Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:3057

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

indicatie awbz / omvang functie persoonlijke verzorging / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/5256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam]

(gemachtigde: mr. R. Kaya),

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder [naam] (hierna: eiser) voor de periode van 3 december 2014 tot en met 7 augustus 2016 geïndiceerd voor de functie [functie] en voor de functie [functie] , voor de periode van 3 december 2014 tot en met 7 augustus 2015, beiden in de vorm van zorg in natura.

Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] en woont bij zijn alleenstaande moeder. Hij is onder meer bekend met de chromosomale aandoening syndroom van Temple, fructokinase-deficiëntie en chronisch diarree. Ook is bij sprake van ernstig probleemgedrag, onder andere bestaande uit agressief gedrag richting anderen in de vorm van slaan, krabben en bijten.

1.2

Op 25 november 2014 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om herindicatie van de geïndiceerde zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingediend en verzocht om hem te indiceren voor de functie [functie] en voor de functie [functie] .

1.3

Op grond van het indicatierapport heeft verweerder eiser bij het primaire besluit geïndiceerd voor de functie [functie] , voor de periode van 3 december 2014 tot en met 7 augustus 2016 en voor de functie Begeleiding individueel, klasse 2, voor de periode van 3 december 2014 tot en met 7 augustus 2015.

1.4

Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit een volledige heroverweging van het primaire besluit verricht. In dat kader heeft de arts en medisch adviseur van verweerder, [naam] , nader medisch onderzoek gedaan. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de medische rapportage van 8 juni 2015.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard. Verweerder heeft eiser geïndiceerd:

- met ingang van 3 december 2014 tot en met 31 december 2015 voor de functie [functie] , in de vorm van zorg in natura;

- met ingang van 3 december 2014 tot en met 7 augustus 2015 voor de functie [functie] (2 tot 3,9 uur per week), in de vorm van persoonsgebonden budget (pgb);

- met ingang van 3 december 2014 tot en met 31 december 2015 voor de functie [functie] (4 tot 6,9 uur per week), in de vorm van pgb.

1.6

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat gelet op de leeftijd van eiser en de beschreven sterke variatie van kenmerken van het syndroom van Temple, het niet vaststaat dat eiser geen groei kan laten zien van zijn cognitief functioneren. Voor wat betreft de functie [functie] heeft verweerder overwogen dat de omvang daarvan wordt bepaald door directe zorg, waarbij de verschoningen tijdens de dagbehandeling buiten deze functie vallen. Ook hetgeen onder gebruikelijke zorg valt wordt niet geïndiceerd. Ten aanzien van de functie [functie] heeft verweerder overwogen dat de ondersteuning in de vorm van praktische pedagogische thuisbegeleiding vanwege het gedrag van eiser op initiatief van de moeder is gestopt, waardoor eiser in het kader van de AWBZ (vanaf de door verweerder bepaalde einddatum 7 augustus 2015) geen aanspraak meer kan maken op deze functie.

2. Nu het bestreden besluit betrekking heeft op een afgesloten, reeds verstreken, periode en eiser reeds in het bezit is van een (tijdelijke) indicatie krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), ziet de rechtbank zich eerst gesteld voor de vraag of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen het bestreden besluit. Namens eiser is ter zitting gesteld dat zijn moeder haar baan heeft opgegeven om voor hem te kunnen zorgen en hem meer zorg heeft verleend dan door verweerder is geïndiceerd, waardoor de moeder schade heeft geleden. Gelet op deze stelling, die door de gemachtigde van verweerder ter zitting niet is weersproken, komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit en derhalve ontvankelijk is in zijn beroep.

3.1

In beroep is namens eiser allereerst aangevoerd dat zijn klachten en beperkingen vanwege zijn medische gesteldheid door verweerder te licht zijn ingeschat. Eiser heeft praktisch 24 uur per dag en zeven dagen per week aanhoudende zorg en toezicht nodig, hetgeen verweerder volgens eiser heeft miskend.

