Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2736

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
C/13/564315 / HA ZA 14-459
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proefprocedure. Tussen huisarts en door Landelijke Huisartsenvereniging opgerichte declaratieservice gesloten overeenkomst voor financiële dienstverlening waarbij gebruik wordt gemaakt van een stichting beheer derdengelden. Na faillissement van zowel de declaratieservice als de stichting beheer derdengelden, vordert de curator van de stichting het aan de huisarts teveel betaalde. De kern van het geschil is of de overeenkomst tussen de huisarts en de declaratieservice de grondslag kan zijn voor een vordering van de curator van de stichting en zo ja of aan de huisarts teveel is betaald en hoe de hoogte van een eventuele vordering dient te worden bepaald.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0205
AR 2016/1374
JOR 2016/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/564315 / HA ZA 14-459

Vonnis van 11 mei 2016

in de zaak van

mr. dr. ing. ADRIANUS JOHANNES VERDAAS

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting

Stichting Beheer Derdengelden LHV Declaratie Direct,

kantoorhoudende te Utrecht,

eiser,

advocaat mr. S. de Nijs-van 't Hof te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. N. van den Burg te Utrecht.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 april 2014 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van 30 juli 2014 met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 13 augustus 2014 waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van repliek van 8 oktober 2014 met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van 25 februari 2015 met producties,

  • -

    de rolbeslissing van 25 maart 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 oktober 2015,

  • -

    de brief van 12 november 2015 van de zijde van de curator met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

LHV Declaratie Direct B.V. (hierna: LDD) is in 2004 opgericht door de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) met als doel het bieden van een declaratieservice voor huisartsen. In 2004 is, mede door LDD, opgericht de stichting Stichting Beheer Derdengelden LHV Declaratie Direct (hierna: SBD).

2.2.

LDD en SBD zijn op 1 januari 2005 van start gegaan. LDD is op 15 september 2009 failliet gegaan en SBD op 6 oktober 2009. De curator is als zodanig benoemd in beide faillissementen.

2.3.

In de akte van oprichting van SBD is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

Artikel 2

1. De Stichting heeft ten doel:

  1. het ontvangen van derdengelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van de rechthebbenden of degene die zal blijken rechthebbende te zijn;

  2. het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbende of degene die zal blijken rechthebbende te zijn; en

  3. het betalen of overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de rechthebbende of degene die zal blijken rechthebbende te zijn, alsmede het incasseren van de (eventueel) door bedoelde rechthebbenden teveel ontvangen bedragen;

  4. het verstrekken van geldleningen voor zover de gelden daarvoor afkomstig zijn uit door en ten behoeve van de stichting gekweekte rente en andere inkomsten uit vermogen.

2. Ter verwezenlijking van haar doelstelling zal de stichting een daartoe strekkende overeenkomst sluiten met (…) LHV Declaratie Direct B.V., hierna te noemen: de vennootschap.

3. De stichting zal de hiervoor bedoelde werkzaamheden zodanig verrichten dat de door de stichting beheerde derdengelden, gelden en andere vermogenswaarden te allen tijde gescheiden zijn en blijven van het vermogen van de vennootschap en diegenen die bij de vennootschap werkzaam zijn. (…)”.

2.4.

Tussen LDD en SBD heeft steeds bestuurlijk een “personele unie” bestaan. SBD heeft nooit personeel in dienst gehad, de werkzaamheden die met haar verband hielden, werden verricht door LDD. Daartoe hadden LDD en SBD een zogenoemde beheerovereenkomst gesloten die is ingegaan per 1 januari 2005 en op 9 juli 2008 is ondertekend.

2.5.

In de beheerovereenkomst tussen LDD en SBD is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

ALGEMEEN

1.1.

De Stichting voert in opdracht van LDD het beheer over aan LDD toevertrouwde gelden en/of andere vermogenswaarden uit hoofde van werkzaamheden die LDD voor derden krachtens met deze derden gesloten overeenkomst in het kader van de uitoefening van haar bedrijf verricht en die zijn bedoeld en bestemd om te bestemder tijd uit te keren aan de rechthebbende(n), of te restitueren aan degene(n) die de gelden aan LDD hebben toevertrouwd (hierna: “Derdengelden”). Onder de rechthebbende (…) wordt in het kader van deze overeenkomst een huisarts bedoeld die het gehele declaratieproces middels een contractueel vastgelegde afspraak aan LDD heeft opgedragen.

1.2.

De Stichting ontvangt Derdengelden rechtstreeks van zorgverzekeraars en particuliere patiënten; zij voert over de Derdengelden het beheer en keert de Derdengelden uit aan de rechthebbende(n) , overeenkomstig deze tussen de Stichting en LDD gesloten beheerovereenkomst (“Beheerovereenkomst”) en eventuele nadere aanwijzingen van het bestuur van LDD.

1.3.

