Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3326

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
13/730063-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtvaardigen een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9 van de Opiumwet en/of artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie rechtvaardigen het binnengaan van het appartement door de opsporingsambtenaren?

Verbalisanten hebben ambtshalve dat veel Britse criminelen zich onder een valse identiteit ophouden in de buurt van bewuste straat waar eerder grote hoeveelheden verdovende middelen, wapens en volledige hennepplantages en drugslaboratoria zijn gevonden. Verdachten hebben een Brits uiterlijk en gedragen zich ieder afzonderlijk opvallend qua looproute en het schichtig om zich heen kijken. Aanvankelijke is er informatie was dat een van hen een valse identiteit gebruikte, wat later onjuist blijkt te zijn. De andere verdachte loopt haastig weg maar houdt de verbalisanten in de gaten die bij de eerste verdachte staan. Beiden hebben strafblad ter zake van de Opiumwet en/of de Wet Wapens en Munitie. De sleutel van het appartement wordt gevonden op de plek waar een verdachte aan zijn kleding heeft staan friemelen. Dit levert een redelijk vermoeden van schuld op dat nader onderzoek rechtvaardigt.

Verbalisanten zijn met machtiging van de hulp OvJ het appartement binnengegaan, zien meteen pakketten liggen die lijken op cocaïne alsmede een sealapparaat, bevriezen de situatie ter plaatse in afwachting van een rechter-commissaris. De doorzoeking door de rc is rechtmatig.

In het appartement zijn vingerafdrukken en DNA-sporen van een van de 2 verdachten aangetroffen. Onder meer op binnen- en buitenkant van handschoenen waarop ook sporen van cocaïne zijn aangetroffen. Naast de omstandigheid dat de sleutels van het appartement tot de andere verdachte kunnen worden herleid, is bij de fouillering van die verdachte ook een stapel bankbiljetten van 100- en 200-eurobiljetten aangetroffen. Blijkens een politiemutatie blijken verdachten elkaar in ieder geval sedert 2011 kennen.

Op grond alle omstandigheden acht de rechtbank bewezen het medeplegen door verdachte van het voorhanden hebben van 4 kilo cocaïne. Gevangenisstraf van 2 jaar waarvan een half jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730063-14 (Promis)

Datum uitspraak: 25 mei 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum] 1970,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Oppe en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (ongeveer) 20,3 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Op basis van de ambtshalve kennis van de verbalisanten en hun waarnemingen van verdachte en medeverdachte, heeft een onderzoek plaatsgevonden in het appartement [straat 1] [nummer 1] . In dat appartement is een grote hoeveelheid cocaïne gevonden. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] kunnen aan dit appartement worden gekoppeld. Ten aanzien van verdachte in het bijzonder wordt opgemerkt dat in het appartement vingerafdrukken en DNA-sporen van hem zijn aangetroffen, onder meer op een weegschaal en op werkhandschoenen, waarop ook sporen van cocaïne zijn gevonden. Hierdoor kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de ten laste gelegde hoeveelheid cocaïne voorhanden hebben gehad.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen. Er is slechts waargenomen dat verdachte zich bij het complex heeft bevonden, waarin het appartement is gelegen waar uiteindelijk de cocaïne is gevonden. Dit is geen voldoende solide basis om vervolgens te kunnen optreden. Er is op onduidelijke gronden een verdenking gecreëerd op grond waarvan men in het appartement is gaan zoeken. Deze doorzoeking is daarmee onrechtmatig. Dientengevolge dient de rechtbank over te gaan tot bewijsuitsluiting van de in het appartement aangetroffen goederen en dient verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Ook indien de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting overgaat, dient verdachte te worden vrijgesproken. Het is immers niet duidelijk wat de betrokkenheid van verdachte bij het appartement is geweest. In het appartement kwamen veel mensen over de vloer. De vingerafdrukken en DNA-sporen van verdachte zijn op makkelijk verplaatsbare voorwerpen in het appartement aangetroffen, waarop ook de sporen van andere mensen zijn aangetroffen. Verder is verdachte op de bewuste dag ook niet in het appartement geweest. Zonder verder bewijs kan de aangetroffen cocaïne dan ook niet zonder meer strafrechtelijk op het conto van verdachte worden geschoven.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten in het proces-verbaal van 30 augustus 2014 uitvoerig verslag hebben gedaan over de wijze waarop verdachte, medeverdachte, appartement [nummer 1] en de daarin aangetroffen cocaïne in beeld zijn gekomen.