3.2

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dat in het geval een bestuursorgaan zich bij het nemen van een besluit onder meer wenst te baseren op een op zijn verzoek door een medisch deskundige uitgebracht advies, de op dat orgaan rustende verplichting tot zorgvuldige besluitvorming, neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, met zich brengt dat dat orgaan zo’n advies slechts aan zijn besluit ten grondslag kan leggen als het voldoende zorgvuldig en deugdelijk is te achten. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de rechtbank de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AD5242). Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat van een dergelijk advies gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat het advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een advies waarop het bestuursorgaan mag afgaan slechts sprake zijn, indien daaruit ten minste blijkt op basis van welke gegevens het tot stand is gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van het advies is gevolgd. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de uitspraak van de Raad van 31 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3205).

3.3

De rechtbank stelt vat dat verweerder aan het bestreden besluit het advies van de arts medisch adviseur, [naam] , van 8 juni 2015 ten grondslag heeft gelegd. Uit dit advies blijkt dat het onderzoek heeft bestaan uit bestudering van het dossier van eiser, waarbij [naam] alle medische stukken bij zijn advies heeft betrokken. Verder heeft hij aanvullende medische gegevens opgevraagd en ontvangen van [naam] , de huisarts van eiser. De medisch adviseur heeft deze informatie betrokken bij zijn onderzoek en hij heeft ten slotte telefonisch overleg gehad met de huisarts van eiser. Nu uit het advies blijkt welk onderzoek heeft plaatsgevonden en op basis van welke gegevens de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van het advies van de medisch adviseur en dit aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft geen medische informatie van een andere arts overgelegd die twijfel doet rijzen aan de juistheid van dit medisch advies. De beroepsgrond faalt.

4.1

Namens eiser is voorts aangevoerd dat de berekening van verweerder van de persoonlijke verzorging niet opgaat. Verweerder is bij het vaststellen van de gemiddelde tijd van vijf minuten voor het verschonen van een luier, uitgegaan van een normaal functionerend kind. De moeder van eiser heeft echter, gelet op eisers ernstig probleemgedrag en de waterige ontlasting, meer tijd nodig om zijn luiers te verschonen dan zij nodig zou hebben bij een normaal functionerend kind. Verder heeft verweerder volgens eiser bij het indiceren geen rekening gehouden met de gevolgen van de ontlastingsproblematiek van eiser, zoals de extra hoeveelheid kleren en beddengoed die dientengevolge gewassen moeten worden.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat een indicatieorgaan als verweerder, gelet op de bij hem aanwezige deskundigheid, in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt bij de beoordeling van de aan te leggen indicatiemaatstaven. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Raad van 4 februari 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO3722).

4.3

Bij de vaststelling van de geïndiceerde klasse is verweerder uitgegaan van de tijden zoals deze zijn weergegeven in de CIZ indicatiewijzer. Wat de frequentie van het verschonen betreft, die overigens niet in geschil is, heeft verweerder aansluiting gezocht bij de beoordeling door de medisch adviseur. Hoewel de medisch adviseur bij de berekening per verschoning vervolgens is uitgegaan van de gemiddelde tijd van vijf minuten en deze te weinig is volgens eiser, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk rekening gehouden met eisers incontinentieproblemen. Eiser is geïndiceerd te voor [naam] dat voldoende ruimte laat voor eventueel extra benodigde zorg. Immers, op basis van de berekening heeft eiser 4,08 uur per week bovengebruikelijke zorg nodig, maar is hij geïndiceerd voor 4 tot 6,9 uur per week. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is hoeveel tijd dan wel gemoeid zou zijn met voor het verschonen van eisers luier. Verder ontbreekt er een wettelijk basis om de gevolgen van de ontlastingsproblematiek, zoals het verschonen van beddengoed, te betrekken bij de vaststelling van de indicatie krachtens de AWBZ. Hierin wordt voorzien door de Wmo, De beroepsgrond faalt.

5. Bovenstaande overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van eiser wordt dan ook ongegrond verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrugt, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.