De Stichting zal de hiervoor bedoelde werkzaamheden zodanig verrichten dat de door de Stichting beheerde Derdengelden te allen tijde gescheiden zijn en blijven van het vermogen van LDD, haar aandeelhouder (s) en diegenen die bij LDD werkzaam zijn.

2 UITVOERING BEHEER

2.1.

De integrale, feitelijke bedrijfsvoering met betrekking tot het beheer van de Derdengelden en alle daarmee verband houdende diensten wordt krachtens deze Beheerovereenkomst uitbesteed aan LDD (…)”

2.6.

[gedaagde] is als huisarts werkzaam in haar praktijk genaamd Docwerk. Op 1 februari 2005 heeft zij met LDD een (standaard)overeenkomst “Financiële dienstverlening LHV Declaratie Direct” gesloten (hierna: de overeenkomst financiële dienstverlening). In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“1. De werkzaamheden betreffen:

  1. Het factureren van al uw medische verrichtingen.

  2. Het bieden van online-rapportagemogelijkheden voor het volgen van de status van declaraties.

  3. Het incasseren van de vorderingen.

  4. Het afhandelen van vragen en problemen rond de nota’s van patiënten en/of derden.

  5. (…).

2 De voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgevoerd zijn:

a. LDD BV betaalt praktijk Docwerk de volgende bedragen:

- door LDD BV ontvangen ziekenfondshonoraria na controle en binnen 5 werkdagen na ontvangst

- binnen 6 weken na indienen van het bij haar ingediend declaratiebestand voor een zorgverzekeraar, de som van de niet door de zorgverzekeraar betwiste declaraties in dit bestand

- binnen 8 weken na indienen van het bij haar ingediend declaratiebestand de som van de niet door patiënten betwiste bedragen van declaraties in dit bestand

- minus de declaraties die door LDD BV zijn geretourneerd op basis van onjuiste verzekeringsgegevens

- minus de verschuldigde kosten voor de dienstverlening LDD BV

(…)

Ter zekerheid van de praktijk Docwerk maakt LDD BV gebruik van een zogenaamde derderekening, waardoor de praktijk Docwerk gevrijwaard is van de operationele risico’s van LDD BV.

(…)

5 Machtiging

De praktijk Docwerk machtigt LDD BV namens hem/haar al die werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn om de volledige betaling van de medische verrichtingen te incasseren. LDD BV is daarmee ook gemachtigd het ziekenfondshonorarium voor de praktijk Docwerk te incasseren. De betaling van de vergoeding van deze verrichtingen vindt niet rechtstreeks plaats aan LDD BV, maar aan de Stichting Beheer Derdengelden LHV Declaratie Direct te Utrecht. (…)”.

2.7.

De in artikel 5 van de overeenkomst financiële dienstverlening genoemde machtiging heeft [gedaagde] aan LDD verstrekt en ook overigens hebben partijen de overeenkomst uitgevoerd, tot aan de datum faillissement van LDD en SBD.

Op grond van het tweede en derde gedachtestreepje van artikel 2 sub a van de overeenkomst financiële dienstverlening zijn vanaf de bankrekening van SBD aan [gedaagde] en de andere huisartsen die gebruik maakten van de declaratieservice vooruitbetalingen gedaan. Het kwam voor dat ten behoeve van een andere huisarts ontvangen gelden daarvoor werden aangewend.

2.8.

Door middel van inloggegevens kon [gedaagde] op de website van LDD haar rekening-courantoverzicht raadplegen. Het rekening-courantoverzicht bevatte een totaaloverzicht van de actuele stand van zaken van de ingediende declaraties, volgens de door LDD bijgehouden administratie. LDD verstrekte daarnaast jaaroverzichten. Een jaaroverzicht was een momentopname. Op de jaaroverzichten werd geen onderscheid getoond tussen betalingen die door zorgverzekeraars of patiënten rechtstreeks aan de huisarts werden gedaan (en vice versa) en betalingen van LDD aan de huisarts. De kolom “Betaald” is op de jaaroverzichten als volgt gedefinieerd: “Dit zijn alle betalingen van LDD plus de rechtstreeks ontvangen bedragen welke in [jaartal, rb] aan u zijn betaald.”

2.9.

De curator heeft Cerios, destijds genaamd Valori, in 2010 opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de vorderingen en schulden van LDD/SBD jegens de circa 1.500 huisartsen die net als [gedaagde] een overeenkomst financiële dienstverlening hadden gesloten. Cerios heeft in opdracht van de curator bij de vaststelling van de vorderingen en schulden van de huisartsen alle boekingen van vóór 1 maart 2005 buiten beschouwing gelaten.

In het onderzoeksrapport van Cerios van 8 juli 2010 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

INLEIDING

(…) De derdengeldrekening heeft een positief banksaldo (per datum faillissement SBD: circa 14 miljoen euro). (…).