In het proces-verbaal wordt gerelateerd dat het de verbalisanten ambtshalve bekend is dat in de [straat 1] te Amsterdam opvallend veel – al dan niet gezochte – Britse criminelen hebben verbleven, dan wel nog steeds verblijven en dat zij veelal gebruik maken van een valse identiteit. Ook is de verbalisanten ambtshalve bekend dat in de afgelopen jaren meermalen grote hoeveelheden verdovende middelen, wapens en volledige hennepplantages en drugslaboratoria zijn aangetroffen in appartementen in de [straat 1] . Deze appartementen bevonden zich in vier appartementencomplexen in de [straat 1] .

Op 29 augustus 2014 ziet verbalisant [verbalisant] verdachte in de [straat 1] lopen. Op basis van zijn dienstervaring op Schiphol vermoedt hij dat verdachte van Britse afkomst is. Verdachte valt op doordat hij constant om zich heen kijkt. Ook valt op dat verdachte een aantal keer de hal van de supermarkt Albert Heijn inloopt, om kort daarna weer naar buiten te gaan.

Ook bij de andere verbalisanten valt verdachte op doordat hij steeds heen en weer loopt tussen de [straat 1] , de [straat 2] en de [straat 3] , waarbij hij veelvuldig om zich heen en achterom kijkt.

Het merkwaardige gedrag van verdachte, diens Britse uiterlijk en de ambtshalve kennis over de activiteiten van Britse criminelen in de omgeving van de [straat 1] , doen de verbalisanten vermoeden dat zij mogelijk met een al dan niet gezocht Britse crimineel te maken hebben. Hierop besluiten de verbalisanten een onderzoek naar verdachtes identiteit in te stellen op grond van de Wet op de identificatieplicht.

Als de verbalisanten op verdachte afgaan, zien zij dat hij aarzelend en om zich heen kijkend naar het appartementencomplex met de woningen [nummer 2] tot en met [nummer 3] toeloopt. Ook wordt gezien dat hij bij één van de appartementencomplexen in de [straat 1] naast de centrale toegangsdeur een driecijferig nummer intoetst. Als de verbalisanten zich bij de toegangsdeur tot het appartementencomplex aan verdachte kenbaar maken, antwoordt hij ongevraagd dat hij een toerist is. De verbalisanten merken op dat verdachte daarbij een zenuwachtige indruk maakt en dat hij desgevraagd niets over zijn verblijfplaats wil zeggen.

Als de personalia van verdachte worden gecontroleerd, krijgen de verbalisanten de melding dat [verdachte] in Engeland onder andere is veroordeeld voor de Opiumwet en dat de persoonsgegevens van [verdachte] mogelijk vals zijn, dan wel aan een ander persoon toebehoren. Hierop houden zij verdachte aan op grond van de Wet op de Identificatieplicht.

Terwijl de verbalisanten met verdachte bezig zijn, zien andere verbalisanten plotseling medeverdachte [medeverdachte] van achter het appartementencomplex vandaan lopen. Medeverdachte [medeverdachte] valt bij de verbalisanten op doordat hij eveneens een Brits uiterlijk heeft en hij haastig wegloopt terwijl hij om zich heen kijkt. [medeverdachte] blijft vervolgens in de buurt rondlopen en blijft gericht kijken naar wat met verdachte gebeurt. Als geüniformeerde agenten arriveren en in zijn richting lopen, zien de verbalisanten dat [medeverdachte] daar kennelijk van schrikt en dat hij met zijn handen in/onder zijn kleding friemelt.

Als [medeverdachte] om zijn legitimatie wordt gevraagd, blijkt hij net als verdachte uit [plaats in Groot-Brittannië] te komen en heeft hij, net als verdachte, strafrechtelijke antecedenten, maar dan voor de Wet Wapens en Munitie. Dit versterkt bij de verbalisanten het vermoeden dat [medeverdachte] en verdachte met elkaar te maken hebben en dat [medeverdachte] mogelijk in een appartement in het complex aan de [straat 1] aanwezig was op het moment dat verdachte – vlak voor diens staandehouding – aanbelde. Bij de verbalisanten ontstaat het vermoeden dat mogelijk verboden goederen in het appartement aanwezig zijn, dat [medeverdachte] via de intercom heeft meegeluisterd naar de controle van verdachte, waarna [medeverdachte] het complex haastig via de achterzijde heeft verlaten. Aan dit vermoeden droeg bij dat [medeverdachte] desgevraagd niet wilde verklaren waar hij zojuist vandaan kwam.

