Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3080

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
HA RK 153.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De motivering van het verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden. Daarom is verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. De mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven. Toepassing antimisbruikbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 12 april 2016 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/606093/ HA RK 153.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van de mr. K.G.F. van der Kraats.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Bij de rechtbank is onder rolnummer CV 15-30321 een zaak aanhangig tussen Menzis Zorgverzekeraar en verzoeker. Behandelend rechter is mr. K.G.F. van der Kraats.

2.2.

Op de rolzitting van 12 april 2016 stond de zaak voor het nemen van een conclusie van dupliek.

2 De gronden van het verzoek

Het verzoek houdt voor zover van belang het volgende in:

“inzake het inhoudelijke en niet inzake de personen die niet op de hoogte zijn van het inhoudelijke van de procedure zijnde civiele procedure. Trefwoorden zoals daarvoor gebruikt worden zijn: nieuwkomers(s) reintegratie.

Inzake mijn fysieke conditie is deze sedert 2005 bekend en word niet serieus genomen en dient om met behulp van inhoudelijk schrijven uit de sociale zekerheid uitgesloten te kunnen gaan worden”

3 De beoordeling van het verzoek

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3

Uit de wet (artt. 36 en 37 Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

3.4

De motivering van het onderhavige verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden. Daarom is verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. De mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven.

3.5

Omdat door verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder enige kenbare grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaken van klager niet in behandeling wordt genomen.

3. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking,

 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak van klager niet meer in behandeling zal worden genomen;

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv, geen voorziening open.