Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
13/751229-16 RK 16/2132
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank staat de door de Franse autoriteiten verzochte overlevering van een 22-jarige man van Franse nationaliteit toe. De man wordt verdacht van deelneming aan een internationaal opererende criminele terroristische organisatie en is op 27 maart 2016 in Rotterdam aangehouden. Het bepaalde in de artikelen 2, 9, 11 en 14 van de Overleveringswet levert geen grond op voor weigering van de verzochte overlevering en evenmin voor het vragen van nadere informatie aan de Franse autoriteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751229-16

RK-nummer: 16/2132

Datum uitspraak: 26 mei 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 maart 2016 (met aanvulling van 2 mei 2016) en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2016 door de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance van Parijs (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 mei 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Franse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, afgegeven door

mw. Raphaëlle AGENIE-FECAMP, vice-president, rechter-commissaris bij de arrondissementsrechtbank van Parijs op 25 maart 2016 met het oog op strafrechtelijke vervolging (referentie: 1531400883).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 april 2016. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van voormeld onderdeel van het EAB en voormelde brief zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

Het EAB houdt, gelet op de aanvullende e-mailberichten van 29 maart 2016 en 20 april 2016 van de uitvaardigende justitiële autoriteit, verder een verzoek in om afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4 Artikel 2 van de OLW (genoegzaamheid)

4.1

Verweer/verzoek om aanhouding van de raadsvrouw

De raadsvrouw voert in de eerste plaats aan dat de informatie ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan het Franse verzoek tot overlevering ongenoegzaam is, omdat Nederland niet als pleegplaats is vermeld, terwijl wel sprake is van vermeende strafbare handelingen door de opgeëiste persoon in Nederland die samenhangen met de aan het verzoek tot overlevering ten grondslag liggende verdenking.

In de tweede plaats voert de raadsvrouw aan dat de informatie met betrekking tot de strafbedreiging naar Frans recht ongenoegzaam is, aangezien op grond van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie niet duidelijk is of de maximaal op te leggen vrijheidsstraf 20 jaar, 30 jaar of levenslang is.

De rechtbank dient, aldus de raadsvrouw, gelet op de ongenoegzaamheid van de verstrekte informatie de overlevering te weigeren, dan wel te bepalen dat nadere informatie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt gevraagd.

4.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie – ook op de door de raadsvrouw bekritiseerde punten – genoegzaam is en overweegt hiertoe het volgende.

4.2.1

Ten aanzien van de feiten

Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit de beschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 april 2016 volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht acht strafbare feiten naar Frans recht te hebben gepleegd.

Het in voormelde brief onder 1˚ genoemde strafbare feit ‘deelneming aan een criminele terroristische organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van één of meerdere aanslagen op personen’ betreft het overkoepelende strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Bij de onder 2˚ tot en met 7˚ in voormelde brief weergegeven (bijzondere) strafbare feiten, die deels zijn onderverdeeld in sub kwalificaties, is immers telkens vermeld dat sprake is van een georganiseerd verband. De rechtbank begrijpt uit de gegeven feitsomschrijving dat dit georganiseerde verband samenvalt met de criminele terroristische organisatie. Ten aanzien van het in voormelde brief onder 8˚ genoemde strafbare feit ‘vervalsen van administratieve documenten’ is weliswaar niet vermeld dat sprake is van een georganiseerd verband, maar volgt uit feitsomschrijving dat dit strafbare feit ook verband houdt met de criminele terroristische organisatie.

Ten aanzien van de (mate van) betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij voormelde strafbare feiten is in het EAB vermeld dat hij ervan wordt verdacht tussen eind 2014 en begin 2015 met [naam] naar Syrië te zijn gegaan om te strijden met terroristische groeperingen. Verder is vermeld dat in de woning van de familie [naam familie] in [plaats] (Frankrijk), op 11 december 2015 voorwerpen zijn aangetroffen die zijn te “linken” aan een criminele terroristische organisatie, te weten valse identiteitspapieren, jihadistische video’s en handleidingen voor het vervaardigen van bommen. Ook is vermeld dat de opgeëiste persoon in een woning is geweest te Argenteuil (Frankrijk), waar op 24 maart 2016 oorlogswapens, explosieven en gestolen identiteitsdocumenten zijn aangetroffen.

