Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3100

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6604
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verantwoording pgb/ awbz/ beroep ongegrond / eiser heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze en waaraan het pgb is besteed

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/6604

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Akkas),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. als rechtsopvolger van Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder

(gemachtigde: mr. T.J. Cheung).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget (pgb) van eiser over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 voor een bedrag van € 11.514,65 afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] (hierna: de moeder). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser, geboren op [geboortedatum] , beschikt over de indicaties ‘Begeleiding individueel klasse 4’, ‘Persoonlijke verzorging klasse 5’ en ‘Verpleging klasse 1’. Aan eiser is bij ambtshalve besluit van 13 december 2012 een pgb van netto € 50.233,15 toegekend voor het jaar 2013.

1.2

Verweerder heeft eiser bij brief van 6 mei 2014 uitgenodigd deel te nemen aan een administratief vooronderzoek en een huisbezoek. In verband met deze controle van de pgb-uitgaven in de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 is eiser verzocht een aantal gegevens te overleggen, waaronder een kopie van de zorgovereenkomst. Op 26 mei 2014 heeft eiser gereageerd op verweerders verzoek. Vervolgens heeft op 27 september 2014 het huisbezoek plaatsgevonden.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de verantwoording van het aan eiser toegekende pgb voor de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 tot een bedrag van € 11.514,65 afgewezen. In de zorgovereenkomst van eiser met zijn moeder is een maandtarief van € 649,37 afgesproken. Dit bedrag is door verweerder over de periode juli tot en met december 2013 toegewezen. De overige gedeclareerde kosten (€11.514,65) heeft verweerder afgewezen, omdat deze niet tot de zorgovereenkomst zijn te herleiden.

1.4

Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en aangevoerd dat het verantwoorde bedrag hoger is uitgevallen, omdat het bedrag aanvankelijk was gereserveerd voor logeerkosten tijdens de vakantie van zijn moeder. Toen de vakantie niet doorging, is het gereserveerde bedrag besteed aan door zijn moeder verleende verzorging en begeleiding. Bij het bezwaarschrift heeft eiser een gewijzigde zorgovereenkomst overgelegd, waarin voor de maanden juli tot en met december 2013 de betaling van een bedrag van €11.004,-- is overeengekomen. Later in de bezwaarfase heeft eiser nog een andere, gewijzigde zorgovereenkomst overgelegd, waarin is overeengekomen dat er voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging buiten de afgesproken tijden een uurtarief van € 20,-- in rekening wordt gebracht. Bij brief van 12 juni 2015 heeft verweerder gevraagd om urendeclaraties waaruit blijkt dat het gedeclareerde bedrag is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg die ten laste mag worden gebracht van het pgb. Ook heeft verweerder verzocht de definitieve beslastingaanslag 2013 van de moeder te overleggen. Uit de vervolgens door eiser overgelegde jaaropgave blijkt niet dat de moeder van eiser het bedrag van € 11.004,-- heeft opgegeven bij de belastingdienst. Verder blijkt volgens verweerder uit de herberekening van de urendeclaraties dat de administratie van eiser niet klopt. Om die redenen heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het afgewezen bedrag is aangewend voor kwalitatieve zorg. Dat eiser zijn administratie heeft laten voeren door een derde aan wie de fouten mogelijk zijn te wijten komt volgens verweerder voor rekening en risico van de budgethouder.

2.1

Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, van de op artikel 44 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gebaseerde (AWBZ) Regeling subsidies AWBZ (de Regeling), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang en voor zover van belang, worden de verzekerde bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het betalen of, indien een trekkingsrecht is verleend, het door de Sociale verzekeringsbank doen betalen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k, of van bemiddelingskosten onder de in onderdeel k opgenomen voorwaarden;

b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;

c. de verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener of zorgverlenende instantie waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen:

1°. indien een trekkingsrecht is verleend: de wijze waarop de zorgverlener voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde;

2°. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend,

3°. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer en de naam van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend,

