Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2599

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
C/13/582301 / HA ZA 15-216
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Artikel 25 lid 5 Herschikte EEX-vo. In de hoofdzaak betwist eiser het (voort)bestaan van de overeenkomst waarin de forumkeuze is opgenomen met een beroep op onbevoegde vertegenwoordiging, ontbinding en vernietigbaarheid wegens bedrog. De rechtbank is van oordeel dat de verweren van eiser zien op de geldigheid van de overeenkomst, in de zin van artikel 25 lid 5 van de herschikte EEX-vo. Op grond van dat artikellid kunnen deze verweren de geldigheid van het forumkeuze beding niet bestrijden. Daaruit volgt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de vorderingen tegen de gedaagde contractspartij kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/582301 / HA ZA 15-216

Vonnis in incident van 4 mei 2016

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

EURASIAA LTD,

gevestigd te Staines-Upon-Thames (Verenigd Koninkrijk),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.K.S. Verhoek,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CJJ EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DECEMBER MIXER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. R.W. Koevoets.

Partijen zullen hierna Eurasiaa, CJJ, December, [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , (gedaagden 1 tot en met 4 gezamenlijk:) CJJ c.s. en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 januari 2015, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens conclusie van antwoord van [gedaagde sub 5] , met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Eurasiaa,

  • -

    het vonnis in incident van 9 december 2015,

  • -

    de incidentele conclusie voor alle weren houdende exceptie van onbevoegdheid van CJJ c.s.,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Eurasiaa.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in dit incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

In het kader van dit incident zal de rechtbank voorshands van de volgende feiten uitgaan.

2.2.

Van 1 augustus 2008 tot en met 18 november 2014 was [gedaagde sub 5] enig bestuurder van CJJ.

2.3.

In een op 17 maart 2014 gedateerd document staat:

Parties

(1) CJJ [...] (the “Supplier”).

(2) Eurasiaa […] (Customer).

Background

The Supplier carries on the business of sale of new vehicles […]. The Customer wishes to buy and the Supplier wishes to supply, the Vehicles on the terms and conditions set out in this Agreement.

[…]

31 Jurisdiction

Each party irrevocably agrees that the courts of England and Wales shall have exclusive jurisdiction to settle any dispute of claim arising out of or in connection with this Agreement or its subject matter of formation (including non-contractual disputes or claims).

2.4.

De door Eurasiaa bij CJJ bestelde auto’s zijn niet geleverd.

2.5.

In het door [gedaagde sub 5] opgeworpen bevoegdheidsincident heeft de rechtbank bij vonnis van 9 december 2015 – kort gezegd – vastgesteld dat [gedaagde sub 5] en Eurasiaa stelden dat er geen overeenkomst tussen CJJ en Eurasiaa tot stand was gekomen. Om die reden oordeelde de rechtbank in het geschil tussen [gedaagde sub 5] en Eurasiaa dat de rechtbank internationale rechtsmacht toekwam.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

Eurasiaa stelt dat er geen overeenkomst tussen CJJ en Eurasiaa tot stand is gekomen. [gedaagde sub 3] trad bij de onderhandelingen op namens CJJ, maar was (op dat moment) niet bevoegd CJJ te vertegenwoordigen. Er is dus ook geen overeenkomst tot stand gekomen. Een eventuele overeenkomst is ook vernietigbaar op grond van bedrog, omdat [gedaagde sub 3] en CJJ niet van plan waren om de bestelde auto’s te leveren: het was slechts om de aanbetalingen te doen. De aanbetalingen zijn gedeeltelijk gedaan op de bankrekening van December. [gedaagde sub 4] is bestuurder en aandeelhouder van December, aldus – steeds – Eurasiaa.

3.2.

Eurasiaa vordert derhalve – zeer kort samengevat – verklaringen voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en veroordelingen van gedaagden tot vergoeding van de door Eurasiaa geleden schade.

4 Het geschil in het incident

4.1.

CJJ c.s. beroept zich op het in de overeenkomst overeengekomen forumkeuzebeding en vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Eurasiaa voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Nu de dagvaarding in deze zaak dateert van na 10 januari 2015 is voor de beoordeling van de bevoegdheid de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (herschikking)) (hierna: herschikte EEX-vo) van toepassing.

5.2.

Artikel 25 van de herschikte EEX-vo bepaalt:

1. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. […]

5. Een beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht dat deel uitmaakt van een overeenkomst, wordt aangemerkt als een beding dat los staat van de overige bepalingen van de overeenkomst.

De geldigheid van het beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht kan niet worden bestreden op grond van het enkele feit dat de overeenkomst niet geldig is.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat December, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] geen partij zijn bij de door CJJ c.s. gestelde overeenkomst. De rechtbank komt derhalve gelet op artikel 4 lid 1 van de herschikte EEX-vo (ten aanzien van December en [gedaagde sub 4] ) en artikelen 7 lid 2 en/of 8 lid 1 van de herschikte EEX-vo (ten aanzien van [gedaagde sub 3] ) internationale rechtsmacht toe. De door hen ingestelde incidentele vordering ligt derhalve voor afwijzing gereed.

5.4.

December, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten aan de zijde van Eurasiaa worden veroordeeld.

5.5.

Voor CJJ geldt het volgende. In dit incident stelt CJJ dat er (wel) een overeenkomst tussen CJJ en Eurasiaa tot stand is gekomen. In de hoofdzaak betwist Eurasiaa dat met een beroep op onbevoegde vertegenwoordiging, ontbinding en vernietigbaarheid wegens bedrog. In het incident zijn die stellingen van Eurasiaa niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de verweren van Eurasiaa zien op de geldigheid van de overeenkomst, in de zin van artikel 25 lid 5 van de herschikte EEX-vo. Op grond van dat artikellid kunnen deze verweren de geldigheid van het forumkeuze beding niet bestrijden. Daaruit volgt dat de Nederlandse rechter uit dient te gaan van de geldigheid van het beding. De incidentele vordering van CJJ ligt derhalve voor toewijzing gereed.

5.6.

Eurasiaa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van CJJ in het incident worden veroordeeld. Eurasiaa zal in de proceskosten van CJJ in de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van CJJ in de hoofdzaak worden begroot op nihil. In de hoofdzaak zijn door CJJ geen processtukken ingediend en het door haar betaalde vastrecht blijft verschuldigd door de overige gedaagden.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst de vorderingen van December, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] af,

6.2.

veroordeelt December, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in de kosten van het incident, aan de zijde van Eurasiaa tot op heden begroot op € 452,00,

in het incident en in de hoofdzaak

6.3.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak tegen CJJ kennis te nemen,

6.4.

veroordeelt Eurasiaa in de kosten van het incident, aan de zijde van CJJ tot op heden begroot op € 452,00,

6.5.

veroordeelt Eurasiaa in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van CJJ c.s. tot op heden begroot op nihil,

6.6.

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juni 2016 voor conclusie van antwoord aan de zijde van December, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ,

6.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.