Er is bij het uitspreken van het faillissement van LDD geen goed zicht op de financiële positie (vordering of schuld) van de aangesloten huisartsen. (…)

1.1

OPDRACHT BESCHRIJVING

De opdracht die de curator aan Valori heeft verstrekt luidt: bepaal de vorderingen (of schulden) van de aangesloten huisartsen bij LDD.

Hiervoor dient de beschikbare (digitale) administratie van LDD over de derdengeldrekening te worden gebruikt. Gegeven dat deze administratie fouten bevat dient de werkwijze van Valori te voorzien in het bepalen van verifieerbare (traceerbare) schulden en vordering.

De bankmutaties van de derdengeldrekening dienen als uitgangspunt, vanaf het begin van deze rekening tot datum faillissement.

1.2

PROBLEMATIEK

Het door LDD gebruikte systeem voor het bijhouden van de declaraties (genaamd Brotel) en de werkwijze daaromheen door LDD medewerkers hebben ervoor gezorgd dat de overzichten van LDD niet bruikbaar zijn voor de vaststelling van de vorderingen. (…)

1.3

VERTALING VAN DE OPDRACHT

Valori heeft gekozen voor een geautomatiseerde oplossing voor de administratieve afwikkeling van de problematiek van Stichting Beheer Derdengelden HLV Declaratie Direct (kort: SBD). Doelstelling van deze geautomatiseerde oplossing:

. Op basis van de beschikbare administratie van LDD en SBD overzichten genereren (rapporten) van de financiële posities per bij LDD aangesloten huisarts, zijnde de gedurende de contractperiode van de zorgverzekeraars door SBD per huisarts ontvangen bedragen en anderzijds de door SBD per huisarts betaalde bedragen.

. De samenstelling van de overzichten moet traceerbaar zijn, herleidbaar uit betalingsverkeer en zo nodig ingediende declaraties en vergoedingen (detailrapporten).

. Deze oplossing is enkel bedoeld voor de afwikkeling van de vorderingen en tegoeden op SBD en de inzage hierin.

De omvang van de administratie (3,9 miljoen bankmutaties, 1,4 Miljard aan betalingen en ontvangsten, ruim 1500 huisartsen) maakt dat een geautomatiseerde verwerking een voorwaarde is voor het vaststellen van de vorderingen.

3.3

CONCLUSIES

Van de 3.964.001 bankmutaties van SBD over de gehele periode tot datum faillissement is 99,63% verwerkt in de vorderingen of schulden van huisartsen.

(…)

Er zijn 14.637 bankmutaties niet verwerkt. Deze betreffen nog substantiële betalingen en zijn dus van invloed op de definitieve vaststelling van de vorderingen. Deze mutaties zijn in drie werksessies met de bestuurders van LDD besproken (…). Het resultaat hiervan is dat het aantal niet verwerkte mutaties is teruggebracht tot circa 12.000. Een niet verwerkte bankmutatie betekent dat het bedrag niet is toegewezen aan een huisarts. De totalen zijn na verwerking van de informatie uit de werksessies:

  • -

    Totaal vorderingen € 22.060.317,16 (huisartsen op SBD)

  • -

    Totaal schulden € 8.186.123,85 (door SBD te ontvangen)”

2.10.

Op basis van het onderzoek door Cerios heeft de curator geconcludeerd dat vanaf maart 2005 tot aan het faillissement via de bankrekening van SBD ten behoeve van [gedaagde] een totaalbedrag van € 2.095.414,94 is ontvangen en aan [gedaagde] een totaalbedrag van € 2.132.202,53 is betaald, derhalve dat aan [gedaagde] een bedrag van € 36.787,59 te veel is betaald.

2.11.

In opdracht van [gedaagde] heeft een architect van het door LDD gebruikte automatiseringssysteem een analyse uitgevoerd naar de hoogte van de door de curator voor haar bepaalde schuld. Als gevolg daarvan heeft de curator erkend dat dit bedrag moet worden verminderd met het bedrag van € 12.544,30.

2.12.

Het onderhavige geding heeft voor partijen het karakter van een proefprocedure. Dit is de uitkomst van overleg tussen enerzijds de curator en anderzijds de rechtsbijstandsverzekeraars van een substantieel aantal huisartsen-debiteuren in het faillissement van SBD, die gelijkluidende verweren voeren tegen gelijksoortige vorderingen van de curator. Partijen zijn overeengekomen dat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van hun geschil.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert primair betaling door [gedaagde] van € 28.382,09. Dit is het door Cerios vastgestelde saldo van de (voorwaardelijke) vorderingen die [gedaagde] en SBD gedurende de looptijd van de overeenkomst financiële dienstverlening over en weer op elkaar verkregen, met dien verstande dat daarop in mindering is gebracht het nadien door de curator erkende bedrag van € 12.544,30. SBD heeft aan [gedaagde] dus meer betaald dan waarop zij op de dag van het uitspreken van het faillissement van SBD contractueel recht had, aldus de curator.