Naast deze pleegplaatsen (Syrië en Frankrijk) zijn in het EAB ook België, Tunesië, Turkije en Irak als pleegplaatsen vermeld. Uit het EAB en de door de uitvaardigende justitiële autoriteit bij de brief van 8 april 2016 verstrekte informatie volgt dat de organisatie uit de opgeëiste persoon, [naam] en meerdere andere personen zou bestaan. De rechtbank begrijpt dat de overige pleegplaatsen betrekking hebben op de criminele organisatie waarvan de opgeëiste persoon lid zou zijn.

De rechtbank leidt uit het EAB en de brief van 8 april 2016 verder af dat er concrete aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de criminele organisatie waarvan de opgeëiste persoon lid zou zijn zich ook tot Nederland uitstrekt en dat dus mogelijk ook in Nederland relevante gedragingen van de leden van die organisatie hebben plaatsgevonden. De opgeëiste persoon is in Nederland aangehouden. In het EAB staat verder vermeld dat de medeverdachte [naam] bij zijn aanhouding in het bezit was van een foto van de opgeëiste persoon en van een SIM-kaart waar twee Nederlandse telefoonnummers op stonden opgeslagen onder “ [p1] ”en “ [p2] ”, personen die vermoedelijk “gelinkt” zijn aan de plannen voor een aanslag van [naam] . De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij de brief van 8 april 2016 daaraan nog toegevoegd dat het onderzoek wordt voortgezet om alle mededaders en medeplichtigen te kunnen identificeren en dat enkele van de mededaders zijn aangehouden in België en in Nederland.

Van ongenoegzaamheid is geen sprake, zeker niet nu het gaat om een EAB dat strekt tot overlevering ten behoeve van nog lopend strafrechtelijk onderzoek.

De omstandigheid dat Nederland mede op basis van de aanvulling op het EAB als mogelijke pleegplaats wordt beschouwd, maakt het EAB naar het oordeel van de rechtbank niet ongenoegzaam. Dat de rechtbank Nederland mede als pleegplaats in aanmerking neemt is wel van belang voor de toepasselijkheid van het hieronder te bespreken artikel 13 van de OLW.

4.2.2

Ten aanzien van de strafbedreiging

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel c.1 van het EAB vermeld dat de maximaal op te leggen vrijheidsstraf voor de in het EAB genoemde strafbare feiten een gevangenisstraf van 30 jaar is.

Naar aanleiding van een verzoek om nadere informatie van de officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 8 april 2016 de maximumstrafbedreiging per strafbaar feit gegeven. Volgens deze informatie per strafbaar feit is de zwaarste maximumstrafbedreiging 20 jaar gevangenisstraf en de minst zware maximumstrafbedreiging

6 jaar gevangenisstraf.

In voormelde brief heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit melding gemaakt van de toepasselijke samenloopbepaling – artikel 132-2 van het Franse Wetboek van Strafvordering (Sv) – en daarbij verklaard dat ingevolge deze bepaling een maximumstraf van 20 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd aan de opgeëiste persoon. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft tevens verklaard dat de vermelding in het EAB dat de maximaal op te leggen vrijheidsstraf een gevangenisstraf van 30 jaar is, berust op een administratieve fout.

De rechtbank acht de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie met betrekking tot de strafbedreiging met het oog op de toetsing aan het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 1˚ van de OLW genoegzaam. Duidelijk is immers dat de maximale strafbedreiging voor de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd hoger is dan drie jaar vrijheidsstraf. Dat mogelijk een recidiveregeling in Frankrijk leidt tot de mogelijkheid om een hogere straf op te leggen dan 20 jaar doet daaraan niet af.

