Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2840

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
AMS 15/3517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Evenredigheid boete bij aanbieden betalingsregeling / beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3517

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2016 in de zaak tussen

[de man] , eiser en [de vrouw] , eiseres, tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. E. de Vreede),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Farahani).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op verzoek van eisers een betalingsregeling voor de hun opgelegde boete aangeboden van 34 maandelijkse termijnen van € 543,- en een termijn van € 538,-. Bij besluit van 8 juli 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2015 (zaaknummers: AMS 13/4439 en AMS 13/4440) heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 8 juli 2013 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen tien weken na verzending van de uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar.

Bij besluit van 10 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers een nieuwe betalingsregeling voor de boete aangeboden van 110 maandelijkse termijnen van elk € 100,-.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar ingesteld, hetgeen overeenkomstig artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden aangemerkt als een beroepschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, die tevens eiseres vertegenwoordigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de echtgenoot van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 24 februari 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of de door eiseres overgelegde financiële stukken, de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) en de omstandigheid dat hier sprake is van bestraffend bestuursrecht, van invloed zijn op zijn standpunt ter zitting ten aanzien van het niet matigen van de boete.

Bij brief van 23 maart 2016 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij zijn standpunt handhaaft en geen aanleiding ziet het boetebedrag te herzien.

Bij brief van 12 april 2016 hebben eisers hier gemotiveerd op gereageerd.

Op 13 april 2016 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

In haar uitspraak van 3 februari 2015 (zaaknummers AMS 13/4439 en AMS 13/4440) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, kort gezegd, het volgende geoordeeld. Verweerder heeft terecht aan eisers de boete vanwege de overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en overtredingen van artikel 15 van de Wav opgelegd. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor matiging van de opgelegde boete Nu in het besluit van 28 februari 2013 echter een boete van € 19.000,- was opgelegd ., betekent dit dat de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2013 gegrond verklaart, dit besluit herroept en de boete vaststelt op € 11.000,-.

Nu de gegrondverklaring van dit beroep gevolgen heeft voor de in het besluit van 8 juli 2013 vermelde betalingsregeling, omdat daarin ten onrechte wordt uitgegaan van een boete van in totaal € 19.000,- in plaats van € 11.000,-, kan het besluit van 8 juli 2013 evenmin in stand blijven. Verweerder zal dan ook een nieuwe betalingsregeling moeten treffen, temeer omdat is gebleken dat verweerder zijn beleid met betrekking tot het aanbieden van een betalingsregeling inmiddels heeft gewijzigd. Verweerder moet hierbij beoordelen of deet besluit van 8 juli 2013 evenmin in stand blijven. Verweerder zal dan ook een nieuwe betalingsregeling moeten treffen, temeer omdat is gebleken dat afzonderlijke financiële omstandigheden van [de man] enerzijds en [de vrouw] anderzijds dienen te leiden tot een voor ieder van hen afzonderlijk vast te stellen betalingsregeling en, zo ja, tot welke, aldus de rechtbank.

1.2

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2. Bij besluit van 10 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van 3 februari 2015 een nieuwe betalingsregeling getroffen ten aanzien van eisers. Verweerder overweegt hierbij dat de boete van € 11.000,- niet kan worden betaald uit het vermogen van eisers. Verweerder stelt voorts vast dat er bij eisers evenmin sprake is van vrije bestedingsruimte. Op grond hiervan verleent verweerder op grond van het gehanteerde beleid aan eisers de maximale betalingstermijn van 110 maanden. Dit komt voor de voormalig vennootschap neer op 110 maandelijkse termijnen van elk € 100,-.

3. Het geschil tussen partijen gaat over beantwoording van de vraag of verweerder bij het aanbieden van de betalingsregeling ook het boetebedrag van € 11.000,- had moeten herzien.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat dit beroep slechts kan zien op de betalingsregeling, omdat de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2015 in rechte vaststaat. Met de uitspraak van 3 februari 2015 is immers komen vast te staan dat eisers artikel 2 en artikel 15 van de Wav hebben overtreden, dat dit eisers kan worden verweten en dat de daarbij behorende boete terecht aan eisers is opgelegd. De rechtbank zal zich in deze uitspraak dan ook beperken tot de vraag of het bestreden besluit is genomen met inachtneming van de uitspraak van 3 februari 2015.

4.2

De beroepsgrond van eisers dat verweerder in het bestreden besluit had moeten betrekken dat hun V.O.F. inmiddels is ontbonden en dat zij twee natuurlijke personen zijn, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor de hoogte van de boete de gekozen rechtsvorm van de onderneming zoals deze gold op de dag van de controle bepalend. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2699. Verweerder heeft de omstandigheid dat de V.O.F. niet meer bestaat dan ook niet bij het vaststellen van de betalingsregeling hoeven te betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

4.3

De beroepsgrond van eisers dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet kan ook niet slagen. Verweerder heeft immers geen beslag gelegd op het vermogen van eisers, maar enkel een betalingsregeling getroffen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de regels omtrent de beslagvrije voet uit het Burgerlijk Wetboek niet in de Wav van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

4.4

Eisers voeren tenslotte aan dat verweerder de hoogte van de boete had moeten matigen naar aanleiding van de ernstige financiële situatie van zowel eiser als eiseres.

4.5

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de boete niet gematigd kan worden, omdat de hoogte van de boete door de uitspraak van 3 februari 2015 al in rechte is komen vast te staan.

4.6

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen de financiële situatie van eisers niet in geschil is. In het bestreden besluit heeft verweerder immers overwogen dat er bij eisers geen sprake is van vermogen of vrije bestedingsruimte. Voorts volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9509) en 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:871) dat een opgelegde boete kan worden gematigd, indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de boete onevenredig wordt getroffen. Daarbij volgt uit de uitspraak van 30 maart 2016 dat bij de beoordeling van de draagkracht de aannemelijk geworden omstandigheden waarin de werkgever op dat moment verkeert in acht moeten worden genomen. De rechtbank lijdt hieruit af dat ook verweerder bij het aanbieden van een betalingsregeling de opgelegde boete kan matigen indien op grond van overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat de beboete werkgever door de boete onevenredig wordt getroffen. Dit volgt ook uit de uitspraak van 3 februari 2015, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat verweerder de afzonderlijke financiële omstandigheden van eisers bij het vaststellen van de nieuwe betalingsregeling moet betrekken. Omdat het bestreden besluit geen blijk geeft van een dergelijke evenredigheidsbeoordeling van de boete, terwijl verweerder wel heeft vastgesteld dat bij eisers geen sprake is van vermogen of vrije bestedingsruimte, heeft verweerder niet aan de opdracht van de rechtbank voldaan.

4.7

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het beroep is gegrond en het besluit komt wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen over de betalingsregeling met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen primaire besluit met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.