Tijdens de controle van [medeverdachte] komen twee jongens op de verbalisanten af die wijzen op een ring met sleutels die zij bij een boompje hadden zien liggen, waar de verbalisanten [medeverdachte] zojuist in/onder zijn kleding hadden zien friemelen. De sleutels zien er schoon en vrij nieuw uit en blijken op de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex te passen.

Na overleg met de officier van justitie krijgen de verbalisanten toestemming uit te zoeken bij welk appartement de sleutels horen, en om dit appartement te betreden op grond van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Eén van de sleutels blijkt toegang te geven tot appartement [nummer 1] . Direct na het binnentreden zien de verbalisanten – zonder te zoeken en iets te openen – een geopende kartonnen doos met 15 in tape omwikkelde pakketten, 6 in tape omwikkelde pakketten op een tafel met daarbij meerdere paren handschoenen en een weegschaal. Op tafel naast de weegschaal en de pakketten ligt verder een lepel met restjes wit poeder. De pakketten komen overeen met pakketten cocaïne die de verbalisanten herkennen van eerdere zaken.

Hierop is medeverdachte [medeverdachte] aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet en is de situatie in het appartement bevroren en is de komst van een rechter-commissaris afgewacht teneinde de woning te doorzoeken.

Later op de dag is verdachte ten aanzien van de verdenking van overtreding van de Wet op de identificatieplicht heengezonden, en vervolgens aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet.

De rechtmatigheid van het bewijs

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de in het appartement gevonden cocaïne niet dient te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank overweegt daartoe dat de geverbaliseerde omstandigheden in het proces-verbaal van bevindingen in hun onderlinge samenhang en verband moeten worden beoordeeld en dat deze een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9 van de Opiumwet en/of artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie rechtvaardigen en dat het betreden van het appartement door de opsporingsambtenaren daarom rechtmatig was.

Die omstandigheden zijn: de ambtshalve kennis van de verbalisanten dat veel Britse criminelen zich onder een valse identiteit ophouden in de buurt van de [straat 1] ; de vondst van grote hoeveelheden verdovende middelen, wapens en volledige hennepplantages en drugslaboratoria in appartementen in de [straat 1] ; het Britse uiterlijk van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ; de opvallende looproute en het schichtig om zich heen kijken van verdachte voordat hij naar het appartementencomplex toegaat; de omstandigheid dat de aanvankelijke informatie was dat verdachte een valse identiteit gebruikte; het haastig weglopen van medeverdachte [medeverdachte] vanaf het appartementencomplex, waarbij ook [medeverdachte] schichtig om zich heen kijkt en de verbalisanten kennelijk in de gaten blijft houden; de omstandigheid dat beiden een strafblad ter zake van de Opiumwet en/of de Wet Wapens en Munitie hebben en de vondst van schoon uitziende sleutels op de plek waar medeverdachte [medeverdachte] aan zijn kleding heeft staan friemelen, welke sleutels vervolgens blijken te horen bij het appartement waar later de cocaïne is aangetroffen.

De rechtbank acht in dit kader verder van belang dat de verbalisanten eerst na machtiging daartoe in het appartement zijn binnengetreden en dat zij na het aantreffen van de pakketten de situatie meteen hebben bevroren in afwachting van een rechter-commissaris. De verbalisanten hebben hiermee rechtens juist gehandeld.

Dat achteraf is gebleken dat de informatie waarover verbalisanten beschikten niet klopte of onvolledig was ( [verdachte] had geen valse identiteit, [medeverdachte] had wel antecedenten op de Wet wapens en munitie, maar dit betrof een relatief gering vergrijp, te weten het bezit van een traangasbusje), doet aan het voorafgaande niet af, omdat de verbalisanten af mochten gaan op de informatie die zij op dat moment doorkregen.

Overige bewijsoverwegingen

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte, tezamen met medeverdachte [medeverdachte] , 20,3 kilogram cocaïne voorhanden heeft gehad in appartement [nummer 1] aan de [straat 1] te Amsterdam. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de in het appartement aangetroffen pakketten cocaïne bevatten. Op de onderkant van de weegschaal die bij deze pakketten stond, zijn de vingerafdrukken van verdachte gevonden. Op de binnen- en buitenkant van de handschoenen die bij deze pakketten lagen, is het DNA-spoor van verdachte gevonden alsook sporen van cocaïne.

