opweegt tegen het leed dat hun wordt aangedaan waarbij onder andere een drugsdealer is vrijgelaten.

Tevens wordt aangevoerd dat uit een artikel van 23 mei 2015 van het AD.nl blijkt dat de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa te kennen heeft gegeven zeer bezorgd te zijn over de situatie in de Belgische gevangenissen. En ten slotte wordt een artikel van aivl.be van 19 mei 2016 aangehaald waarin vermeld staat dat Amnesty International de noodklok luidt en spreekt over detentieomstandigheden die voor gedetineerden neerkomen op een wrede, onmenselijke en vernederende behandeling.

Er is aldus sprake van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de Belgische gevangenissen. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Aranyosi en Căldăraru (ECLI:EU:C:2016:198). Het Hof van Justitie is van oordeel dat het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing een absoluut karakter heeft en dat daaruit volgt dat de overleveringsrechter bij een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling verplicht is daarnaar nader onderzoek te verrichten. Gelet op al het voorgaande verzoekt de verdediging de behandeling van de zaak aan te houden voor ten minste 14 dagen om de Belgische autoriteit in de gelegenheid te stellen alle noodzakelijke gegevens te verstrekken met betrekking tot de detentieomstandigheden waaronder de opgeëiste persoon in België in detentie zal verblijven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verdediging zich alleen op berichten uit de media baseert en dat er anders dan in Hongarije en Roemenië geen CPT-rapport is verschenen over de detentieomstandigheden in België. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat België ervoor zorg zal dragen dat de opgeëiste persoon in de Belgische gevangenis een menswaardige behandeling zal krijgen. Er is onvoldoende concrete informatie door de verdediging aangevoerd op grond waarvan aanleiding bestaat te veronderstellen dat België hieraan niet zal kunnen voldoen. De officier van justitie verzet zich dan ook tegen aanhouding van de behandeling van de zaak om nader onderzoek te verrichten naar de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon terecht zal komen.

Oordeel van de rechtbank

Op 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 ( Pál Aranyosi ) en C-659/15 PPU ( Robert Căldăraru ), ECLI:EU:C:2016:198) geoordeeld over de wijze waarop getoetst moet worden of detentieomstandigheden in het land van de uitvaardigende lidstaat leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest.

Hierbij dient de rechtbank eerst te onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Indien wordt geconcludeerd dat dit reële gevaar in zijn algemeenheid bestaat, komt de tweede toets aan de orde.

Deze tweede toetst houdt in dat op de rechtbank de verplichting rust om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank dient dan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen, opdat deze alle noodzakelijke aanvullende gegevens verstrekt met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd (zie de punten 91-95 van het arrest Aranyosi en Căldăraru).

In onderhavige zaak moet de eerste toets nog plaatsvinden. De rechtbank moet dus onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest – dat overeenkomt met artikel 3 EVRM – gewaarborgde grondrechten.

Hiertoe dient de rechtbank zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

De rechtbank is – ambtshalve en op basis van het gevoerde verweer – bekend met de berichtgeving in (onder andere) de Belgische en Nederlandse media over de detentieomstandigheden in België, over de cipiersstaking in België en over beslissingen van Belgische rechters om gedetineerden vrij te laten als gevolg van slechte detentieomstandigheden en beslissingen waarbij dwangsommen aan de Belgische staat zijn opgelegd zolang die omstandigheden niet verbeteren.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de zorgen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa omtrent de Belgische detentieomstandigheden.

Gelet op voornoemd vereiste om te beslissen op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, is de rechtbank van oordeel dat de thans beschikbare gegevens – voornamelijk berichten uit de media – onvoldoende zijn om daar op dit moment het oordeel op te baseren dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De thans beschikbare gegevens geven echter wel, gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, aanleiding het onderzoek van de zaak te heropenen en de behandeling van de vordering aan te houden om nadere gegevens te verkrijgen van de Belgische uitvaardigende autoriteit teneinde de vraag naar het bestaan van genoemd reëel gevaar te kunnen beantwoorden. Dat er een staking is van cipiers in Belgische gevangenissen die inmiddels al enige tijd voortduurt, acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid en dat deze staking negatieve gevolgen kan hebben voor de detentieomstandigheden in België acht de rechtbank evident. Een beoordeling op basis van nadere gegevens is dan ook onontkoombaar.

De rechtbank beslist als volgt.

  • -

    Het onderzoek van de rechtbank zal worden heropend en zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de Belgische uitvaardigende autoriteit te vragen om gegevens op basis waarvan de vraag kan worden beantwoord of er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten.

  • -

    De rechtbank doelt hierbij in ieder geval op uitspraken van Belgische rechters met betrekking tot vrijlatingen als gevolg van slechte detentieomstandigheden en beslissingen waarbij dwangsommen aan de Belgische staat zijn opgelegd zolang die omstandigheden niet verbeteren.

  • -

    De rechtbank doelt tevens op een toelichting van de Belgische autoriteiten op het verloop van de cipiersstaking en de effecten daarvan op de detentieomstandigheden, zoals de mogelijkheden van gedetineerden tot contact met familieleden en contact met hun verdediging, de mogelijkheden tot luchten, de medische voorzieningen en de hygiënische omstandigheden.

9 Beslissing tot heropening

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd om

de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Belgische autoriteit de hiervoor onder

8 weergegeven vragen aan de Belgische autoriteit voor te leggen.

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. P. van Kesteren en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.