Subsidiair vordert de curator van [gedaagde] betaling van € 8.285,52, te weten de rekening-courant-stand op datum faillissement LDD/SBD.

In beide gevallen vordert de curator dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente en van de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Zij heeft nooit een overeenkomst met SBD gehad dus een overeenkomst kan niet de grondslag zijn van de vordering van de curator. De overeenkomst financiële dienstverlening met LDD biedt sowieso geen grond voor terugvordering want voor zover er op datum faillissement aan [gedaagde] meer was betaald dan er voor haar was ontvangen, waren dat vooruitbetalingen waarop [gedaagde] op grond van artikel 2 sub a van die overeenkomst recht had. De Ceriosmethode is in ieder geval niet geschikt om te bepalen hoe veel er dan aan haar te veel zou zijn betaald, aldus (samengevat) steeds [gedaagde] .

3.3.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze proefprocedure staan twee geschilpunten centraal. Het eerste is of de overeenkomst financiële dienstverlening die [gedaagde] met LDD heeft gesloten de grondslag kan zijn voor een vordering van de curator van SBD op [gedaagde] . Tweede punt van geschil is of de methode Cerios geschikt is om de hoogte van een eventuele vordering van de curator van SBD op [gedaagde] te bepalen. Onder meer deze beide punten komen hierna aan de orde.

De verhouding SBD- [gedaagde] ; juridische kwalificatie

4.2.

Volgens de curator is SBD partij bij de tussen [gedaagde] en LDD gesloten overeenkomst financiële dienstverlening. Hij voert daartoe aan dat in die overeenkomst en in de door [gedaagde] verstrekte machtiging is vastgelegd dat de huisarts is gevrijwaard van de operationele risico’s van LDD door gebruikmaking van SBD. In de beheerovereenkomst is een en ander tussen SBD en LDD nader vastgelegd. Het is ook nadrukkelijk de bedoeling van de huisartsen, LDD en SBD geweest om het vermogen van LDD te scheiden van ten behoeve van huisartsen ontvangen gelden, en dus om het vermogen van SBD te scheiden van dat van LDD. Dit impliceert dat het eveneens de bedoeling is geweest om de huisartsen het recht te geven rechtstreeks jegens SBD aanspraak te maken op de door haar ten behoeve van de huisartsen ontvangen gelden. Zou dat anders zijn, en zou de aanspraak van de huisartsen alleen via LDD kunnen lopen, dan zou SBD als enige crediteur LDD hebben en dat was wat partijen nou juist niet beoogden. SBD en de huisartsen hebben zich ook daadwerkelijk gedragen als hadden zij over en weer vorderingen op elkaar, want SBD betaalde aan de huisartsen en door middel van verrekening in rekening-courant betaalden de huisartsen aan SBD terug wat zij te veel vooruitbetaald hadden gekregen. Slotsom, aldus nog steeds de curator, is dat LDD bij het sluiten van de overeenkomst financiële dienstverlening mede heeft gehandeld namens SBD, te weten als haar vertegenwoordiger krachtens stilzwijgend verleende volmacht, en dat de curator uit hoofde van de overeenkomst financiële dienstverlening een vorderingsrecht heeft op [gedaagde] .

4.3.

[gedaagde] betwist niet dat de feitelijke verwerking van declaraties en betalingen tussen haarzelf, LDD, SBD en zorgverzekeraars en patiënten zo is geweest als de curator schetst. Zij betwist wel dat zij (ook) met SBD een overeenkomst had. De overeenkomst financiële dienstverlening is alleen door [gedaagde] en LDD getekend. Dat LDD kennelijk een beheerovereenkomst met SBD had, regardeert haar niet. De beheerovereenkomst dateert bovendien pas uit 2008 en [gedaagde] kende de inhoud daarvan niet. [gedaagde] is dan ook niet aan de beheerovereenkomst gebonden. Het enige wat SBD had, was een bankrekening en zo hebben de huisartsen en LDD dat ook bedoeld.

4.4.

De rechtbank constateert dat geen schriftelijk stuk bestaat waarin een overeenkomst tussen SBD en [gedaagde] is vastgelegd. Dat expliciet een mondeling gesloten overeenkomst tot stand is gekomen, is niet gesteld of gebleken. De vraag of desalniettemin tussen SBD en [gedaagde] een contractuele verhouding is ontstaan, dient beantwoord te worden met het volgende als uitgangspunt. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Of een bepaalde uiting van een partij kan worden beschouwd als een aanbod of een aanvaarding is een vraag van uitleg, die vooral ingekleurd wordt door de geopenbaarde wil in een verklaring of gedraging van de ene partij, die door de andere partij redelijkerwijs opgevat mocht worden in de zin die hij daaraan redelijkerwijs mocht toekennen (artikel 3:33 juncto 3:35 BW).

4.5.