4.2.3

Slotsom

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de genoegzaamheid niet kan leiden tot weigering van de overlevering en evenmin reden geeft nadere informatie bij de uitvaardigende autoriteit op te vragen. De rechtbank verwerpt het verweer en wijst het verzoek om aanhouding af.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 2, te weten, respectievelijk:

  • -

    deelneming aan een criminele organisatie;

  • -

    terrorisme.

Volgens de in rubriek c) van het EAB en de brief van de uitvaardigende autoriteit van

8 april 2016 vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

Uit door de officier van justitie voorafgaand aan de zitting overgelegde stukken blijkt onder meer het volgende.

De opgeëiste persoon is op 28 maart 2016 in Nederland als verdachte in een strafzaak (parketnummer: 10/960176-16) gehoord. Op 30 maart 2016 heeft in die zaak vervolgens een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [adres] te Rotterdam. De officier van justitie van het Landelijk Parket heeft in de aan de rechter-commissaris gerichte vordering met betrekking tot deze doorzoeking vermeld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht ter zake van artikel 140A van het Wetboek van Strafrecht (deelneming aan een terroristische organisatie). De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 1 april 2016 een schriftelijke machtiging gegeven (ter bevestiging van de mondelinge machtiging van 29 maart 2016). In de beschikking is vermeld dat de beslissing is gegeven in de zaak tegen de thans opgeëiste persoon, die in de beschikking met zoveel woorden als verdachte is aangemerkt.

Uit door de raadsvrouw ter zitting overgelegde stukken blijkt verder dat de politie op

27 maart 2016 de woning aan de [adres] te Rotterdam is binnengetreden om de opgeëiste persoon aan te houden en voor doorzoeking van de woning en dat bij de doorzoeking onder meer munitie is aangetroffen, die op naam van de opgeëiste persoon in beslag is genomen.

Van andere relevante strafvorderlijke handelingen in Nederland ten aanzien van de opgeëiste persoon is niet gebleken.

Niet ter discussie staat dat het verhoor van de opgeëiste persoon als verdachte in Nederland en de verrichte doorzoekingen in Nederland gegrond zijn op een verdenking die mogelijk gedeeltelijk overlap heeft met de verdenking die ten grondslag ligt aan het verzoek om overlevering van de Franse justitiële autoriteiten.

De vraag of het verhoor als verdachte van de opgeëiste persoon en de doorzoekingen op zijn naam in de woningen maken dat hij in Nederland wordt vervolgd, is door de officier van justitie primair negatief en door de raadsvrouw positief beantwoord.

De rechtbank zal tegen deze achtergrond de vraag onder ogen moeten zien moeten of sprake is van een lopende strafvervolging in Nederland van de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten als waarvoor de overlevering wordt verzocht, omdat dit ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW een weigeringsgrond oplevert.

De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) heeft op advies van het openbaar ministerie bij brief van 6 mei 2016 de volgende opdracht gegeven:

(…)

Gezien het hiervoor vermelde, geef ik, gelet op artikel 9 lid 2 van de Overleveringswet, de opdracht de strafrechtelijke vervolging met betrekking tot de opgeëiste persoon, onder parketnummer 10/960176-16, te staken. Aan de opdracht tot staking van de Nederlandse vervolging wordt dezerzijds de voorwaarde verbonden dat de overlevering ten aanzien van voormeld feit wordt toegestaan en de daarop betrekking hebbende vervolging in Frankrijk zal plaatsvinden.”

De beslissing van de Minister brengt mee, dat de rechtbank de vraag of de ten aanzien van de opgeëiste persoon in Nederland verrichte strafvorderlijke handelingen maken dat sprake is van een vervolging in Nederland voor het (de) zelfde feit(en) als waarvoor zijn overlevering wordt verzocht onbeantwoord kan laten. Voor zover al van een vervolging in Nederland sprake was, staat met de beslissing afdoende vast, dat de opgeëiste persoon in geval hij aan Frankrijk wordt overgeleverd niet (meer) in Nederland voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht wordt vervolgd. Gelet hierop en het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de OLW is, zo er al sprake is van vorenbedoelde lopende strafvervolging in Nederland, de weigeringsgrond niet van toepassing.