Daarnaast zijn in het appartement een pakje sigaretten en verschillende sigarettenpeuken gevonden, waarop respectievelijk de vingerafdrukken dan wel het DNA-spoor van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft, overigens pas nadat hij met deze onderzoeksbevindingen is geconfronteerd, verklaard dat hij vijf dagen voor de vondst van de cocaïne in het betreffende appartement is geweest, omdat hij iemand, waarvan hij de naam niet wil noemen, zou hebben geholpen met het verplaatsen van meubels. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de dag van de aanhouding een vriend in een ander appartement in het complex ging bezoeken. Ook hier wil verdachte niet aangeven welk appartement dit is en wie daarin woont of verblijft. De rechtbank acht deze verklaringen, in het licht van de overige onderzoeksbevindingen en bij gebrek aan verifieerbare details, echter niet aannemelijk.

Verder zijn de sleutels van het appartement waar later de cocaïne is aangetroffen, gevonden op de plek waar medeverdachte [medeverdachte] aan zijn kleding heeft staan friemelen toen hij de politie zag. [medeverdachte] is vlak daarvoor van achter het complex te voorschijn gekomen. [medeverdachte] heeft tegenover de verbalisanten ontwijkend geantwoord op de vraag waar hij zojuist vandaan was gekomen, maar hij is door een getuige als huurder van het appartement herkend.

Bij de fouillering van [medeverdachte] is vervolgens een stapeltje bankbiljetten van 100 en 200 eurobiljetten aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in cocaïne grote geldbedragen gemoeid zijn. Het aantreffen van deze bankbiljetten bij [medeverdachte] , draagt bij aan de overtuiging dat verdachte zich tezamen met [medeverdachte] heeft bezig gehouden met het voorhanden hebben van cocaïne ter verdere verspreiding.

Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt bovendien dat verdachte en [medeverdachte] elkaar in elk geval sinds 2011 kennen, nu verdachte in 2011 is aangehouden wegens het besturen van een bromfiets onder invloed van alcohol, welke bromfiets op naam van de vriendin van [medeverdachte] stond geregistreerd.

Op grond van al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen door verdachte van het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Gelet op dit samenstel van factoren moet het ervoor worden gehouden dat verdachte en [medeverdachte] samen de beschikking over het appartement en de daarin aanwezige cocaïne hebben gehad.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit nu de vingerafdrukken en DNA-sporen van verdachte die in het appartement zijn aangetroffen, zich op verplaatsbare voorwerpen bevinden. Gelet op het hiervoor overwogene, kan dit verweer niet slagen. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage bij dit vonnis vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 29 augustus 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 20,3 kilogram cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregel

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid cocaïne. De hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers. Door het beschikbaar hebben van cocaïne, een stof die sterk verslavend werkt, wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast in de samenleving, aangezien deze handel in het algemeen ook gepaard pleegt te gaan met andere vormen van criminaliteit, vaak gepleegd door gebruikers in het kader van financiering van hun behoefte aan cocaïne.

Gelet op de zeer grote hoeveelheid cocaïne die in het appartement is aangetroffen, kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte en medeverdachte een wat hogere positie in de cocaïneverwerking innemen. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat verdachte naar eigen zeggen al geruime tijd in Nederland verblijft, terwijl hij niet is ingeschreven op een adres in Nederland en hier evenmin legale inkomsten heeft. Gelet op het vooroverwogene wekt dit de indruk bij de rechtbank dat verdachte zich kennelijk al langere tijd in zijn inkomsten heeft kunnen voorzien met het voorhanden hebben en verspreiden van verdovende middelen.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een verdachte betreffend uittreksel uit het European Criminal Records Information System van 7 april 2015. Hieruit blijkt dat verdachte in Groot-Brittannië eerder is veroordeeld voor drugsdelicten.

Gelet op het voorgaande en op de straftoemeting in gelijksoortige zaken, zal de rechtbank een straf opleggen gelijk aan hetgeen door de officier van justitie geëist.

Ten aanzien van het beslag

Op naam van verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. Een geldbedrag van € 10.245,- (4825526),

2. Een geldbedrag van € 1.950,- (4825537).

De voornoemde in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze geldbedragen geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5

is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank:

- verklaart het bewezene strafbaar;

- verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder nummers 1 en 2 vermelde geldbedragen;

- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. R.H.G. Jongeneel en B. Vogel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 mei 2016.