Vast staat dat zowel de huisartsen als SBD en LDD wilden dat de gelden van de huisartsen beschermd zouden zijn tegen financiële malaise van LDD. Dat er daartoe gebruik werd gemaakt van de bankrekening van SBD staat ook vast. Als [gedaagde] in geval van faillissement van LDD of van beslag van de bankrekening van LDD, betaling zou verlangen en deze betaling (vanaf de bankrekening van SBD) alleen via LDD zou kunnen plaatsvinden, zou deze betaling vallen in de failliete boedel van LDD of terechtkomen op de beslagen bankrekening. Het staat vast dat dit zeker niet de bedoeling is geweest van [gedaagde] , LDD en SBD. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan niet anders zijn dan dat het de bedoeling van [gedaagde] , LDD en SBD is geweest om de huisarts een eigen, rechtstreekse, aanspraak te geven op gelden van SBD. De tekst van de overeenkomst financiële dienstverlening is daarmee in overeenstemming, evenals de rekening-courant verhouding en de verrekeningen die in de praktijk hebben plaatsgevonden tussen SBD en [gedaagde] . [gedaagde] betwist niet dat zij vooruitbetalingen - die later niet terecht bleken - feitelijk in rekening-courant met SBD, althans via de bankrekening van SBD, verrekende. Uit deze omstandigheden, alsmede uit de beheerovereenkomst, blijkt voorts dat SBD de wil heeft gehad om rechtstreeks aanspraken op en verweren tegen [gedaagde] te hebben.

tussenconclusie

4.6.

Tussenconclusie op grond van het voorgaande is dat de overeenkomst financiële dienstverlening moet worden aangemerkt als een driepartijenovereenkomst waarbij SBD vertegenwoordigd kan zijn geweest door LDD, maar die in elk geval tot stand is gekomen door de wijze waarop partijen de overeenkomst in de praktijk zijn gaan uitvoeren, en dat zowel door LDD als SBD als [gedaagde] is aanvaard dat SBD partij was bij deze overeenkomst. Deze driepartijenovereenkomst, hierna weer aan te duiden als de overeenkomst financiële dienstverlening, houdt onder meer in dat SBD en [gedaagde] elkaar over en weer konden aanspreken tot betaling of terugbetaling van hetgeen zij over en weer te vorderen hadden uit hoofde van de betalingen en vooruitbetalingen zoals vastgelegd in artikel 2 sub a van de overeenkomst financiële dienstverlening. Het partij-zijn van SBD houdt ook in, anders dan de curator opwerpt, dat SBD de verweren en vorderingen tegen zich moet laten gelden die [gedaagde] (ook) jegens LDD kan voeren en instellen.

Heeft SBD te veel aan [gedaagde] betaald?

4.7.

Volgens de curator volgt uit de overeenkomst financiële dienstverlening en de wijze waarop deze werd uitgevoerd, dat [gedaagde] gehouden is hetgeen zij op datum faillissement SBD per saldo te veel aan (vooruit)betalingen had ontvangen, terug te betalen. Het vaststellen van dit bedrag is een probleem omdat de zeer omvangrijke administratie van LDD onbetrouwbaar is. De hoogte van de vorderingen van SBD op [gedaagde] en op de andere huisartsen moet daarom volgens de curator primair worden bepaald volgens de Cerios-methode. Subsidiair bestaat deze vordering volgens de curator uit het debetsaldo van de rekening-courantverhouding tussen SBD en [gedaagde] .

4.8.

[gedaagde] betwist allereerst dat zij op datum faillissement van SBD meer had ontvangen dan haar toekomt. Zij verwijst naar artikel 2 sub a van de overeenkomst waarin is vastgelegd dat haar declaraties binnen zes dan wel acht weken na indiening moesten worden voldaan tenzij de zorgverzekeraar dan wel de patiënt de declaratie betwistte. SBD heeft zich daaraan gehouden en dus vooruitbetalingen gedaan, hetgeen zij nooit heeft ontkend. Dat LDD, althans SBD, nu als gevolg van faillissement kennelijk niet meer in staat is om bij de betreffende patiënten en zorgverzekeraars de onbetwiste declaraties alsnog te innen, maakt niet dat zij de reeds verrichte vooruitbetalingen ongedaan kan maken, aldus [gedaagde] .

4.9.

Dit verweer gaat niet op, alleen al omdat (ook) [gedaagde] stelt, bijvoorbeeld bij monde van haar raadsman ter comparitie, dat het bij het aangaan van de overeenkomst financiële dienstverlening de bedoeling van [gedaagde] en LDD was dat er voorschotten werden betaald aan [gedaagde] en dat na betaling door de zorgverzekeraar aan LDD eventueel werd verrekend wat teveel betaald was. Naar het oordeel van de rechtbank is met het faillissement van SBD en LDD een verrekeningsmoment tussen [gedaagde] en SBD ontstaan.

4.10.

