Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3074

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
HA RK 148.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Het verzoek komt er in de kern op neer dat verzoekster het niet eens is met de beslissing van de rechter om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen, omdat volgens verzoekster dan niet meer kan worden nagegaan of haar wederpartij zich aan haar toezeggingen (ten aanzien van aan te bieden woningen) houdt. Verzoekster betoogt daarmee eigenlijk dat de beslissing om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen nadelig voor haar is. Dat verzoekster dit als partijdig ervaart is niet voldoende voor een wraking. Daarvoor moeten objectief gerechtvaardigde gronden aanwezig zijn en die zijn niet gebleken. Daarbij komt dat verzoekster ter zitting heeft gezegd dat zij heel blij is met de wijze waarop de rechter haar zaak behandelt, hetgeen zich moeilijk met een wraking laat rijmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Wrakingskamer

Beslissing op het op 11 april 2016 gedane en onder rekestnummer

HA RK 148.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.M. Patijn, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek gedateerd 7 april 2016, met bijlagen.

De rechter heeft schriftelijk medegedeeld niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 april 2016, alwaar verzoekster is verschenen vergezeld door een vriendin en de rechter is verschenen vergezeld door een secretaris. Verzoekster en de rechter zijn gehoord.

Na de behandeling ter zitting is bepaald dat de beslissing zo spoedig mogelijk zal volgen.

1 De feiten

Uitgegaan wordt van het volgende:

  1. Verzoekster is verwikkeld in een procedure met Woningstichting De Key, die is geregistreerd onder rolnummer CV EXPL 14-12978. Die procedure werd eerst behandeld door een andere kantonrechter.

  2. Nadat de rechter met de behandeling van de zaak is belast, heeft in oktober 2015 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

  3. In maart 2016 heeft nogmaals een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na afloop van die mondelinge behandeling is de zaak naar de rol verwezen voor het wijzen van vonnis.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

Aan het verzoek wordt het volgende ten grondslag gelegd. [ ] is in een lange procedure verwikkeld met De Key. Op de zitting in oktober 2015 heeft De Key (wederom) toezeggingen gedaan, die door De Key niet worden nagekomen. De toezeggingen door De Key zijn op die zitting niet door de rechter vastgelegd. [ ] heeft vanwege eerdere ervaringen met De Key van de zitting in oktober 2015 een geluidsopname gemaakt, waarop de toezeggingen staan. Op zittingen werd steeds gemonitord hoe de gemaakte afspraken ervoor stonden. Nu er een datum voor vonnis is bepaald en de zaak daarmee wordt beëindigd, valt die monitoring weg en daarmee ook de middelen voor [ ] om De Key aan te spreken op haar verantwoordelijkheden. Zij realiseerde zich dat na de laatste zitting. Dat ervaart [ ] als partijdig, omdat haar positie daardoor negatief wordt beïnvloed. Zij vraagt om de zaak in behandeling te houden en om de gemaakte afspraken (alsnog) vast te leggen.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft kort uiteengezet hoe de procedure feitelijk is verlopen en naar voren gebracht dat zij in het verzoek geen gronden leest voor wraking als bedoeld in de wet. Ter zitting heeft de rechter toegelicht dat er door partijen op de zitting in oktober 2015 geen afspraken zijn gemaakt die op schrift zijn vastgelegd en door partijen zijn ondertekend. Mogelijk is in aantekeningen van de griffier terug te vinden of door De Key toezeggingen zijn gedaan.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat – in het onderhavige geval – onafhankelijk van het gedrag van de rechter de bij die partij bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Het verzoek van [ ] komt er in de kern op neer dat zij het niet eens is met de beslissing van de rechter om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen, omdat volgens [ ] dan niet meer kan worden nagegaan of De Key zich aan haar toezeggingen (ten aanzien van aan te bieden woningen) houdt. [ ] betoogt daarmee eigenlijk dat de beslissing om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen nadelig voor haar is. Dat [ ] dit als partijdig ervaart is niet voldoende voor een wraking. Daarvoor moeten objectief gerechtvaardigde gronden aanwezig zijn en die zijn niet gebleken. Daarbij komt dat [ ] ter zitting heeft gezegd dat zij heel blij is met de wijze waarop de rechter haar zaak behandelt, hetgeen zich moeilijk met een wraking laat rijmen.

4.4.

De wrakingskamer oordeelt enkel over de vraag of het wrakingsverzoek al dan niet gegrond is en zij gaat dan ook niet over het vastleggen van afspraken. Het staat [ ] overigens vrij om een verzoek te doen om van de zitting van oktober 2015 een proces-verbaal op te maken op de punten waarop [ ] op de zitting bij de wrakingskamer heeft gedoeld, namelijk door [ ] gestelde toezeggingen door De Key met betrekking tot een andere woning. De griffier kan dan nagaan wat daaromtrent in de aantekeningen van de zitting is opgenomen. [ ] heeft een dergelijk verzoek echter nog niet gedaan.

4.5.

Gelet op het voorgaande moet het verzoek tot wraking als ongegrond worden afgewezen.

B E S L I S S I N G :

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.W.J. Ros, voorzitter, mrs. S.P. Pompe en K.A. Brunner, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Nieuwenhuijs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2016.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.