Ten aanzien van de door de Minister gegeven opdracht tot staking van de vervolging geldt dat de raadsvrouw kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de totstandkoming daarvan. Zij heeft aangevoerd dat de officier van justitie bij zijn advies aan de Minister de stukken met betrekking tot het aantreffen van een grote hoeveelheid munitie op 27 maart 2016 in de woning aan de [adres] te Rotterdam niet heeft overgelegd, zodat de Minister daarvan geen kennis heeft kunnen nemen. De raadsvrouw is van mening dat die stukken alsnog aan de Minister moeten worden voorgelegd met de vraag, zakelijk weergegeven, of de Minister de opdracht tot staking van de vervolging in het licht van die stukken handhaaft en heeft daartoe om aanhouding verzocht.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel niet aan de rechtbank is om in deze procedure de totstandkoming van een opdracht tot staking van de vervolging van de Minister te toetsen.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie bij zijn advies aan de Minister een vordering inbewaringstelling ten aanzien van medeverdachte [naam 1] heeft overgelegd. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de daarop vermelde tekst het beste de omvang van de strafvervolging in Nederland van de opgeëiste persoon – als moet worden aangenomen dat daarvan sprake is – zou benaderen. In vorenbedoelde tekst (de (voorlopige) tenlastelegging in de zaak tegen [naam 1] ) is als onderdeel van de beschuldiging melding gemaakt van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid munitie te Rotterdam. De Minister heeft in die zin dus wel kennis kunnen nemen van de ook ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaande verdenking met betrekking tot de aangetroffen hoeveelheid munitie in de woning aan de [adres] te Rotterdam.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak aan te houden om de Minister te vragen of hij de stakingsopdracht handhaaft in het licht van de stukken met betrekking tot de munitievondst in de woning te Rotterdam, zoals verzocht door de raadsvrouw.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 van de OLW

7.1

Levenslange gevangenisstraf: dreigende schending artikel 3 EVRM?

De raadsvrouw heeft, uitgaande van de mogelijkheid dat aan de opgeëiste persoon een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, de rechtbank verzocht de overlevering afhankelijk te stellen van een garantie van de Franse autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) en bij gebreke van een dergelijke garantie de overlevering te weigeren.

Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de door de uitvaardigende autoriteit genoemde strafbedreiging vermoedelijk onjuist is. In het bijzonder is de vraag of, in het kader van de recidiveregeling naar Frans recht, de maximaal op te leggen vrijheidsstraf wel 20 jaar is, of dat deze toch 30 jaar of zelfs levenslang bedraagt. De raadsvrouw heeft in dit verband een e-mail van de Franse raadslieden van de opgeëiste persoon overgelegd. Hierin wordt geconcludeerd dat gelet op de uit het strafblad van de opgeëiste persoon blijkende recidive ingevolge artikel 132-8 van het Franse Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak van de opgeëiste persoon een maximumstraf van 30 jaar en zelfs levenslang zou gelden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat Nederland ervoor heeft gekozen het door de raadsvrouw aangehaalde artikel 5, tweede lid, van het Kaderbesluit niet te implementeren in de OLW.

Overigens stelt de rechtbank vast dat evenmin is gebleken dat in Frankrijk bij eventuele oplegging van de levenslange gevangenisstraf sprake is van schending van artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit de uitspraak van 13 november 2014 van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak van Bodein tegen Frankrijk, die de raadsvrouw overigens ook heeft aangehaald, volgt juist dat Frankrijk wel voldoet aan de in het kader van het EVRM te stellen vereisten, in die zin dat er een mogelijkheid tot herziening bestaat. De enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon, anders dan Bodein, mogelijk wordt veroordeeld voor terroristische misdrijven, geeft zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, geen aanleiding eraan te twijfelen dat Frankrijk ook in geval van oplegging van een levenslange gevangenisstraf in verband met terroristische misdrijven het EVRM zal naleven.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding nadere vragen te stellen omtrent de juistheid van de mededelingen omtrent de strafbedreiging, en evenmin omtrent de oplegging van een, door de raadsvrouw mogelijk geachte, levenslange vrijheidsstraf.