Voor het geval geoordeeld zou worden dat SBD aan haar te veel heeft betaald, voert [gedaagde] aan dat het recht om dit terug te vorderen wat betreft 2005 tot en met 2008 is vervallen/teniet is gegaan als gevolg van de jaarafsluitingen door middel van de jaaroverzichten, waartegen [gedaagde] niet heeft geprotesteerd. Het recht om terug te vorderen over het jaar 2005 is bovendien vervallen door definitieve afrekening in 2007 en over het jaar 2006 door de bevestiging van LDD dat het debiteurenrisico nul was, althans over beide jaren door verjaring. Over 2009 heeft [gedaagde] minder uitbetaald gekregen dan verzekeraars aan LDD/SBD hebben uitbetaald, zodat over dat jaar niets van [gedaagde] is te vorderen. [gedaagde] wijst voorts op de wettelijke regeling voor rekening-courantverhoudingen: artikel 6:140 BW.

4.11.

De curator betwist dat enig jaar is afgerekend, dan wel dat vorderingen uit enig jaar zijn verjaard of vervallen. De omvang van de vordering kan niet worden vastgesteld op basis van de jaaroverzichten. Daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen door SBD ten behoeve van [gedaagde] ontvangen bedragen (waarvoor zij een vordering heeft op SBD) en de door verzekeraars rechtstreeks aan haar betaalde bedragen (waarvoor [gedaagde] uiteraard geen vordering heeft op SBD).

De curator wijst er verder op dat artikel 6:140 BW geen dwingend recht is en dat partijen daarvan daadwerkelijk hebben afgeweken. SBD, dan wel LDD, heeft nooit rekening-courantsaldi als bedoeld in dat artikel aan de huisartsen medegedeeld. De online toegankelijke rekening-courantoverzichten waren bedoeld als service aan de huisartsen, het stond hen vrij ze al dan niet te raadplegen. Regelmatig werden de overzichten gecorrigeerd. Dat kwam doordat daar ook de door SBD verwachte (maar nog niet gedane) betalingen van een zorgverzekeraar in werden opgenomen. Als die verwachting niet uitkwam doordat de zorgverzekeraar rechtstreeks aan de huisarts betaalde, werd de betaling weer uit het rekening-courantoverzicht verwijderd. Dit is in nieuwbrieven aan de huisartsen gecommuniceerd. Alle betrokkenen wisten dus dat saldovaststelling door middel van de rekening-courantoverzichten er dus toe leidde dat niet-correcte bedragen werden vastgesteld. De overeenkomst financiële dienstverlening bevat juist geen bepalingen die vergelijkbaar zijn met de in de Algemene Bankvoorwaarden opgenomen bepalingen (te weten dat de cliënt rekeningafschriften zo spoedig mogelijk moet controleren en de bank zo snel mogelijk van onjuistheden op de hoogte moet stellen, en dat ieder niet binnen 13 maanden door de cliënt betwist bankafschrift door deze is goedgekeurd).

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt, eerst ten aanzien van de jaaroverzichten. Uit de definitie van “Betaald” op de jaaroverzichten volgt dat SBD niet bedoeld heeft om door middel van de jaaroverzichten vast te stellen wat in de verhouding [gedaagde] - LDD/SBD het saldo was. Ter comparitie heeft de echtgenoot van [gedaagde] namens [gedaagde] verklaard dat hij - als degene die de administratie deed - nooit heeft geweten waarom de jaaroverzichten werden verstrekt, omdat ze niet correct en volledig waren en de door hem bijgehouden boekhouding van de praktijk van zijn echtgenote daaraan slechts met veel moeite te koppelen viel. Dat [gedaagde] mocht begrijpen dat de jaaroverzichten tussen partijen golden als saldovaststelling, kan dus niet met succes worden volgehouden. Dat op het jaaroverzicht 2006 heeft gestaan “debiteurenrisico 0” is dus niet van belang, te meer nu de curator onvoldoende gemotiveerd betwist heeft gesteld dat het nooit de bedoeling is geweest van de huisartsen, noch van LDD/SBD, dat het debiteurenrisico van de huisartsen werd overgenomen.

4.13.

Dat het steeds online zichtbare rekening-courant overzicht een basis zou zijn voor bij haar opgewekt vertrouwen dat de kalenderjaren of andere perioden regelmatig tussen partijen definitief werden afgewikkeld, stelt [gedaagde] niet met zoveel woorden. Maar voor het geval zij dat met haar verwijzingen naar artikel 6:140 BW wel heeft bedoeld te stellen, overweegt de rechtbank dat de curator moet worden gevolgd in zijn, onbetwist gebleven, uitleg en conclusie dat daarmee tussen de huisartsen enerzijds en SBD en LDD anderzijds evenmin saldi zijn vastgesteld.

4.14.

