Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
HA RK 59.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat de rechter eerder uitspraak heeft gedaan op een beroepschrift van verzoeker tegen een beslissing van de Dienst Belastingen van de Gemeente Amsterdam. De rechter heeft verzoeker toen op vier punten in het ongelijk gesteld. In het hoger beroep heeft het gerechtshof verzoeker in het gelijk gesteld. Verzoeker acht het daarom wenselijk dat de rechter niet opnieuw in een vergelijkbare zaak tegen hem zal oordelen over dezelfde rechtsvragen.

Het enkele feit dat de rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van verzoeker in beroep tegen een beslissing op bezwaar van verzoeker leidt er niet toe dat bij verzoeker objectief de gerechtvaardigde vrees kan zijn gewekt voor (de schijn van) partijdigheid bij de rechter. Er zijn geen aanwijzingen dat de rechter in deze nieuwe zaak niet onbevangen en onpartijdig zal oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 2 februari 2016 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 59.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: H. Wiegman.

welk verzoek strekt tot wraking van mr. B. de Vos, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het wrakingsverzoek van 31 januari 2016;

  • -

    de brief van de secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker van 17 februari 2016, waarin is verzocht om een nadere motivering van het verzoek;

  • -

    het ‘wrakings-request’ van verzoeker van 22 februari 2016, met de gevraagde nadere motivering.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 maart 2016, waar de rechtbank de gemachtigde van verzoeker en de rechter heeft gehoord.

2 De feiten

2.1

Aan de rechter is een zaak van verzoeker ter behandeling in handen gegeven.

2.2

Het betreft een door verzoeker bij de rechtbank afdeling Publiekrecht, team Bestuursrecht ingediend beroepschrift tegen de uitspraak op zijn bewaarschrift van de Dienst Belastingen van de Gemeente Amsterdam, in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Het beroep van verzoeker zou door de rechter worden behandeld op de zitting van 18 maart 2016.

2.3

De rechter heeft eerder geoordeeld over een beroep van klager tegen de vastgestelde WOZ-waarde. Tegen die beslissing heeft verzoeker hoger beroep ingesteld, op welk beroep door het gerechtshof Amsterdam is beslist.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat bij hem de vrees is gewekt dat de rechter zich partijdig zal tonen dan wel de schijn van partijdigheid zal wekken. De rechter heeft reeds in 2014 uitspraak gedaan op een beroepschrift van verzoeker tegen een beslissing van de Dienst Belastingen van de Gemeente Amsterdam. Dat betrof het belastingjaar 2012. De rechter heeft verzoeker toen op vier punten in het ongelijk gesteld. In het hoger beroep tegen die uitspraak heeft het gerechtshof Amsterdam verzoeker in het gelijk gesteld. Verzoeker acht het daarom wenselijk dat de rechter niet opnieuw in een vergelijkbare zaak tegen hem zal oordelen over dezelfde rechtsvragen. Thans betreft het opnieuw de vaststelling van de WOZ-waarde, nu over het belastingjaar 2015 en met betrekking tot dezelfde objecten. Verzoeker heeft aanvankelijk verzocht dat de rechter zich zal verschonen. Het team bestuursrecht van deze rechtbank heeft dat verzoek echter als een verzoek tot wraking opgevat. Kennelijk wenst de rechter zich niet te verschonen, terwijl dat volgens verzoeker wel wenselijk zou zijn. Vandaar dat verzoeker niets anders rest dan de indiening van het onderhavige verzoek.

3.2

Verzoeker heeft ter zitting benadrukt dat hij niet twijfelt aan de onpartijdigheid van de rechter. Hij is alleen bevreesd dat zij zich onwillekeurig toch laat beïnvloeden door haar eerdere beslissing.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat de nieuwe procedure betrekking heeft op een ander belastingjaar. Wellicht worden dezelfde argumenten opnieuw aangevoerd en zijn er overlappingen met de eerdere zaak. Voor de rechter is het uitgangspunt dat zij onpartijdig is en zich in de nieuwe zaak onbevangen zal opstellen.

4.2

De rechter vindt het tevens van belang, ook uit praktisch oogpunt, dat het bij de rechtbank gehanteerde systeem voor toewijzing van zaken, waarbij zaken willekeurig aan een rechter worden toegewezen, gehandhaafd kan blijven.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

Het enkele feit dat de rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van verzoeker in beroep tegen een beslissing op bezwaar van verzoeker inzake de WOZ-waarde van de Dienst Belastingen van de Gemeente Amsterdam leidt er niet toe dat bij verzoeker objectief de gerechtvaardigde vrees kan zijn gewekt voor (de schijn van) partijdigheid bij de rechter. Er zijn geen aanwijzingen dat de rechter in deze nieuwe zaak niet onbevangen en onpartijdig zal oordelen.

5.4

Verzoeker heeft dus onvoldoende feiten of omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Het gaat er niet om of het al dan niet verstandig is dat de rechter de nieuwe zaak van verzoeker zal behandelen, zoals verzoeker heeft aangevoerd, omdat zij hem niet op alle onderdelen van zijn eerdere beroep in het gelijk heeft gesteld. De rechtbank heeft zich bij de beoordeling van het verzoek tot wraking uitsluitend te houden aan het hiervoor sub 5.2 omschreven criterium

5.5

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. J. Knol, voorzitter, E.D. Bonga-Sigmond en W.M. de Vries, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 8:18 lid 5 Awb geen voorziening open.