7.2

Detentieomstandigheden: dreigende schending artikel 3 EVRM?

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de detentieomstandigheden in Frankrijk (ten aanzien van verdachten van terroristische misdrijven) zodanig zijn dat moet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering naar Frankrijk een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die bij artikel 3 van het EVRM is verboden.

Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: EHRM) inzake Aranyosi en Calderaru van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, ro 88 en 89) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat wanneer zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend – afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten – worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat, wanneer zij moet beslissen of de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt overgeleverd aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon. Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

Dergelijke gegevens zijn niet door de raadsvrouw overgelegd en ook overigens is de rechtbank niet van dergelijke gegevens gebleken.

De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verslag overgelegd van wat de opgeëiste persoon, die in Frankrijk in detentie heeft verbleven, zelf heeft verklaard over zijn eerdere ervaring met detentieomstandigheden in Frankrijk, alsmede enkele krantenartikelen. Die krantenartikelen zien (onder meer) op andere verdachten van terroristische misdrijven die momenteel in Frankrijk in detentie verblijven. Daarbij heeft de raadsvrouw in het bijzonder gewezen op het mogelijk moeten ondergaan door de opgeëiste persoon van permanent cameratoezicht.

Deze door de raadsvrouw aangehaalde bronnen zijn echter overwegend subjectief van aard, terwijl uit de inhoud van de stukken niet zonder meer volgt dat sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM door Frankrijk.

Daar komt bij dat uit de door de officier van justitie overgelegde informatie van het EHRM en the U.S. Department of State, het beeld naar voren komt dat Frankrijk het EVRM naleeft op het gebied van detentieomstandigheden.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht personen betrokken bij het bezoek aan Frankrijk van 15 tot 27 november 2015 door het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT), te horen, omdat het rapport van bevindingen nog niet openbaar is gemaakt. Dit verzoek wijst de rechtbank af. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding tot onderzoek met betrekking tot de detentieomstandigheden in Frankrijk. De uitspraak van 5 april 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Aranyosi en Caldararu, waarnaar de raadsvrouw ook zelf heeft verwezen, noopt hiertoe niet.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw strekkende tot weigering van de overlevering op grond van artikel 11 van de OLW en wijst het verzoek om aanhouding af.

8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW

De rechtbank stelt, met de raadsvrouw en anders dan het primaire standpunt van de officier van justitie, vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die mede geacht kunnen worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen in dit verband is overwogen in rubriek 4.2.1 van deze uitspraak.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter subsidiair overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;

  • -

    Een medeverdachte ( [naam] ) in deze zaak zit thans in voorlopige hechtenis in Frankrijk;

  • -

    Frankrijk beoogt berechting in deze zaak van meerdere (andere) verdachten. In België zijn ook verdachte aangehouden;

  • -

    In Frankrijk zijn oorlogswapens, explosieven en gestolen identiteitsdocumenten aangetroffen en inbeslaggenomen ( Argenteuil ). In Val-de-Marne zijn handleidingen voor het vervaardigen van bommen, valse identiteitspapieren en jihadistische video’s aangetroffen en inbeslaggenomen;

  • -

    Er bevindt zich bewijs in Frankrijk;

  • -

    De opgeëiste persoon heeft de Franse nationaliteit en is woonachtig in Frankrijk.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is het volgende aangevoerd:

  • -

    De bulk van het bewijs bevindt zich in Nederland, getuige de grote hoeveelheid munitie die in Nederland op naam van de opgeëiste persoon in beslag is genomen en het feit dat in Nederland thans twee medeverdachten van de opgeëiste persoon worden vervolgd die als getuigen zouden kunnen verklaren omtrent de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij Nederlandse feiten;

  • -

    De weinig concreet onderbouwde verdenkingen tegen de opgeëiste persoon steken schril af tegen de jegens de opgeëiste persoon bestaande verdenkingen in Nederland die concreet onderbouwd worden met de vondst van een grote hoeveelheid munitie.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

9 Artikel 14 van de OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 14 van de OLW wegens strijd met het specialiteitsbeginsel, tenzij de Franse autoriteiten alsnog toestemming hebben verzocht en verkregen van de officier van justitie om de opgeëiste persoon in Frankrijk te vervolgen voor de Nederlandse feiten.

De rechtbank heeft in rubriek 4.2.1 van deze uitspraak vastgesteld dat het EAB mede betrekking heeft op strafbare feiten die geacht kunnen worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Hieromtrent bestaat, anders dan gesteld door de raadsvrouw, geen onduidelijkheid.

Verder staat gelet op hetgeen in rubriek 6 van deze uitspraak is overwogen vast dat de opgeëiste persoon thans in Nederland niet (meer) wordt vervolgd voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Het voorgaande brengt mee, dat weigering van de overlevering op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, van de OLW – nog daargelaten dat deze bepaling geen weigeringsgrond bevat – niet aan de orde is. Evenmin bestaat tegen deze achtergrond aanleiding de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen ingevolge voormelde bepaling van de OLW toestemming aan de officier van justitie te vragen en te verkrijgen ten aanzien van de vervolging in Frankrijk van de opgeëiste persoon. Eventuele toestemming van de officier van justitie ten aanzien van ‘Nederlandse feiten’ waarvoor de overlevering thans niet is verzocht en waarvoor de opgeëiste persoon dus evenmin zal worden overgeleverd, komt pas aan de orde na de overlevering van de opgeëiste persoon.

10 Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft bij aanvulling van 2 mei 2016 op de ‘vordering in behandeling nemen’ van 29 maart 2016 de rechtbank verzocht een beslissing te nemen op het verzoek om afgifte van de uitvaardigende justitiële autoriteit van de in beslag genomen voorwerpen vermeld op de door de officier van justitie bijgevoegde kennisgevingen van inbeslagneming (KVI’s).

De op voormelde KVI’s genoemde voorwerpen betreffen op 27 maart 2016 tijdens de insluitingsfouillering van de opgeëiste persoon bij hem aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van het aan de dag brengen van de waarheid.

De uitvaardigende justitiële autoriteit is door het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van voormelde inbeslagname en heeft vervolgens – bij e-mails van 29 maart 2016 en 2 mei 2016 – verzocht om de afgifte van de voorwerpen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de OLW geen basis biedt voor de afgifte van het beslag aan de uitvaardigende autoriteit, kortgezegd omdat het verzoek daartoe van na de inbeslagneming dateert.

Met de raadsvrouw stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat aan de inbeslagname van de voorwerpen een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit is voorafgegaan, conform het bepaalde in artikel 49, eerste lid, van de OLW.

De omstandigheid dat de voorwerpen kennelijk niet in beslag zijn genomen met toepassing van de bevoegdheid ex voormeld artikellid staat, anders dan gesteld door de raadsvrouw, echter niet in de weg aan inwilliging van het verzoek tot afgifte van de voorwerpen. Uit artikel 50 van de OLW, dat (onder meer) ziet op de door de rechtbank te nemen beslissing over de afgifte van inbeslaggenomen voorwerpen, blijkt niet dat dit artikel slechts ziet op voorwerpen die op basis van een voorafgaand verzoek van de uitvaardigende autoriteit en met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 49 van de OLW in beslag zijn genomen (vergelijk: Rechtbank Amsterdam 12 november 2010, LJN: BO7696). Het verweer slaagt niet.

11 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

12 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 50, van de OLW.

13 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance van Parijs (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

BEVEELT de afgifte aan de uitvaardigende autoriteit van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    belkaart [nummer] ;

  • -

    GSM Samsung, [nummer] ;

  • -

    OV Chipkaart, kaartnummer: [nummer] ;

  • -

    vals identiteitsbewijs [opgeëiste persoon] , Bulgarije, Serienummer: [nummer] ;

  • -

    VISA betaal/creditkaart [nummer] ;

  • -

    VISA betaal/creditkaart [nummer] ;

  • -

    contant geld (15 x € 50,00, 1 x € 10,00, 1 x € 5,00, € 7,75 los geld, totaal: € 772,75).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.