Dit is alleen anders wat betreft het jaar 2005. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord uiteengezet dat en op welke wijze LDD en [gedaagde] dat jaar - het laatste jaar van het oude zorgverzekeringsstelsel met onder andere de ziekenfondsen - met elkaar hebben afgewikkeld. De curator heeft dit ter comparitie bevestigd, zij het met de toevoeging dat SBD niet gebonden is aan de toezeggingen van LDD. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, is dit niet juist; de verweren die [gedaagde] jegens LDD zou kunnen voeren, kan zij op grond van de overeenkomst financiële dienstverlening ook voeren jegens SBD. De rechtbank leidt hieruit af dat bij het bepalen van de hoogte van een eventuele vordering van de curator van SBD het jaar 2005 buiten beschouwing moet worden gelaten.

4.15.

Met betrekking tot 2006 is van belang dat [gedaagde] stelt en de curator betwist dat sprake is van verjaring. Volgens de curator bij conclusie van repliek is geen enkele vordering verjaard, omdat tussen SBD en [gedaagde] over en weer bestaande vorderingen voortdurend in rekening-courant werden verrekend en dus teniet gingen. Bij conclusie van dupliek reageert [gedaagde] hierop met de stelling dat LDD de kalenderjaren heeft afgesloten middels de financiële jaaroverzichten en dat, zo begrijpt de rechtbank althans, vorderingen die in 2006 zouden zijn ontstaan als gevolg daarvan zijn verjaard. Gezien het hiervoor al door de rechtbank gegeven oordeel dat er geen jaarsaldi definitief zijn vastgesteld, kan [gedaagde] hierin niet worden gevolgd. Het moet ervoor worden gehouden dat de feitelijke gang van zaken tussen de huisartsen en SBD/LDD er een is geweest waarbij voortdurend vorderingen ontstonden die door verrekening weer teniet gingen.

tussenconclusie

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat SBD op grond van de overeenkomst financiële dienstverlening een vordering op [gedaagde] kan hebben, terwijl al is geoordeeld dat SBD tegen zich moet laten gelden de weren die [gedaagde] jegens LDD zou hebben gehad.

Andere tussenconclusie is dat bij het bepalen van de omvang van de vordering van de curator het jaar 2005 niet moet worden betrokken en de nulstand per 1 januari 2006 tot uitgangspunt wordt genomen.

Omvang van de vordering

4.17.

Niet in geschil is dat de administratie van LDD/SBD, en daarmee de rekeningcourantstand zoals die online voor de huisarts zichtbaar was, ten tijde van het faillissement onvoldoende betrouwbaar was, want lacunes en andere onvolkomenheden had, om er uit af te kunnen leiden of en zo ja tot welke hoogte [gedaagde] en andere individuele huisartsen enerzijds en de curator anderzijds vorderingen op elkaar hebben.

Vanwege de onbetrouwbaarheid van de administratie van LDD/SBD heeft de curator aan Cerios opdracht gegeven om aan de hand van de boekingen in de bankrekening van SBD tot aan de dag van faillietverklaring te herleiden welke bedragen SBD voor elke huisarts had ontvangen en aan welke huisarts had betaald.

4.18.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen de bruikbaarheid en de correctheid van de Cerios-methode als bewijs van haar financiële verhouding met SBD ten tijde van het faillissement. Zij stelt daartoe onder meer dat een essentieel gebrek van de Cerios-methode is dat Cerios 0,37% van de declaratieregels, oftewel 15.000 regels, niet aan een bepaalde huisarts heeft kunnen koppelen. Ook stelt zij dat en waarom de Cerios-methode leidt tot onjuiste verwerking van door verzekeraars verstrekte voorschotten en dat er geen rekening mee is gehouden dat LDD uitging van onderlinge verrekening tussen/door huisartsen in een zelfde praktijk.

4.19.

De curator erkent dat de Cerios-methode niet 100% betrouwbaar is om de omvang van vorderingen van of tegen SBD op of van de huisartsen te bepalen, maar stelt ook dat er eenvoudigweg geen betere manier is om te bepalen welke huisarts welk bedrag nog aan SBD verschuldigd is dan wel van haar moet ontvangen. Niet alle vorderingen van [gedaagde] op SBD zijn door Cerios aan het licht gebracht, maar de vorderingen die [gedaagde] zelf alsnog aan de curator kenbaar heeft gemaakt, zijn onderzocht. Op grond van dat onderzoek heeft de curator erkend dat de door [gedaagde] gestelde vorderingen inderdaad zijn ontstaan en overeenkomstig die erkenning de vordering op [gedaagde] verminderd. Voor zover een huisarts jegens de curator aannemelijk weet te maken dat hij of zij een vordering op SBD heeft, zal de curator bovendien ook die vordering erkennen.

4.20.