4°. een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het nummer waarmee die instantie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en wordt namens de zorgverlenende instantie ondertekend;

d. de verzekerde stelt, op verzoek van het zorgkantoor, de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties alsmede zijn rekeningafschrift op papier of op een andere duurzame drager, tot vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling ter beschikking van het zorgkantoor. De rekeningafschriften bevatten in ieder geval de perioden waarop zij betrekking hebben, de datum en het bedrag van de door de verzekerde verrichte betalingen, bedoeld in onderdeel a, alsmede de rekeningnummers waarop deze betalingen zijn bijgeschreven;

e. de verzekerde legt door middel van invulling en ondertekening van een daartoe door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording af over de besteding van het verleende persoonsgebonden budget;

2.2

Op grond van artikel 2.6.9, achtste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, wordt de verantwoording aan het zorgkantoor afgelegd binnen zes weken na het einde van de eerste helft van een kalenderjaar, indien het tot een jaarbedrag herleide netto persoonsgebonden budget € 5.000,-- of meer bedraagt en geen trekkingsrecht is verleend.

3. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat zijn moeder in de tweede helft van het jaar 2013 op vakantie zou gaan en dat hij een zorgovereenkomst had afgesloten met de heer [naam] waarin was afgesproken dat hij de zorg op zich zou nemen en met eiser dagactiviteiten zou ondernemen. Deze overeenkomst heeft eiser na een incident opgezegd omdat de zorg die werd verleend volstrekt onder de maat was. Door de opzegging van deze overeenkomst en vanwege de omstandigheid dat eiser uiteindelijk niet naar het logeeradres is gegaan, heeft de moeder net als in de eerste helft van het jaar 2013 de geïndiceerde zorg aan eiser verleend. Volgens eiser dient de zorg die voortvloeit uit zijn indicatie van doorslaggevende betekenis te zijn en heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door geen nader onderzoek te verrichten naar welke zorg er is geleverd.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 een bedrag van € 10.396,73 heeft goedgekeurd ten behoeve van de zorg die eisers moeder heeft verleend. Onbetwist is voorts dat de zorgbehoevendheid van eiser niet is verminderd en evenmin dat de moeder zorg heeft verleend aan eiser. Desalniettemin rust er op eiser ingevolge artikel 2.6.9 van de Regeling de verplichting om, naast het vereiste dat het moet gaan om kwalitatief verantwoorde zorg, deze zorg bij verweerder te verantwoorden door inzichtelijk te maken op welke wijze en waaraan het pgb is besteed. Op die manier kan verweerder objectief controleren of het pgb wordt besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg. De rechtbank is van oordeel dat eiser het aan hem verstrekte pgb over de periode juli tot en met december 2013 niet toereikend heeft verantwoord. Eiser heeft geen stukken overgelegd die zijn stelling onderbouwen dat er aanvankelijk zorg door de heer [naam] zou worden verleend en dat deze overeenkomst kort na aanvang is opgezegd. Voorts zijn drie verschillende zorgovereenkomsten overgelegd van eiser met zijn moeder, die gaan over dezelfde periode, maar waarin steeds een andere betalingsafspraak staat. De door eiser overgelegde urendeclaraties en de zorgovereenkomsten sluiten niet op elkaar aan. Verweerder heeft ook terecht waarde gehecht aan het feit dat de door eiser gestelde zorg die hij aan zijn moeder heeft betaald, niet kan worden afgeleid uit de belastingaangifte van de moeder over het jaar 2013. Onder deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen. Verweerder heeft daarbij terecht aansluiting gezocht bij de zorgovereenkomst die als eerste is overgelegd, waarin een maandtarief van € 649,37 is afgesproken. Vaststaat dat eiser in hoge mate hulpbehoevend is, omdat hij leidt aan [naam ziekte] . Eiser heeft echter geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat er van uit moet worden gegaan dat door zijn moeder meer zorg is verleend dan in de eerste zorgovereenkomst is afgesproken. De rechtbank acht het belang van verweerder om objectief te controleren of het pgb is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg daarom zwaarder dan de gevolgen van de verlaging van het pgb voor eiser. Dat eiser zijn administratie door een derde heeft laten uitvoeren maakt dit niet anders. De rechtbank is ten slotte van oordeel het beroep op de zorgvuldigheidsbeginsel evenmin slaagt nu het aan eiser is om verantwoording af te leggen over de besteding van het verleende pgb. Verweerder heeft eiser daartoe in de gelegenheid gesteld. De beroepsgronden slagen niet.

5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.