De rechtbank stelt voorop dat het aan de curator is, als de partij die zich beroept op het rechtsgevolg daarvan, te bewijzen dat en zo ja voor welk bedrag hij een vordering heeft op [gedaagde] . Dus is het ook aan de curator om te bewijzen dat en hoeveel [gedaagde] , uitgaande van de in artikel 2 overeenkomst financiële dienstverlening opgenomen afspraken, op het moment van faillietverklaring van SBD sinds 1 januari 2006 te veel betaald heeft gekregen. [gedaagde] heeft immers gemotiveerd betwist dat de Ceriosmethode in haar geval tot vaststelling van het juiste saldo leidt. De curator lijkt ervan uit te gaan dat hij voorshands in het bewijs is geslaagd en dat het aan [gedaagde] is om tegenbewijs te leveren. De rechtbank volgt de curator daarin niet. Dat hij vanwege de gebrekkige administratie van LDD in bewijsnood verkeert, en dat hij met unanieme instemming van de crediteurencommissie van SBD en met goedkeuring van de rechter-commissaris het Ceriosrapport heeft laten uitbrengen, maakt gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] op dit punt nog niet dat de curator nu reeds in dat bewijs is geslaagd. Dat [gedaagde] geen andere manier noemt om vorderingen van de huisartsen vast te stellen, is niet relevant gelet op de regels van bewijsrecht zoals die in dagvaardingsprocedures als deze gelden.

4.21.

[gedaagde] betwist ook dat de stand van de rekening-courantverhouding per datum faillissement van SBD de daadwerkelijke omvang van een vordering van SBD op haar weergeeft. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen, en tussen partijen stond dit al vast, dat aan de actuele stand van het rekening-courant een niet betrouwbare administratie van LDD/SBD ten grondslag ligt. De stand daarvan per datum faillissement kan daarom evenmin dienen als bewijs van de omvang van een vordering van de curator op een huisarts.

tussenconclusie

4.22.

Tussenconclusie is dat het aan de curator is om de omvang van zijn vordering op [gedaagde] te bewijzen, rekening houdend met hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het jaar 2005. Dat leidt er toe dat de rechtbank de curator daartoe, conform zijn aanbod daartoe, in de gelegenheid zal stellen. Voor zover de curator van de gelegenheid tot bewijslevering geen gebruik wenst te maken althans in bewijslevering niet slaagt, zal de vordering worden afgewezen.

Vordering curator verrekenen met schade [gedaagde]

4.23.

Voor het geval enige vordering van de curator jegens haar vast zou komen te staan, heeft [gedaagde] opgeworpen dat zij bijna € 22.000,- schade heeft geleden door fouten van LDD. LDD verzuimde regelmatig om declaraties tijdig in te dienen en heeft in veel gevallen nagelaten om in eerst instantie door een zorgverzekeraar betwiste, maar vervolgens door [gedaagde] gecorrigeerde declaraties, alsnog in te dienen.

4.24.

Om redenen van proces-economie gaat de rechtbank nu reeds in op dit verweer. In de dagvaarding heeft de curator op dit verweer van [gedaagde] geanticipeerd met de stelling dat tekortschieten van LDD in de nakoming van LDD’s overeenkomst met [gedaagde] door [gedaagde] niet kan worden tegengeworpen aan SBD.

4.25.

De rechtbank heeft in dit vonnis echter reeds geoordeeld dat van een driepartijenovereenkomst sprake is tussen [gedaagde] , LDD en SBD op grond waarvan [gedaagde] alle weren jegens SBD toekomen die zij ook jegens LDD kan voeren. De curator zal zo nodig (zie rov. 4.23) te zijner tijd in de gelegenheid worden gesteld om alsnog in te gaan op hetgeen [gedaagde] hieromtrent heeft gesteld in de alinea’s met randnummer 182 en 183 van de conclusie van antwoord.

Vervolg van deze procedure

4.26.

Zoals in rov. 4.22 is aangekondigd zal de curator in de gelegenheid zal worden gesteld om de omvang van zijn vordering te bewijzen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van na te noemen datum.

4.27.

Gelet op het karakter van dit geding, dat door partijen wordt omschreven als een proefprocedure in die zin dat de daarin genomen beslissingen over de verhouding [gedaagde] -SBD in beginsel ook gelden voor alle andere huisartsen die te maken hebben met aanspraken van of op SBD, zal tegen dit tussenvonnis hoger beroep worden opengesteld.

4.28.

In afwachting van het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat de curator toe tot het bewijs van de omvang van zijn vordering op [gedaagde] ,

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 8 juni 2016, opdat de curator alsdan bij akte kan laten weten of hij van de gelegenheid tot bewijslevering door middel van getuigen gebruik maakt, en zo ja, door hoeveel, met een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende vier maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel zal worden doorgeprocedeerd, dan wel, indien de curator het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken, opdat zij deze bewijsstukken aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij verstrekt,

5.3.

bepaalt dat van dit vonnis reeds nu hoger beroep kan worden ingesteld,

5.4.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Berge Henegouwen, mr. J. Thomas en mr. Q.R.M. Falger en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.1

*

1 type: QB coll: